202303047/1/R3 en 202404821/1/R3.
Datum uitspraak: 25 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
het college van burgemeester en wethouders van Groningen,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank NoordNederland (hierna: de rechtbank) van 16 maart 2023 in zaak nrs. 21/02983 3591 3596 3598 in het geding tussen:
[wederpartij A], wonend in Groningen,
[wederpartijen B], wonend in Groningen,
[wederpartij C] en anderen, wonend in Groningen,
[wederpartij D], wonend in Groningen
en
het college van burgemeester en wethouders van Groningen.
alsmede
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant A], wonend in Groningen,
[appellant B] en [appellant C], beiden wonend in Groningen,
[appellant D], wonend in Groningen,
[appellant E], wondend in Groningen,
appellanten,
en
het college van burgemeester en wethouders van Groningen
Procesverloop
Bij besluit van 1 oktober 2021 heeft het college aan Stichting Querido Groningen een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een appartementencomplex voor minder mobiele senioren, voorzien van een parkeerkelder, een (wijk)restaurant en (zorg)voorzieningen op het perceel Van Ketwich Verschuurlaan 92 in Groningen (hierna: het perceel).
Bij besluit van 6 juli 2022 heeft het college het besluit van 1 oktober 2021 gewijzigd (hierna: het eerste herstelbesluit).
Bij uitspraak van 16 maart 2023 heeft de rechtbank het door [wederpartij A], [wederpartijen B], [wederpartij C] en anderen en [wederpartij D] ingestelde beroep tegen het besluit van 1 oktober 2021 en het besluit van 6 juli 2022 gegrond verklaard, de besluiten van 1 oktober 2021 en 6 juli 2022 vernietigd en bepaald dat het college opnieuw dient te beslissen op de aanvraag om een omgevingsvergunning met inachtneming van deze uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.
[wederpartij D] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[wederpartij C] en anderen en het college hebben nadere stukken ingediend.
Bij besluit van 15 juli 2024 heeft het college ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank opnieuw beslist en aan Stichting Querido Groningen een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een appartementencomplex voor minder mobiele senioren, voorzien van een parkeerkelder, een (wijk)restaurant en (zorg)voorzieningen op het perceel (hierna: het tweede herstelbesluit).
[wederpartij D], [wederpartij A], [appellant A], [appellant B] en [appellant C], [appellant D] en [appellant E] hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 15 juli 2024.
[wederpartij C] en anderen hebben een nader stuk ingediend.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
Het college en [appellant A] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 27 november 2025, waar zijn verschenen:
- het college, vertegenwoordigd door mr. R. Snel, advocaat in Groningen, J. ten Hoor, H. ter Meulen en R. van Houdt;
- [wederpartij A]
- Stichting Querido Groningen, vertegenwoordigd door [gemachtigde];
- [wederpartij C] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigden].
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 5 december 2019. Dat betekent dat in dit geval het recht, waaronder de Wabo en de Crisis- en herstelwet, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Op 5 december 2019 heeft Stichting Querido Groningen een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een appartementencomplex van 145 woningen voor minder mobiele senioren, voorzien van een parkeerkelder, een (wijk)restaurant en (zorg)voorzieningen op het perceel. Stichting Querido Groningen heeft op 14 mei 2020 haar aanvraag gewijzigd onder andere door het aantal te realiseren woningen te verlagen naar 138. Het voorziene gebouw bestaat uit twee hoofdvolumes, die allebei zijn opgedeeld in twee deelvolumes met een verschillende bouwhoogte.
3. Bij besluit van 1 oktober 2021 heeft het college onder weerlegging van de door [wederpartij A], [wederpartijen B], [wederpartij C] en anderen en [wederpartij D] ingediende zienswijzen, de omgevingsvergunning verleend. In afwijking van het bestemmingsplan "De Wijert" wordt het appartementencomplex hoger, wordt het bebouwingspercentage overschreden en worden woon-, horeca- en detailhandelsfuncties toegestaan. Ten behoeve van de bouw van de voorziene ontwikkeling worden enkele bomen gekapt. Het college heeft een omgevingsvergunning verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, c en g, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo). Het college heeft daarbij toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3˚, van de Wabo.
4. Bij besluit van 6 juli 2022 heeft het college het besluit van 1 oktober 2021 gewijzigd ten aanzien van de motivering van de afwijking van het bestemmingsplan "Facetherziening Parkeren". Daarbij heeft het college het navolgende voorschrift aan de omgevingsvergunning verbonden: "U dient zich te houden aan de maatregelen die zijn opgenomen in het parkeerplan dat onderdeel uitmaakt van deze vergunning, waaronder ook dat de daarin beschreven bepalingen worden opgenomen in alle huurovereenkomsten met degenen die de appartementen huren zonder parkeerplaats."
Uitspraak van de rechtbank
5. De rechtbank heeft de door [wederpartij A], [wederpartijen B], [wederpartij C] en anderen en [wederpartij D] ingestelde beroepen tegen de besluiten van 1 oktober 2021 en 6 juli 2022 gegrond verklaard en deze besluiten vernietigd.
Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt ten onrechte een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad.
Daarnaast overweegt de rechtbank dat de ten behoeve van de omgevingsvergunning opgestelde parkeeronderzoeken van Roelofs en de ruimtelijke onderbouwing met betrekking tot het aspect parkeren zijn gebaseerd op een onjuist uitgangspunt en daarmee onzorgvuldig tot stand gekomen. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat op grond van de beleidsregels over de parkeernorm in dit geval aansluiting kan worden gezocht bij de norm ten behoeve van beschermd wonen bij een zorginstelling. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het college niet inzichtelijk heeft gemaakt wat de gevolgen van de voorziene ontwikkeling zijn voor de parkeerbehoefte gelet op het realiseren van een (wijk)restaurant dat voor een grotere groep dan alleen de bewoners van het appartementencomplex toegankelijk is.
