ECLI:NL:RVS:2026:1746

ECLI:NL:RVS:2026:1746

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 25-03-2026
Datum publicatie 25-03-2026
Zaaknummer 202402790/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 26 januari 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aanvraag van [appellant] om overname van zijn private schulden afgewezen. Deze uitspraak gaat over een besluit op grond van de regeling voor overneming en betaling van private schulden die is opgenomen in de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht). [appellant] is een erkend gedupeerde ouder van de kinderopvangtoeslagaffaire. Hij heeft de Belastingdienst/Toeslagen in het kader van de hersteloperatie toeslagen verzocht om overname van zijn private schulden. Het gaat om drie schulden van in totaal € 56.000,00, die hij is aangegaan bij familieleden. De minister heeft de over te nemen schulden aangemerkt als informele schulden als bedoeld in artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht. Niet is voldaan aan de voorwaarde dat die informele schulden zijn vastgelegd in een notariële akte of volgen uit een rechterlijke uitspraak.

Uitspraak

202402790/1/A2.

Datum uitspraak: 25 maart 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland­West­Brabant van 27 maart 2024 in zaak nr. 23/9225 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Financiën.

Procesverloop

Bij besluit van 26 januari 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aanvraag van [appellant] om overname van zijn private schulden afgewezen.

Bij besluit van 17 juli 2023 heeft de minister, als rechtsopvolger van de Belastingdienst/Toeslagen, het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 maart 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 28 oktober 2025, waar [appellant], bijgestaan door mr. P.J. van der Meulen, advocaat in Tilburg, en de minister, vertegenwoordigd door mr. J. Rhebergen en mr. drs. A. Divis-Stein, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Deze uitspraak gaat over een besluit op grond van de regeling voor overneming en betaling van private schulden die is opgenomen in de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht).

2. In hoofdstuk 4 van de Wht is geregeld onder welke voorwaarden gedupeerden in aanmerking komen voor het overnemen en betalen van private schulden. De voor dit geschil relevante bepalingen van die wet zijn opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding

3. [appellant] is een erkend gedupeerde ouder van de kinderopvangtoeslagaffaire. Hij heeft de Belastingdienst/Toeslagen in het kader van de hersteloperatie toeslagen verzocht om overname van zijn private schulden. Het gaat om drie schulden van in totaal € 56.000,00, die hij is aangegaan bij familieleden.

Besluitvorming

4. De minister heeft de over te nemen schulden aangemerkt als informele schulden als bedoeld in artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht. Niet is voldaan aan de voorwaarde dat die informele schulden zijn vastgelegd in een notariële akte of volgen uit een rechterlijke uitspraak.

Hoger beroep en de beoordeling

Verbod van discriminatie

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister niet was gehouden om zijn private schulden over te nemen. Daartoe voert hij aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de eis dat een informele schuld in een notariële akte moet worden neergelegd in strijd is met het verbod van discriminatie. Binnen de moslimgemeenschap is er een sterke culturele en sociale druk om financiële steun te verlenen aan familie en vrienden, vooral in tijden van nood. Het neerleggen van de lening in een notariële akte wordt gezien als wantrouwen naar de familie.

5.1. Het uitgangspunt van de Wht is dat gedupeerde ouders zo veel als mogelijk de kans krijgen op een nieuwe start. Daarom worden alleen de openstaande en opeisbare betalingsachterstanden overgenomen. De wetgever heeft in dit verband over informele geldschulden uitdrukkelijk beoogd de eis van een notariële akte in de Wht op te nemen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2040).

5.2. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de eis van het overleggen van een notariële akte, bepaald in artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht, niet in strijd is met het verbod van discriminatie, bepaald in artikel 14, in samenhang gelezen met artikel 9 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Ook op de zitting bij de Afdeling heeft [appellant] niet onderbouwd dat de eis van een notariële akte de moslimgemeenschap meer raakt dan andere geloofsgemeenschappen of personen die niet tot die geloofsgemeenschap behoren. Ook buiten de moslimgemeenschap komt het veel voor dat informele schulden bij familieleden niet in een notariële akte worden vastgelegd. De Afdeling volgt [appellant] daarom niet in het betoog dat er een indirect onderscheid wordt gemaakt, omdat de moslimgemeenschap door het stellen van de eis van de notariële akte harder wordt geraakt dan andere gemeenschappen. Daarnaast is ook niet aannemelijk gemaakt dat de moslimgemeenschap zodanig verschilt van andere (religieuze) gemeenschappen dat een gelijke behandeling in strijd zou zijn met artikel 14 van het EVRM. De rechtbank is dus terecht tot het oordeel gekomen dat de minister de eis van de notariële akte mocht stellen om het bestaan van de schulden aan te tonen en om te kunnen beoordelen of er opeisbare achterstanden zijn. De door [appellant] overgelegde, in 2022 opgemaakte, Franstalige documenten zijn daaraan niet gelijk te stellen. Overigens is ook niet gebleken dat de door [appellant] aangevoerde leningen opeisbaar waren voor 1 juni 2021. Daarmee voldoen de (informele) schulden ook niet aan de voorwaarde voor overname, bepaald in artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht.

