202403922/1/A2.
Datum uitspraak: 25 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 16 mei 2024 in zaak nr. 23/2397 in het geding tussen:
[appellant]
en
de Dienst Toeslagen.
Procesverloop
Bij besluit van 7 oktober 2022, kenmerk 1013.75.268.T.SC.22.2, heeft de Belastingdienst/Toeslagen (thans en hierna: de Dienst Toeslagen) het kindgebonden budget van [appellant] over 2019 herzien naar € 1.150,00 en € 3.728,00 aan uitgekeerde voorschotten teruggevorderd.
Bij besluit van 7 oktober 2022, kenmerk 1013.75.268.T.SC.22.3, heeft de Dienst Toeslagen het kindgebonden budget van [appellant] over 2020 herzien naar nihil en € 4.882,00 aan uitgekeerde voorschotten teruggevorderd.
Bij besluit van 21 oktober 2022, kenmerk 1013.75.268.T.SC.22.4, heeft de Dienst Toeslagen het kindgebonden budget van [appellant] over 2022 vastgesteld op nihil.
Bij besluit van 22 maart 2023 heeft de Dienst Toeslagen de door [appellant] tegen de besluiten van 7 oktober 2022 en 21 oktober 2022 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 16 mei 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 oktober 2025, waar de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], zijn verschenen.
Bij besluit van 29 oktober 2025 heeft de Dienst Toeslagen het kindgebonden budget van [appellant] over 2022 herzien naar € 3.180,00.
[appellant] heeft een zienswijze ingediend.
De Afdeling heeft op 20 februari 2026 het onderzoek gesloten en partijen hierover bij brief van dezelfde datum geïnformeerd.
Overwegingen
Inleiding
1. Deze zaak gaat over het kindgebonden budget dat [appellant] ontving voor twee van zijn kinderen. Een voorwaarde voor toekenning van het kindgebonden budget is dat [appellant] kinderbijslag ontvangt van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB).
2. De SVB heeft bij besluit van 14 september 2022 de kinderbijslag van [appellant] met ingang van 31 maart 2019 vastgesteld op nihil. [appellant] heeft bezwaar en beroep ingesteld tegen de besluiten van de SVB.
Besluitvorming over het kindgebonden budget
3. Naar aanleiding van de melding van de SVB over het gewijzigde recht op kinderbijslag heeft de Dienst Toeslagen het kindgebonden budget van [appellant] herzien. De Dienst Toeslagen heeft de bezwaren van [appellant] daartegen ongegrond verklaard bij besluit van 22 maart 2023. De Dienst Toeslagen heeft daarin geconcludeerd dat [appellant] geen recht meer heeft op kinderbijslag. Hierdoor heeft hij geen recht meer op het kindgebonden budget. Als de SVB alsnog kinderbijslag toekent, zal de Dienst Toeslagen opnieuw beoordelen of [appellant] in aanmerking komt voor het kindgebonden budget.
Uitspraak van de rechtbank van 16 mei 2024 over het kindgebonden budget
4. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] ongegrond verklaard. Zij heeft overwogen dat de Dienst Toeslagen terecht het kindgebonden budget heeft herzien, omdat de SVB heeft vastgesteld dat [appellant] vanaf 31 maart 2019 geen recht heeft op kinderbijslag.
Uitspraak van de rechtbank van 14 maart 2025 over de kinderbijslag
5. De rechtbank heeft bij uitspraak van 14 maart 2025 het beroep van [appellant] tegen het besluit van de SVB over de kinderbijslag gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de SVB opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.
Nieuw besluit over de kinderbijslag van 23 mei 2025
6. De SVB heeft het bezwaar van [appellant] tegen de herziening van de kinderbijslag vanaf 31 maart 2019 alsnog gegrond verklaard. De SVB kent aan [appellant] kinderbijslag toe voor één kind over het eerste kwartaal van 2022, één kind over het tweede kwartaal van 2022 en voor beide kinderen over het derde kwartaal van 2022. [appellant] heeft nog recht op € 1.371,44, vermeerderd met de wettelijke rente. Voor het overige krijgt [appellant], voor de periode vanaf 31 maart 2019 tot en met het vierde kwartaal van 2022, geen kinderbijslag.
Nader besluit over het kindgebonden budget van 29 oktober 2025
7. De Dienst Toeslagen heeft het kindgebonden budget van [appellant] over 2022 herzien naar een bedrag van € 3.180,00. Daarbij is ook rente uitgekeerd ten bedrage van € 328,00. In totaal is aan [appellant] een bedrag toegekend van € 3.508,00.
8. De Afdeling stelt vast dat het besluit op bezwaar van 22 maart 2023, voor zover dat ziet op het kindgebonden budget van [appellant] over 2022, is vervangen door het besluit van 29 oktober 2025. De Afdeling merkt het besluit van 29 oktober 2025 daarom aan als een besluit als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, waartegen een beroep van rechtswege is ontstaan. Hierna zal de Afdeling eerst het hoger beroep behandelen en vervolgens het beroep van rechtswege.
Hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van 16 mei 2024
9. [appellant] voert aan dat de besluitvorming van de SVB en daarmee ook het besluit op bezwaar van de Dienst Toeslagen van 22 maart 2023 over het kindgebonden budget onjuist is. Het recht op kinderbijslag is een voorwaarde om in aanmerking te komen voor het kindgebonden budget. Gelet op de leer van de formele rechtskracht heeft [appellant] ook hoger beroep ingesteld in deze zaak over het kindgebonden budget.
9.1. De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 3.1, 5.2-5.2.1 en 6.1 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
Beroep van rechtswege tegen het besluit van 29 oktober 2025
10. [appellant] heeft op dezelfde gronden als zijn hoger beroep kenbaar gemaakt dat hij het niet eens is met het nieuwe besluit van 29 oktober 2025. De Dienst Toeslagen mag niet de SVB volgen. Verder heeft hij in een afzonderlijke procedure beroep ingesteld tegen het nieuwe besluit over de kinderbijslag van de SVB van 23 mei 2025. Hij wil de zaak over het kindgebonden budget aanhouden zolang de zaak over de kinderbijslag nog loopt.
10.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie o.m. haar uitspraak van 14 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3748, onder 4), heeft de wetgever voor een constructie gekozen waarbij het recht op kindgebonden budget is gekoppeld aan het recht op kinderb6ijslag. Artikel 2, eerste lid, van de Wet op het kindgebonden budget dwingt om de aanvraag af te wijzen als aan de ouder geen kinderbijslag wordt betaald. De SVB stelt vast of er aanspraak bestaat op kinderbijslag en de Dienst Toeslagen stelt vervolgens het kindgebonden budget vast op basis van de door de SVB ten aanzien van de kinderbijslag genomen beslissing. Het is niet aan de Dienst Toeslagen om te treden in de beoordeling door de SVB van het recht op kinderbijslag. Namens [appellant] is niet aangevoerd noch onderbouwd dat dit uitgangspunt onjuist is. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 14 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2210, onder 6.
10.2. Het betoog slaagt niet.
10.3. Ten overvloede wijst de Afdeling op het volgende. Indien de SVB zijn besluiten over de kinderbijslag herziet en vervolgens de Dienst Toeslagen niet ambtshalve zijn besluiten over het kindgebonden budget zou herzien, kan [appellant] aan de Dienst Toeslagen een verzoek doen om terug te komen van zijn besluiten omdat sprake is van nieuw gebleken feiten.
Conclusie
11. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Het beroep van rechtswege is ongegrond.
12. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. verklaart het beroep van rechtswege tegen het besluit van 29 oktober 2025 ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Schuurman, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Schuurman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026
1100