Verder heeft het college volgens de rechtbank ten onrechte het door [wederpartijen B] overgelegde deskundigenrapport over bezonning van ir. J.R. Tack niet ter beoordeling aan de door Stichting Querido Groningen ingeschakelde deskundige voorgelegd. In dit deskundigenrapport worden volgens de rechtbank grote twijfels opgeworpen of wordt voldaan aan de strenge TNO-norm voor bezonning en schaduwhinder. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de op hem rustende vergewisplicht als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) geschonden, daar waar het gaat om het volgen van de bevindingen en conclusies van de in opdracht van Stichting Querido Groningen uitgevoerde bezonningsstudie.
De rechtbank overweegt verder dat het besluit van 6 juli 2022 ontoereikend is om de gebreken in het besluit van 1 oktober 2021 weg te nemen. De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat het college opnieuw dient te beslissen op de aanvraag om een omgevingsvergunning met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
6. Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld. Dit hoger beroep is bij de Afdeling geregistreerd onder zaaknummer 202303047/1/R3.
7. Bij besluit van 15 juli 2024 heeft het college ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank opnieuw beslist en opnieuw een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een appartementencomplex voor minder mobiele senioren, voorzien van een parkeerkelder, een (wijk)restaurant en (zorg)voorzieningen op het perceel
8. [wederpartij D] en [wederpartij A] hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 15 juli 2024. Deze beroepen zijn bij de Afdeling geregistreerd onder zaaknummer 202303047/1/R3. Daarnaast hebben ook [appellant A], [appellant B] en [appellant C], [appellant D] en [appellant E] beroep ingesteld tegen het besluit van 15 juli 2024. Deze beroepen zijn bij de Afdeling geregistreerd onder zaaknummer 202404821/1/R3.
Toetsingskader
9. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
Hoger beroep
Verklaring van geen bedenkingen
10. De raad van de gemeente Groningen heeft op 8 juli 2019 een lijst vastgesteld met categorieën van gevallen waarvoor geen verklaring van de gemeenteraad vereist is. De lijst geeft invulling aan artikel 6.5, derde lid, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor).
Categorie D van deze lijst luidt:
"D. Nieuwbouw op open plekken
Het bouwen van woningen of andere gebouwen ter opvulling van een reeds bestaande open plek in een bestaande bebouwingsstructuur, mits:
1. het project naar aard en schaal in de bestaande ruimtelijke en functionele structuur past;
2. de uitoefening van bedrijfsactiviteiten beperkt blijft tot de categorieën 1 en 2, bedoeld in de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering."
11. Het college betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat er geen verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad nodig is. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de voorziene ontwikkeling niet behoort tot de aangewezen categorie D.
Voor de vraag of een project tot een aangewezen categorie behoort is, anders dan de rechtbank aanneemt, niet van betekenis of het gaat om een grote afwijking van het bestemmingsplan of niet. Het college deelt het impliciete oordeel van de rechtbank niet dat, wanneer een gebouwonderdeel hoger is dan de directe omgeving, daarmee op zichzelf reeds gegeven zou zijn dat het gebouw als zodanig naar aard en schaal niet past in de stedenbouwkundige structuur. Bovendien gaat het hier ook niet om een erg grote afwijking van het bestemmingplan. De dichtstbijzijnde woning van omwonenden ligt op 45 m afstand waardoor de ruimtelijke impact van het gebouw op omwonenden niet groot is. Het oordeel van de rechtbank heeft uitsluitend betrekking op de vraag of het gebouw naar aard en schaal past in de bestaande ruimtelijke structuur. Volgens het college past het gebouw naar aard en schaal in de ruimtelijke structuur.
11.1. Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college zich wel op het standpunt mocht stellen dat de voorziene ontwikkeling valt onder categorie D. De Afdeling is van oordeel dat voor de uitleg of een project valt onder categorie D zowel naar de aard en schaal in de bestaande ruimtelijke als naar de functionele structuur kan worden gekeken. De rechtbank heeft dit criterium te beperkt uitgelegd.
11.2. De voorziene bebouwing bestaat uit twee hoofdvolumes, die allebei zijn opgedeeld in twee deelvolumes. Het westelijk deel van het gebouw dat is gesitueerd aan de Queridolaan heeft voor een deel een bouwhoogte van 16,2 m en voor een deel een bouwhoogte van 28,7 m. Het oostelijke gedeelte van het gebouw aan de Van Ketwich Verschuurlaan heeft voor een deel een bouwhoogte van 28,2 m en voor een deel een bouwhoogte van 47 m.
Het college stelt dat de voorziene bouwhoogte van 16,2 m aansluit bij bebouwing in de omgeving. Zo zijn aan de noordzijde van de Van Ketwich Verschuurlaan op grond van het geldende planologische regime, inclusief een daarvan deel uitmakende binnenplanse afwijkingsmogelijkheid, meerdere gebouwen mogelijk van 18 m en een gebouw van 22 m. Aan de zuidzijde van de van Ketwich Verschuurlaan en ten oosten van de voorziene ontwikkeling, zijn twee gebouwen mogelijk van 18 m en van 25 m. De Afdeling volgt het college in zijn standpunt.
Over de voorziene bouwhoogte van 28,7 m stelt het college dat dit gedeelte van het bouwplan aansluiting zoekt bij de schaal en maat van de bebouwing ten zuiden van de voorziene ontwikkeling. Aan die zijde zijn op grond van het daar geldende planologische regime bouwhoogtes toegestaan, trapsgewijs oplopend naar de Van Ketwich Verschuurlaan, van 8 m naar 18 m en van 25 m tot 32 m. De voorziene ontwikkeling volgt in oost-westelijke richting diezelfde opbouw van laag naar hoog, met gebruikmaking van de gebruikelijke maatvoering van de tredes. Het voorziene gebouw vormt zo een schakel in de hoogteopbouw van noord naar zuid en sluit dus in zoverre qua aard en schaal volledig aan bij de stedenbouwkundige structuur van de omgeving, aldus het college. De Afdeling volgt het college in zijn standpunt.