Hardheidsclausule

6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de hardheidsclausule niet hoefde te worden toegepast. Het terugvorderen van kindertoeslagen heeft grote impact gehad op zijn persoonlijke, professionele en psychische leven. Zo heeft [appellant] onder meer gedwongen schulden moeten maken bij familieleden, heeft hij carrièrekansen gemist en is hij door de stress en onzekerheid sinds 2014 onder behandeling voor psychische problemen, zoals angststoornissen en depressieve klachten. Verder heeft [appellant] zich gediscrimineerd gevoeld en bestaat door de schulden bij familieleden de kans te worden gearresteerd in Marokko vanwege wanbetaling.

6.1. De Afdeling is van oordeel dat de minister de hardheidsclausule niet heeft hoeven toepassen. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat toepassing van artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht, gelet op de ratio daarvan, onbillijk uitpakt of dat sprake is van schrijnende omstandigheden. De door [appellant] naar voren gebrachte omstandigheden, zoals het missen van loopbaankansen door financiële druk en onzekerheid, zijn psychische en fysieke moeilijkheden en die van zijn gezin, zijn echter geen actuele omstandigheden die voortkomen uit de besluitvorming in het kader van de schuldenregeling of de gevolgen daarvan, maar volgen uit de terugvordering van kinderopvangtoeslagen. Voor het herstellen van dit onrecht bestaan de compensatieregeling en de O/G-tegemoetkoming, de forfaitaire regeling en in sommige gevallen een aanvullende vergoeding van werkelijke schade. Verder acht de Afdeling de stelling van [appellant] dat hij door wanbetaling het risico loopt gearresteerd te worden bij aankomst op Marokkaans grondgebied onvoldoende concreet en onderbouwd voor het oordeel dat toepassing had moeten worden gegeven aan de hardheidsclausule.

Conclusie

7. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

8. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, voorzitter, en mr. C.H. Bangma en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk, griffier.

w.g. De Groot

voorzitter

w.g. Rijsdijk

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026

705-1062

BIJLAGE

WETTELIJK KADER

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

Artikel 9. Vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst

1. Een ieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als privé zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uitdrukking te brengen in erediensten, in onderricht, in practische toepassing ervan en in het onderhouden van geboden en voorschriften.

2. De vrijheid zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uiting te brengen kan aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die die bij de wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de openbare veiligheid, voor de bescherming van de openbare orde, gezondheid of goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Artikel 14. Verbod van discriminatie

Het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.

Wet hersteloperatie toeslagen

Artikel 4.1. Overneming of betaling privaatrechtelijke geldschulden gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag, partner en ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag

[…].

2. De geldschulden die worden overgenomen:

a. zijn ontstaan na 31 december 2005;

b. waren voor 1 juni 2021 opeisbaar; en

c. zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.

3. Geldschulden en kosten die worden overgenomen, zijn:

[…].

b. een geldschuld die niet is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser indien deze is vastgelegd in een notariële akte die is verleden in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021 of blijkt uit een rechterlijke uitspraak indien de daaraan voorafgaande ingebrekestelling of dagvaarding of het daaraan voorafgaande verzoekschrift dateert van voor 1 juni 2021, waarbij geldt dat de zaak bij de rechtbank binnen een redelijke termijn na de dagtekening van de ingebrekestelling aanhangig moet zijn gemaakt;

[…].

Artikel 9.1. Hardheidsclausule

[…].

2. Voor zover toepassing gelet op het belang dat de bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard kan:

a. Onze Minister afwijken van artikel 2.15, 2.15a, 3.13, 4.1, 4.2 of 4.3;

[…].

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?