ECLI:NL:RVS:2026:1742

ECLI:NL:RVS:2026:1742

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 25-03-2026
Datum publicatie 25-03-2026
Zaaknummer 202406126/1/A3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij afzonderlijke besluiten van 8 maart 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hengelo de verzoeken van [appellanten] om hen in de basisregistratie personen op het adres [locatie] in Hengelo in te schrijven afgewezen. [appellanten] zijn echtgenoten en hebben beiden de Turkse nationaliteit. [appellanten] hebben het college per brief van 21 februari 2023 onder verwijzing naar de verblijfsaantekeningen in hun paspoort verzocht hen in te schrijven in de brp op het adres [locatie] in Hengelo. Het college heeft de verzoeken van [appellanten] met de besluiten van 8 maart 2023 geweigerd. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellanten] niet voldoen aan de in artikel 2.4, eerste lid van de Wet basisregistratie personen neergelegde vereisten voor inschrijving, omdat zij beiden geen rechtmatig verblijf hebben in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000. Het college heeft zich voor dit oordeel gebaseerd op informatie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Volgens het college is daarbij nagegaan of [appellanten] een verblijfsrecht kunnen ontlenen aan het Associatiebesluit 1/80 van de associatieraad EEG-Turkije en bleek dit niet het geval te zijn. Verder staat op de sticker in de paspoorten van [appellanten] slechts dat er een voorlopige voorziening loopt en dat zij niet mogen werken.

Uitspraak

202406126/1/A3.

Datum uitspraak: 25 maart 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend in Hengelo,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 20 augustus 2024 in zaak nr. 23/1727 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Hengelo.

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 8 maart 2023 heeft het college de verzoeken van [appellanten] om hen in de basisregistratie personen (hierna: brp) op het adres [locatie] in Hengelo in te schrijven afgewezen.

Bij besluit van 18 juli 2023 heeft het college de door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 augustus 2024 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 25 februari 2026, waar [appellanten], vertegenwoordigd door mr. Y. Seyran, advocaat in Arnhem, en het college, vertegenwoordigd door M. van der Veer en F.J.D. Reuvekamp, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellanten] zijn echtgenoten en hebben beiden de Turkse nationaliteit. [appellanten] hebben het college per brief van 21 februari 2023 onder verwijzing naar de verblijfsaantekeningen in hun paspoort verzocht hen in te schrijven in de brp op het adres [locatie] in Hengelo. Het college heeft de verzoeken van [appellanten] met de besluiten van 8 maart 2023 geweigerd. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellanten] niet voldoen aan de in artikel 2.4, eerste lid van de Wet basisregistratie personen (hierna: Wet brp) neergelegde vereisten voor inschrijving, omdat zij beiden geen rechtmatig verblijf hebben in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000). Het college heeft zich voor dit oordeel gebaseerd op informatie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND). Volgens het college is daarbij nagegaan of [appellanten] een verblijfsrecht kunnen ontlenen aan het Associatiebesluit 1/80 van de associatieraad EEG-Turkije (hierna: het Besluit nr. 1/80) en bleek dit niet het geval te zijn. Verder staat op de sticker in de paspoorten van [appellanten] slechts dat er een voorlopige voorziening loopt en dat zij niet mogen werken. Het afwachten van een voorlopige voorziening is geen omstandigheid die door artikel 8 van de Vw 2000 wordt genoemd waardoor sprake is van een rechtmatig verblijf en zij voor inschrijving in de brp in aanmerking komen, aldus het college.

Uitspraak rechtbank

2. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college terecht heeft afgewezen [appellanten] in de brp van de gemeente Hengelo in te schrijven.

2.1. De rechtbank heeft allereerst geoordeeld dat ten tijde van het besluit van 18 juli 2023 geen sprake was van rechtmatig verblijf en daarmee niet was voldaan aan de vereisten van artikel 2.4, eerste lid, van de Wet brp. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het niet aan het college, maar aan de IND is om vast te stellen of sprake is van een rechtmatig verblijf. Het college heeft alleen de plicht om bij de IND na te gaan wat de verblijfsrechtelijke status is van een vreemdeling ten tijde van het nemen van een besluit. Uit het dossier blijkt dat het college meerdere keren navraag heeft gedaan naar de verblijfsrechtelijke positie van [appellanten], onder meer op 4 oktober 2022, 22 november 2022, 7 maart 2023 en ten tijde van de hoorzitting bij de commissie voor de bezwaarschriften op 28 juni 2023. Het college heeft op de hoorzitting aangegeven specifiek navraag te hebben gedaan naar een eventueel rechtmatig verblijf van [appellanten] op grond van Besluit nr. 1/80. Uit de informatie van de IND is steeds gebleken dat geen sprake was van rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8 van de Vw 2000.