Over de voorziene bouwhoogte van 47 m stelt het college dat dit gedeelte van het gebouw een logisch cumulatiepunt is van de stedenbouwkundige opbouw in de directe omgeving, zowel noord-zuid als oost-west bezien. Hoewel deze hoogste trede als zodanig nog niet voorkwam in de onmiddellijke omgeving, past deze om die reden juist goed in de stedenbouwkundige structuur van de hoogtes in het gebied. Met deze hoogteopbouw van oost naar west spiegelt het gebouw ook de opbouw van de bebouwing aan de overzijde van de straat, die immers van west naar oost stapsgewijs oploopt van 8 m, naar 14 m en vervolgens 18 m, aldus het college. De Afdeling volgt het college in zijn standpunt. Daarbij neemt de Afdeling ook in aanmerking dat in paragraaf 4.1 van de toelichting van het bestemmingsplan "De Wijert" staat dat structuurbepalende hoogteaccenten als zodanig passend zijn in de stedenbouwkundige structuur ter plaatse. Ook in de Structuurvisie Hoogbouw 2009 van de gemeente Groningen staat dat hoogbouw een functie heeft daar waar behoefte is aan een nieuw ruimtelijk accent met een stedelijke uitstraling.
11.3. Gelet op de onder 11.2 genoemde omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat de voorziene ontwikkeling naar aard en schaal past in de bestaande ruimtelijke en functionele structuur. Gelet hierop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het bouwplan onder categorie D valt. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
Het betoog slaagt.
Parkeren
12. Het college voert aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat er geen reden bestaat om de omgevingsvergunning vanwege het aspect parkeren te weigeren.
Het college voert samengevat aan dat de rechtbank heeft miskend dat de parkeerbehoefte voor de woonfunctie op de juiste wijze is bepaald en dat in zoverre is voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Zo heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het eerste herstelbesluit zou zijn gebaseerd op de norm van 0,6 parkeerplaats en dat een publiekrechtelijke borging ontbreekt. Daarnaast overweegt de rechtbank volgens het college ten onrechte dat de gevolgen van de voorziene ontwikkeling met betrekking tot de parkeerbehoefte gelet op het realiseren van een (wijk)restaurant dat voor een grotere groep dan de bewoners toegankelijk is, niet inzichtelijk is gemaakt.
12.1. In het besluit van 1 oktober 2021 staan geen voorschriften over het aspect parkeren.
Als voorschrift in het eerste herstelbesluit staat over het aspect parkeren het volgende: "U dient zich te houden aan de maatregelen die zijn opgenomen in het parkeerplan dat onderdeel uitmaakt van deze vergunning, waaronder ook dat de daarin beschreven bepalingen worden opgenomen in alle huurovereenkomsten met degenen die de appartementen huren zonder parkeerplaats."
In de motivering van het eerste herstelbesluit staat dat: "De parkeerbehoefte die van het gebouw uitgaat is gemaximeerd door de maatregelen uit het parkeerplan, die als voorschrift aan de vergunning zijn verbonden. Daarmee is afdoende verzekerd dat de parkeerdruk van het gebouw, ongeacht de exacte invulling van de doelgroep van bewoners, ruimtelijk aanvaardbaar is."
12.2. De Afdeling ziet met de rechtbank aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende is onderbouwd dat de beoogde parkeersituatie ook kan worden geborgd. Dit was niet geregeld in het besluit van 1 oktober 2021 en de opgenomen voorwaarde over het aspect parkeren in het eerste herstelbesluit is daarvoor ook onvoldoende. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 11.3 van de uitspraak van de rechtbank opgenomen overweging, waarop dat oordeel is gebaseerd. Zij voegt daaraan nog toe dat niet is verzekerd dat het college de maatregelen in dit voorschrift kan afdwingen bij Stichting Querido Groningen. Weliswaar staat in het parkeerplan dat er een boetebeding moet worden opgenomen voor huurders die alsnog een eigen auto bezitten en de auto vervolgens in de openbare ruimte parkeren. Maar het is onduidelijk hoe het college hiermee heeft geborgd dat toekomstige bewoners toch niet in de openbare ruimte parkeren. Stichting Querido Groningen kan namelijk wel door het college aangesproken worden wanneer zij dit boetebeding niet overeenkomt met de huurders, maar zij kan door het college niet op naleving van de afspraken tussen Stichting Querido Groningen en de huurders worden aangesproken. Een boetebeding voorkomt daarmee dus niet dat toekomstige bewoners niet in de openbare ruimte parkeren en borgt dus ook niet dat het college hiertegen handhavend kan optreden. De noodzakelijke publiekrechtelijke borging is dus niet verzekerd.
Het betoog slaagt niet.
12.3. Daarnaast ziet de Afdeling met de rechtbank aanleiding voor het oordeel dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt waarom een parkeernorm van 0,6 parkeerplaatsen per appartement voor beschermd wonen bij een zorginstelling kan worden gehanteerd. De Afdeling stelt vast dat zowel in de motivering van het besluit van 1 oktober 2021 als het besluit van 6 juli 2022 staat dat een parkeernorm van 0,6 parkeerplaatsen per appartement wordt gehanteerd. De Afdeling kan zich daarom vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 8.5 en 11.3 van de uitspraak van de rechtbank opgenomen overwegingen. Ook ziet de Afdeling met de rechtbank dat het college in de besluiten van 1 oktober 2021 en 6 juli 2022 niet inzichtelijk heeft gemaakt wat de parkeerbehoefte is van een (wijk)restaurant dat voor een grotere groep personen dan de toekomstige bewoners van de voorziene bebouwing toegankelijk is.
De betogen slagen niet.
Bezonning
13. Het college voert kort samengevat aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college niet zou hebben voldaan aan de op hem rustende vergewisplicht ten aanzien van de aan het besluit ten grondslag liggende bezonningsstudie. Het college stelt dat hij voor het eerst vlak vóór de zitting bij de rechtbank op 8 juni 2022 de beschikking had over de contra-expertise over het aspect bezonning en niet eerder kon reageren. Verder wijst het college erop dat de contra-expertise de bezonningsstudie bevestigt.
Daarnaast voert het college kort samengevat aan dat de rechtbank ten onrechte struikelt over de discussie of wordt voldaan aan de TNO-norm.
Het college wijst erop dat het wel of niet voldoen aan de TNO-norm niet ten grondslag ligt aan het besluit. Het college stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van onaanvaardbare schaduwhinder, waarbij het college hoogstens "mede in aanmerking" heeft genomen dat aan de TNO-norm wordt voldaan.
13.1. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college niet heeft voldaan aan de op hem rustende vergewisplicht als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb. In een door één van de appellanten overgelegd deskundigenrapport van 20 mei 2022 over bezonning (hierna: de contra-expertise bezonning) is twijfel opgeworpen of wordt voldaan aan de strenge TNO-norm voor wat betreft bezonning en schaduwhinder. Het had volgens de rechtbank op de weg van het college gelegen om in het kader van de op hem rustende vergewisplicht de contra-expertise bezonning aan de door vergunninghouder geraadpleegde deskundige ter beoordeling voor te leggen. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat het college niet heeft voldaan aan de op hem rustende vergewisplicht en dat het bestreden besluit om die reden op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.
13.2. Nog los van de vraag of er sprake is van strijd met de vergewisplicht als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb in de situatie dat er na het nemen van een besluit een contra-expertise wordt overgelegd waar het college mogelijk rekening mee had moeten houden, overweegt de Afdeling het volgende. De Afdeling stelt vast dat de rechtbank de zaak op de zitting van 8 juni 2022 heeft behandeld. De contra-expertise bezonning dateert van 20 mei 2022. De Afdeling stelt vast dat de contra-expertise bezonning zo’n 2,5 week vóór de zitting bij de rechtbank is overgelegd. Gelet op de aard en omvang van de contra-expertise bezonning en het late moment waarop de contra-expertise bezonning is overgelegd, is de Afdeling anders dan de rechtbank van oordeel dat het college zijn vergewisplicht in dit geval niet heeft geschonden.
De Afdeling is verder van oordeel dat het college zich op basis van de aan het besluit ten grondslag liggende bezonningsstudie op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan niet leidt tot onaanvaardbare gevolgen voor de bezonning.
Het betoog slaagt.
Conclusie hoger beroep
14. Gelet op wat is overwogen onder 13.2 heeft de rechtbank de besluiten van 1 oktober 2021 en 6 juli 2022 terecht vernietigd omdat zij onzorgvuldig zijn voorbereid en op een ondeugdelijke motivering berusten. Het hoger beroep is daarom ongegrond.
Gelet op wat is overwogen onder 11.3 en 13.2 dient de uitspraak van de rechtbank te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.
15. Zoals hiervoor is overwogen is de rechtbank terecht onder 8.5 en 11.3 van haar uitspraak tot het oordeel gekomen dat aan de besluiten van 1 oktober 2021 en 6 juli 2022 een zorgvuldigheids- en een motiveringsgebrek kleeft voor wat betreft het aspect parkeren. Gelet hierop moest het college ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank een nieuw besluit nemen, namelijk het besluit van 15 juli 2024. [wederpartij D], [wederpartij A], [appellant A], [appellant B] en [appellant C], [appellant D] en [appellant E] hebben beroep ingesteld tegen dat nieuwe besluit. De Afdeling zal bij de beoordeling van dat nieuwe besluit van 15 juli 2024 gelet op het vorenstaande alleen de beroepsgronden bespreken die zien op het aspect parkeren. Alles wat verder is aangevoerd blijft buiten beschouwing.
Beroepen tegen het besluit van 15 juli 2024
16. Het college heeft op 15 juli 2024 ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank een nieuw besluit genomen. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.
17. In het besluit van 15 juli 2024 heeft het college opnieuw een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een appartementencomplex voor minder mobiele senioren, voorzien van een parkeerkelder, een (wijk)restaurant en (zorg)voorzieningen op het perceel.
18. [wederpartij A], [wederpartijen B], [wederpartij C] en anderen en [wederpartij D] hebben op grond van artikel 6:19 van de Awb een beroep van rechtswege tegen het besluit van 15 juli 2024. De door [wederpartij D] en [wederpartij A] ingediende beroepschriften van 12 augustus 2024 en 23 augustus 2024 worden aangemerkt als gronden van het beroep van rechtswege tegen het besluit van 15 juli 2024. De Afdeling stelt vast dat [wederpartijen B] en [wederpartij C] en anderen geen gronden hebben ingediend.
Daarnaast hebben [appellant A], [appellant B] en [appellant C], [appellant D] en [appellant E] beroep ingesteld tegen het besluit van 15 juli 2024.
Beroepen van [appellant A], [appellant B] en [appellant C], [appellant D] en [appellant E]
Ontvankelijkheid
19. De Afdeling stelt vast dat het college afdeling 3.4 van de Awb opnieuw heeft toegepast bij de voorbereiding op het besluit van 15 juli 2024.
De Afdeling stelt vervolgens vast dat gebleken is dat [appellant A], [appellant B] en [appellant C], [appellant D] en [appellant E] geen zienswijze met betrekking tot het besluit van 15 juli 2024 hebben ingediend, waarmee hun beroep op voorhand ontvankelijk zou zijn. De Afdeling ziet zich daarom gesteld voor de vraag of [appellant A], [appellant B] en [appellant C], [appellant D] en [appellant E] belanghebbenden zijn en hun beroepen daarmee ontvankelijk zijn.