2.1.1. De rechtbank heeft op grond hiervan overwogen dat het college mocht uitgaan van de informatie van de IND en dat [appellanten] niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij ten tijde van het besluit van 18 juli 2023 toch rechtmatig verbleven in de zin van artikel 8 van de Vw 2000. Voor zover in hoger beroep van belang, heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken van rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder l, van de Vw 2000, omdat de enkele stelling dat [appellanten] als ‘gezinslid’ in de zin van Besluit nr. 1/80 zijn aan te merken zonder nadere concretisering en onderbouwing onvoldoende is voor het oordeel dat het college niet mocht uitgaan van de juistheid van de informatie van de IND.

2.2. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen sprake is van schending van het evenredigheidsbeginsel. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de inschrijving in de brp in Nederland een voorwaarde is om op bepaalde voorzieningen aanspraak te kunnen maken, maar dat daaraan voorafgaand moet worden beoordeeld of sprake is van een rechtmatig verblijf. Van een rechtmatig verblijf is in het geval van [appellanten] niet gebleken. De rechtbank heeft vervolgens verwezen naar het in artikel 10 van de Vw 2000 neergelegde koppelingsbeginsel waaruit volgt dat een vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft geen aanspraken kan maken op toekenning van verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen bij wege van een beschikking van een bestuursorgaan. De rechtbank heeft overwogen dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat met dit onderscheid een legitiem doel wordt gediend. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat het college de nadelige gevolgen van [appellanten] bij de weigering van hun verzoeken om inschrijving in de brp minder zwaarwegend heeft mogen achten dan het met de weigering te dienen doel. Van een zeer bijzonder, specifiek geval waarin het college een nadere belangenafweging had moeten maken, is niet gebleken, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

Rechtmatig verblijf

3. [appellanten] betogen allereerst dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat sprake is van rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder l, van de Vw 2000, omdat zij verblijfsrechten ontlenen aan Besluit nr. 1/80. Zij zijn gelet op hun leeftijd en gezondheid afhankelijk van hun dochter, die rechtmatig en langdurig in Nederland verblijft en werkt. Verder betogen zij dat het college zelfstandig had moeten onderzoeken of zij rechten aan het Besluit nr. 1/80 kunnen ontlenen en dat het college niet uitsluitend had mogen vertrouwen op algemene gegevens van de IND en de Basisvoorziening Vreemdelingen. Ze verwijzen hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling van 16 augustus 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AY6332. Volgens [appellanten] volgt uit het dossier bovendien niet dat het college specifiek bij de IND naar het Besluit nr. 1/80 gevraagd heeft.

Evenredigheid

3.1. Verder betogen [appellanten] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college geen belangenafweging hoefde te maken waarin hun bijzondere omstandigheden worden meegewogen. Zij hebben lange tijd in Nederland gewoond en zijn na een periode in Turkije vanwege hun leeftijd en verslechterde gezondheidssituatie teruggekeerd naar Nederland waar hun dochter woont en hen ondersteunt. Artikel 10 van de Vw 2000 is volgens [appellanten] niet voor hun situatie bedoeld. Er is strijd met het evenredigheidsbeginsel, zoals neergelegd in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. Het ontzeggen van de inschrijving in de brp staat niet in verhouding tot het doel, omdat [appellanten] feitelijk al jaren in Nederland wonen en hun noodsituatie een dringende uitzondering rechtvaardigt.

Beoordeling van het hoger beroep

4. De Afdeling volgt het oordeel van de rechtbank en de onder 5.4 tot en met 8.3 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd en die hiervoor zijn weergegeven. Zij voegt daar nog aan toe dat het college zich voor het oordeel dat geen sprake is van rechtmatig verblijf voor [appellanten], in tegenstelling tot de situatie in de uitspraak van 16 augustus 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AY6332, wel op informatie van de IND heeft gebaseerd. Uit de gedingstukken is bovendien gebleken dat het college specifiek navraag heeft gedaan over het bestaan van rechtmatig verblijf op grond van Besluit nr. 1/80. [appellanten] hebben, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, niet onderbouwd dat het college niet van de juistheid van deze informatie kon uitgaan. Voor wat betreft het beroep van [appellanten] op het evenredigheidsbeginsel volgt de Afdeling de rechtbank in haar oordeel dat gelet op het koppelingsbeginsel van artikel 10 van de Vw 2000 in dit geval geen sprake is van een situatie die de wetgever niet heeft voorzien.

Conclusie

5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier.

w.g. Bangma

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van de Sluis

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026

802-1171

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. G.A. van de Sluis

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?