19.1. Ingevolge artikel 6:13 van de Awb kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij of zij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld. In de uitspraken van de Afdeling van 14 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:786, en 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:953, is de Afdeling ingegaan op de gevolgen van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021, Stichting Varkens in Nood, ECLI:EU:C:2021:7, over de toepassing van artikel 6:13 Awb. Uit die uitspraken blijkt dat in zaken waarin de wetgever een ieder de mogelijkheid heeft gegeven om zienswijzen naar voren te brengen allen die zienswijzen naar voren hebben gebracht over het ontwerpbesluit, toegang hebben tot de rechter, ook al zijn zij geen belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Indien geen gebruik is gemaakt van de gelegenheid om zienswijzen in te dienen, bestaat alleen recht op toegang tot de rechter indien betrokkene belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.
19.2. In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, staat dat onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit - zoals een bestemmingsplan of een vergunning - toestaat, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium "gevolgen van enige betekenis" van de activiteit dient als correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft een betrokkene geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van een betrokkene zijn, wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.
19.3. De Afdeling stelt vast dat [appellant A], [appellant B] en [appellant C], [appellant D] en [appellant E] allen op ongeveer 400 m afstand van het bouwplan wonen. De Afdeling acht gelet op deze afstand in combinatie met de omstandigheid dat het bouwplan in een andere woonwijk ligt, niet aannemelijk dat de voorziene ontwikkeling gevolgen van enige betekenis heeft voor het woon- en leefklimaat van [appellant A], [appellant B] en [appellant C], [appellant D] en [appellant E]. Zij hebben dit ook niet nader toegelicht. De Afdeling is daarom van oordeel dat zij geen gevolgen van enige betekenis ondervinden van de voorziene ontwikkeling. Dat betekent dat [appellant A], [appellant B] en [appellant C], [appellant D] en [appellant E] geen belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit van 15 juli 2024. Gelet hierop zijn de beroepen van [appellant A], [appellant B] en [appellant C], [appellant D] en [appellant E] niet-ontvankelijk en zal de Afdeling daarom hun beroepsgronden niet bespreken.
Beroepen van [wederpartijen B] en [wederpartij C] en anderen
19.4. Zoals onder 18 is overwogen hebben [wederpartijen B] en [wederpartij C] en anderen geen gronden ingediend tegen het besluit van 15 juli 2024. Dat betekent dat hun beroepen van rechtswege tegen het besluit van 15 juli 2024 ongegrond zijn.
Beroepen van [wederpartij D] en [wederpartij A]
20. Gelet op wat is overwogen onder 11.3 en 13.2 gaat de Afdeling niet meer in op de beroepsgronden die zien op de verklaring van geen bedenkingen en over het aspect bezonning. De Afdeling zal nog wel ingaan op de beroepsgronden voor zover die zien op het aspect parkeren.
Parkeren
21. [wederpartij D] en [wederpartij A] voeren met betrekking tot het aspect parkeren aan dat dat het college het aantal benodigde parkeerplaatsen aantoonbaar en bewust te laag inschat. Volgens hen moet uit worden gegaan van 1,3 parkeerplaatsen per appartement, waardoor de parkeerbehoefte uitkomt op 179 parkeerplaatsen. In dat kader wijzen zij er op dat senioren bovengemiddeld veel auto’s bezitten en mensen vaak meer dan één auto hebben. Ook is de locatie van de voorziene ontwikkeling een locatie die zich bij uitstek leent voor het bezitten van een auto vanwege de ligging aan de rand van de stad met goede uitvalswegen. Verder is geen rekening gehouden met de parkeerbehoefte van bezoekers en (mantel)zorgers.
[wederpartij D] en [wederpartij A] betogen ook dat de parkeerdruk in de omgeving van de voorziene ontwikkeling in de praktijk hoger zal zijn dan 85%. Zij wijzen op twee rapporten; het parkeeronderzoek De Wijert-Zuid van 22 september 2023 (bijlage 2) en het rapport Parkeerdruk openbare ruimte zomer 2023 (bijlage 3). Daarnaast wijzen [wederpartij D] en [wederpartij A] erop dat het college op grond van de uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2314, helderheid dient te verschaffen over het aantal door de omgevingsvergunninghouder te realiseren parkeerplaatsen op het moment dat de aanvullende voorwaarde wordt geactiveerd. Volgens [wederpartij D] en [wederpartij A] volgt uit de genoemde uitspraak van de Afdeling niet dat het voor de Afdeling acceptabel is dat het aantal benodigde parkeerplekken op voorhand veel te laag wordt ingeschat, waardoor het evident is dat de aanvullende voorwaarde binnen de kortste keren zal worden geactiveerd.
Verder voeren [wederpartij D] en [wederpartij A] aan dat het parkeervergunningstelsel niet te handhaven is door het college. Onduidelijk blijft hoe het college de maatregelen uit het parkeerplan, waaronder het verbod op het parkeren van een auto in de openbare ruimte door de bewoners van de 138 appartementen in de praktijk gaat handhaven zolang niet overal betaald parkeren op straat is ingevoerd, dus niet alleen in het noordelijke deel van de wijk De Wijert, maar ook in het zuidelijke deel van de wijk.
In dat verband wijzen zij er ook op dat niet duidelijk is of de voorziene bebouwing in de toekomst enkel bewoond zal worden door huurders. Kopende bewoners zijn volgens hem niet uit te sluiten en deze kopers zullen niet gebonden zijn aan bepalingen over parkeren die zijn opgenomen in een huurovereenkomst, aldus [wederpartij D] en [wederpartij A].
[wederpartij D] en [wederpartij A] hebben twee alternatieve parkeerbalansen overgelegd. Zij concluderen dat op basis van de daarin opgenomen alternatieve scenario's het tekort aan parkeerplaatsen op eigen terrein al op voorhand wezenlijk is en dat dit tekort niet in de openbare ruimte is op te vangen.
21.1. In het besluit van 15 juli 2024 zijn de volgende voorschriften met betrekking tot het aspect parkeren opgenomen:
"- U dient zich te houden aan de maatregelen die zijn opgenomen in het parkeerplan dat onderdeel uitmaakt van deze vergunning, waaronder ook dat de daarin beschreven bepalingen worden opgenomen in alle huurovereenkomsten met degenen die de appartementen huren zonder parkeerplaats.
- Indien uit een representatief parkeeronderzoek (ten minste drie steekproeven met een maandelijks interval op verschillende dagen en uren) volgt dat de bezetting in de openbare ruimte op loopafstand van het bouwplan (150 meter) in een periode van drie aaneengesloten maanden op enig moment (werkdagmorgen, werkdagmiddag, werkdagavond, werkdagnacht, zaterdagmiddag, zaterdagavond of zondagmiddag) gemiddeld meer dan 85% is, zal Stichting Querido op eerste verzoek daartoe van het college van burgemeester en wethouders meewerken aan het realiseren van extra parkeerplaatsen op eigen terrein om in het tekort van het aantal parkeerplaatsen in de openbare ruimte te voorzien. Stichting Querido dient de uitbreiding binnen 3 maanden na dat verzoek te realiseren, danwel nadat de benodigde omgevingsvergunning hiervoor onherroepelijk is geworden.
De (gezamenlijke) omwonenden kunnen éénmaal per jaar aan de gemeente verzoeken om het representatief parkeeronderzoek op te starten als zij van mening zijn dat de bezetting in de openbare ruimte in de directe omgeving van het bouwplan op enig moment (werkdagmorgen, werkdagmiddag, werkdagavond, werkdagnacht, zaterdagmiddag, zaterdagavond of zondagmiddag) — als gevolg van dit bouwplan - gemiddeld meer is dan 85%. Vervolgens zal de gemeente ten minste drie steekproeven uitvoeren met een maandelijks interval op verschillende dagen en uren."
- Parkeernorm
21.2. De Afdeling stelt voorop dat, anders dan waarvan [wederpartij D] en [wederpartij A] lijken uit te gaan, in de parkeerbalans behorende bij de omgevingsvergunning van 15 juli 2024 niet meer is gerekend met een parkeernorm van 0,6 parkeerplekken per woning. Dit vanwege een discussie of afdoende geborgd kon worden dat ook daadwerkelijk alleen de doelgroep van minder mobiele senioren als toekomstige bewoners aanmerking zou worden gebracht voor de voorziene appartementen. Het college heeft desgevraagd op de zitting nader toegelicht dat hij anders dan aanvankelijk het geval was bij het bepalen van de parkeerbehoefte ervan is uitgegaan dat de voorziene appartementen voor elke doelgroep beschikbaar zullen zijn, dus niet specifiek voor (minder mobiele) senioren.
Het gemeentelijk parkeerbeleid kent maar een beperkt aantal concrete doelgroepen met daaraan gekoppelde specifieke normen. De voorziene ontwikkeling valt niet exact onder één van deze specifieke doelgroepen en vraagt volgens het college daarom om een projectspecifieke benadering. Voor de vraag of de parkeersituatie ruimtelijk aanvaardbaar is heeft het college de parkeerbehoefte van de voorziene ontwikkeling niet berekend aan de hand van enige norm uit het gemeentelijk parkeerbeleid, maar op basis van de gegevens over de werkelijk te verwachten concrete parkeerbehoefte. Daarbij heeft het college uiteengezet en op zitting nader toegelicht dat is uitgegaan van de oppervlakte van de voorziene woningen en vervolgens is gekeken naar de parkeerbehoefte op grond van de CROW. Op de zitting heeft Stichting Querido Groningen nader toegelicht dat de voorziene ontwikkeling voor een deel bestaat uit vervangende nieuwbouw voor mensen uit de nabijgelegen Vondelflat, die weinig voorzieningen hebben rondom hun woning. Met dit aspect heeft het college ook rekening gehouden zo volgt uit het hoger beroepschrift van het college.
21.3. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat het college voldoende heeft onderbouwd hoe hij de parkeerbehoefte heeft bepaald.
- Aantal parkeerplaatsen
21.4. Uit het parkeerplan dat via de voorschriften van het besluit van 15 juli 2024 deel uitmaakt van de omgevingsvergunning volgt dat maximaal de helft van de te realiseren woningen, te weten 69 woningen, aanspraak kan maken op een bewonersparkeerplaats. Voor de andere helft van de te realiseren woningen wordt het gebruik van een bewonersparkeerplaats contractueel uitgesloten en wordt ook afgesproken dat de bewoners geen auto mogen parkeren in of bij het voorziene gebouw. Het parkeerplan voorziet voorts in de beschikbaarheid van 4 deelauto's voor bewoners. Dat betekent dat de totale parkeerbehoefte voor de woonfunctie is beperkt tot 73 auto's. In de overwegingen van het besluit van 15 juli 2024 staat een aantal van 115 parkeerplaatsen genoemd. In het parkeerplan behorende bij de voorschriften van het besluit staat dat er 105 parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden. Stichting Querido Groningen heeft schriftelijk aan het college toegezegd dat zij in afwijking van de aanvraag 10 parkeerplekken meer zal realiseren waardoor het totaal aantal parkeerplaatsen 115 bedraagt. De Afdeling stelt vast dat er sprake is van een tegenstrijdigheid tussen wat in de overwegingen van de omgevingsvergunning en in het parkeerplan staat. Het college heeft op de zitting gesteld dat hij voor de aanvaardbaarheid van de parkeerbehoefte uit is gegaan van 115 parkeerplaatsen. Omdat de 115 parkeerplaatsen niet zijn geborgd in het parkeerplan, is er sprake van een gebrek.
Het betoog slaagt in zoverre. De Afdeling zal hierna bezien of er aanleiding bestaat om het parkeerplan hierop zelf voorzienend aan te passen.
21.5. In de parkeerbalans staat dat de parkeerbehoefte op de werkdagavond het hoogst is, namelijk 111 parkeerplaatsen, gevolgd door de zaterdagavond, te weten 108 parkeerplaatsen. Met de aanleg van 115 parkeerplaatsen in de parkeerkelder is er ook voor deze piekmomenten voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein aanwezig. Er hoeft geen gebruik te worden gemaakt van parkeergelegenheid in de openbare ruimte. De parkeerdruk in de openbare ruimte neemt als gevolg van dit bouwplan niet toe, zo staat in de parkeerbalans.
21.6. In het parkeerplan staat dat er 32 parkeerplaatsen beschikbaar zijn voor de functies op de begane grond en bezoekers. In zijn schriftelijke uiteenzetting stelt het college dat het parkeren voor bezoekers van het appartementencomplex in beginsel zal zijn voorzien op de parkeerplaatsen die voor de overige functies beschikbaar zijn. Op de zitting heeft het college toegelicht dat hij bij de berekeningen voor het aantal parkeerplaatsen voor de overige functies uit is gegaan van de omstandigheid dat het openbare functies zijn en het niet gaat om functies behorende bij het appartementencomplex. Omdat de Beleidsregels parkeren 2021 geen kengetallen kennen voor alleen bezoekersparkeren bij wonen, hanteert het college de beschikbare CROW-gegevens. Daarin is het parkeerkerncijfer voor bezoekers voor de woonfunctie, in de schil rond het centrum, bepaald op 0,1 per woning. Dit betekent dat het geheel van de parkeerbehoefte voor bezoekersparkeren van alle 138 appartementen 13,8 parkeerplaatsen betreft. Afgaande op de parkeerbalans is vrijwel steeds meer dan voldoende ruimte om te voorzien in het geheel van die 13,8 parkeerplaatsen. Dit met uitzondering van de werkdagavond waarin een parkeerbehoefte is berekend van afgerond 111 en op zaterdagavond van afgerond 108. Op een werkdagavond geldt een aanwezigheidspercentage voor bezoekersparkeren van 75%. Dit betekent dat op dat moment 10,35 plaatsen voor bezoekersparkeren kunnen worden verwacht. Van de 115 beschikbare parkeerplaatsen op eigen terrein zijn dan evenwel al 111 bezet, zodat er nog een tekort van, afgerond, 7 parkeerplaatsen dreigt.
Het college is evenwel van oordeel dat het in werkelijkheid niet aannemelijk is dat op dat moment ook daadwerkelijk een tekort aan parkeerplaatsen zal ontstaan. Het college wijst in dat verband in de eerste plaats op het gegeven dat de parkeerbehoefte voor wonen onder deze omstandigheden worstcase is benaderd. Het is immers niet de reële verwachting dat alle 69 appartementen die een parkeerplaats kunnen hebben ook daadwerkelijk een auto zullen hebben. Afgaande op de parkeerkencijfers 2024 van de CROW is de te verwachten bandbreedte van de parkeerbehoefte van huurappartementen in de vrije sector in een matig tot sterk stedelijke omgeving in belangrijke mate onder de 1 gelegen. Dat betekent dat naar verwachting een in aanmerking te nemen deel van de appartementen die dat op zichzelf mogen, geen gebruik zal willen maken van de mogelijkheid van een parkeerplaats.
21.7. Gelet op het vorenstaande mocht het college, uitgaande van het realiseren van 115 parkeerplaatsen, ervan uitgaan dat het beschikbare aantal parkeerplaatsen voldoende is. Omdat het totaal aantal parkeerplaatsen van 115 niet is geborgd in het parkeerplan, maar dit wel de bedoeling van het college is geweest, ziet de Afdeling in het kader van finale geschilbeslechting aanleiding het parkeerplan zelf voorziend hierop aanpassen. Onder 25 wordt dit nader uitgewerkt. Niet aannemelijk is dat belanghebbenden hierdoor in hun belangen worden geschaad.
- Parkeervoorschriften
21.8. De naleving van het parkeerplan is volgens het college onder andere geborgd met de twee parkeervoorschriften uit de omgevingsvergunning.
Voor zover appellanten eraan twijfelen of koopcontracten ook zijn meegenomen in het parkeerplan, staat in het besluit van 15 juli 2024 als voorwaarde dat moet worden voldaan aan de maatregelen die zijn opgenomen in het parkeerplan. In het parkeerplan staat vervolgens dat de helft van de appartementen een parkeerplek zal krijgen en dat deze parkeerplekken door middel van een huur- en/of koopovereenkomst zullen worden vrijgegeven.
Op de zitting heeft het college nader toegelicht dat het tweede voorschrift over het parkeeronderzoek in het tweede herstelbesluit, zoals weergegeven onder 21.1, bij wijze van stok achter de deur, is opgenomen. Voor de zekerheid is dit voorschrift opgenomen, maar eigenlijk is het voorschrift niet nodig, omdat uit een parkeeronderzoek bleek dat de parkeerdruk in de omgeving al lager was, duidelijk werd dat de voorziene ontwikkeling op eigen terrein de parkeerbehoefte kon opvangen en inmiddels betaald parkeren op straat in de gehele wijk inmiddels is ingevoerd, aldus het college. Met betrekking tot dit tweede voorschrift stelt het college vervolgens in zijn schriftelijke uiteenzetting dat het mogelijk is om het aantal parkeerplekken op het perceel uit te breiden tot 211 parkeerplekken. Op de zitting is gebleken dat dit niet onuitvoerbaar is. Zo kan in een carparksysteem worden voorzien waardoor een verdubbeling van de parkeerplaatsen kan plaatsvinden op die parkeerplaatsen die daarvoor bouwkundig geschikt worden gemaakt. Ook kan het parkeerdek bovenop de parkeerkelder worden verruimd met extra parkeerplekken. Op de zitting heeft Stichting Querido Groningen bevestigd hier rekening mee te houden.
21.9. Verder heeft het college op de zitting desgevraagd toegelicht dat de toegang tot de parkeerkelder voor zowel de toekomstige bewoners als bezoekers wordt gereguleerd met een parkeerbeheersysteem op basis van kenteken. Uit de schriftelijke uiteenzetting van het college blijkt verder dat er in zowel in de wijk Wijert-Zuid rondom het plangebied als de wijk Wijert-Noord, waar appellanten wonen, ten tijde van het besluit van 15 juli 2024 al betaald parkeren gold. Uit het verhandelde op de zitting is gebleken dat er doordeweeks tot 19:00 uur alleen betaald of met een parkeervergunning in deze wijk geparkeerd kan worden. In dit kader heeft het college op de zitting nader toegelicht dat de toekomstige bewoners van de voorziene woningen niet in aanmerking komen voor een parkeervergunning voor parkeren op straat. De betreffende adressen worden namelijk uitgesloten van de mogelijkheid een parkeervergunning aan te vragen.
21.10. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college in de omgevingsvergunning voorschriften heeft opgenomen ten aanzien van het aspect parkeren die niet handhaafbaar zijn.
- Eindconclusie parkeren
21.11. Rekening houdend met het gebrek zoals vastgesteld onder 21.4 en de omstandigheid dat dit zelf voorziend zal worden aangepast, ziet de Afdeling verder in wat [wederpartij D] en [wederpartij A] hebben aangevoerd, geen aanleiding voor het oordeel dat het college de parkeerbehoefte van de voorziene ontwikkeling onvoldoende heeft onderbouwd. Er is daarbij ook voldoende rekening gehouden met bezoekers. De Afdeling is van oordeel dat voldoende is onderbouwd dat de parkeerbehoefte zal worden opgelost op eigen terrein. De door [wederpartij D] en [wederpartij A] overgelegde alternatieve parkeerbalansen maken dit niet anders, omdat hierin de werking van het parkeerplan wordt miskend, onder meer door de parkeerbehoefte toe te rekenen aan appartementen die geen parkeerplaats kunnen hebben en door uit te gaan van een parkeerbehoefte van groter dan één voor de appartementen die maximaal één parkeerplaats mogen hebben.
Gelet op het vorenstaande heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat de ontwikkeling niet zal leiden tot onaanvaardbare parkeeroverlast. De Afdeling ziet ook geen grond voor het oordeel dat het college in de omgevingsvergunning voorschriften heeft opgenomen ten aanzien van het aspect parkeren die niet handhaafbaar zijn.
Het betoog slaagt niet in zoverre.
21.12. Gelet op het voorgaande en omdat het parkeren op eigen terrein zal worden opgelost, gaat de Afdeling niet meer in op de beroepsgronden over parkeerdruk in de omgeving van het plangebied.
21.13. Gelet op wat is overwogen onder 21.4, zijn de beroepen gegrond.
Eindoordeel
22. Het hoger beroep van het college is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, met verbetering van de gronden waarop deze rust.
23. De beroepen van rechtswege van [wederpartij D] en [wederpartij A] tegen het besluit van 15 juli 2024 zijn gegrond. Dit besluit moet worden vernietigd voor zover daarbij aan de omgevingsvergunning het volgende voorschrift is verbonden: "U dient zich te houden aan de maatregelen die zijn opgenomen in het parkeerplan dat onderdeel uitmaakt van deze vergunning, waaronder ook dat de daarin beschreven bepalingen worden opgenomen in alle huurovereenkomsten met degenen die de appartementen huren zonder parkeerplaats."
24. De beroepen van rechtswege van [wederpartijen B] en [wederpartij C] en anderen tegen het besluit van 15 juli 2024 zijn ongegrond. De beroepen van [appellant A], [appellant B] en [appellant C], [appellant D] en [appellant E] tegen dit besluit zijn niet-ontvankelijk.
Zelf voorziend
25. Gelet op wat hiervoor onder 21.4 is overwogen, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb op de hierna te melden wijze zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 15 juli 2024. De Afdeling zal het voorschrift aanpassen in die zin dat niet 105 parkeerplaatsen maar 115 parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd, zoals is overwogen in 21.4.
Proceskosten en griffierecht
26. Het college dient de proceskosten van [wederpartij A] te vergoeden. Het college hoeft geen proceskosten van [wederpartij D], [wederpartijen B], [wederpartij C] en anderen, [appellant A], [appellant B] en [appellant C], [appellant D] en [appellant E] te vergoeden.
27. Ingevolge artikel 8:109, tweede lid, van de Awb moet van het college griffierecht worden geheven.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. verklaart de beroepen van [wederpartij D] en [wederpartij A] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Groningen van 15 juli 2024 gegrond;
III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Groningen van 15 juli 2024, voor zover daarbij aan de omgevingsvergunning het volgende voorschrift is verbonden: "U dient zich te houden aan de maatregelen die zijn opgenomen in het parkeerplan dat onderdeel uitmaakt van deze vergunning, waaronder ook dat de daarin beschreven bepalingen worden opgenomen in alle huurovereenkomsten met degenen die de appartementen huren zonder parkeerplaats."
IV. bepaalt dat het onder III vernietigde voorschrift als volgt komt te luiden:
"U dient de maatregelen die zijn opgenomen in het parkeerplan dat onderdeel uitmaakt van deze vergunning, uit te (doen) voeren waaronder ook dat de daarvoor in aanmerking komende bepalingen worden opgenomen in alle huurovereenkomsten met degenen die een appartement huren zonder parkeerplaats, en waarbij er niet slechts 105 parkeerplaatsen maar 115 parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd.";
V. verklaart de beroepen van [wederpartijen B] en [wederpartij C] en anderen tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Groningen van 15 juli 2024 ongegrond;
VI. verklaart de beroepen van [appellant A], [appellant B] en [appellant C], [appellant D] en [appellant E] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Groningen van 15 juli 2024 niet-ontvankelijk;
VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Groningen tot vergoeding van bij [wederpartij A] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 73,01;
VIII. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Groningen een griffierecht van € 548,00 wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. N.H. van den Biggelaar en mr. M.M. Kaajan, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.M.W. van Ewijk, griffier.
w.g. Hoekstra
voorzitter
w.g. Van Ewijk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026
867