202204708/2/A2.
Datum uitspraak: 25 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op een verzoek om schadevergoeding van:
[verzoeker A], [verzoeker B], [verzoeker C], [verzoeker D], [verzoeker E], [verzoeker F], [verzoeker G], [verzoeker H], [verzoeker I], [verzoeker J], [verzoeker K], [verzoeker L], [verzoeker M] en [verzoeker N], allen wonend in Amsterdam, (de exploitanten)
verzoekers.
Procesverloop
De exploitanten hebben verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in de hogerberoepsprocedure met zaaknummer 202204708/1/A2.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 3 december 2025, waar [verzoeker B] en [verzoeker E], bijgestaan door mr. P.A. Willemsen, advocaat in Gorinchem, vertegenwoordiger van de overige exploitanten, vergezeld door dr. M. Bruinsma en M. Lépinasse, en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, vertegenwoordigd door mr. C. Vos, S. Hamimid en I. Grundeman, zijn verschenen, waarna de Afdeling het onderzoek heeft gesloten.
De Afdeling heeft het onderzoek heropend onder zaaknummer 202204708/2/A2, voor zover het onderzoek gaat over het verzoek om schadevergoeding. Daarbij heeft zij de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; de Staat) aangemerkt als partij en heeft zij de Staat de gelegenheid gegeven om binnen vier weken een reactie te geven op het verzoek om schadevergoeding.
Met toestemming van partijen heeft de Afdeling een nadere zitting achterwege gelaten en het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij veertien afzonderlijke besluiten van verschillende data heeft het college aan ieder van de exploitanten een vergunning verleend voor het exploiteren van een Bed & Breakfast. Bij dertien afzonderlijke besluiten van 22 april 2021 en bij besluit van 29 december 2021 heeft het college beslist op de daartegen gemaakte bezwaren van [verzoeker A], [verzoeker B], [verzoeker C], [verzoeker D], [verzoeker E], [verzoeker F], [verzoeker G], [verzoeker H], [verzoeker I, [verzoeker J, [verzoeker K], [verzoeker L] en [verzoeker M], respectievelijk van [verzoeker N]. Bij uitspraak van 17 juni 2022 heeft de rechtbank de daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Tegen die uitspraak hebben de exploitanten gezamenlijk hoger beroep ingesteld (zaaknummer 202204708/1/A2). Daarbij hebben de exploitanten verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Afdeling heeft bij uitspraak van 11 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1389, het hoger beroep van de exploitanten ongegrond verklaard. In deze uitspraak beslist de Afdeling op het bovengenoemde verzoek om schadevergoeding.
Redelijke termijn
2. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan.
3. De exploitanten hebben in hun verzoekschrift verschillende data naar voren gebracht voor het begin van de termijn in ieder van hun procedures. Op de zitting van de Afdeling hebben de exploitanten ermee ingestemd dat voor het bepalen van dat begin wordt uitgegaan van de data waarop de bezwaarschriften zijn ontvangen volgens de desbetreffende besluiten op bezwaar.
4. De procedures waarvoor de exploitanten schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn hebben verzocht zijn geëindigd met de uitspraak van de Afdeling van 11 maart 2026 op hun hoger beroep. De Afdeling stelt vast dat totale procedure langer dan vier haar heeft geduurd, waarbij de procedure bij de rechtbank binnen anderhalf jaar was afgerond. De procedure bij de Afdeling heeft in totaal drie jaar en ruim zeven maanden geduurd. De overschrijding bij de Afdeling is dus ongeveer negentien maanden. De bezwaarprocedures variëren in lengte.
5. Niet gebleken is van bijzondere omstandigheden die een kortere of langere behandelingsduur van de procedures rechtvaardigen dan de hiervoor genoemde vier jaar. Op de zitting van de Afdeling heeft het college te kennen gegeven niet bekend te zijn met bijzondere omstandigheden die maken dat de redelijke termijn voor de behandeling van de bezwaren langer is dan een half jaar. Na de zitting heeft de Afdeling, bij brief van 22 januari 2026, de Staat in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken op het verzoek van de exploitanten te reageren. De Staat heeft geen gebruikgemaakt van die gelegenheid. Ook overigens is niet gebleken van bijzondere omstandigheden in vorenbedoelde zin.
Overschrijding redelijke termijn
6. Hieronder is weergegeven wat de overschrijding van de redelijke termijn is in de procedure van ieder van de exploitanten en in hoeverre dit aan het college en aan de Afdeling moet worden toegerekend.
6.1. Het college heeft het bezwaarschrift van [verzoeker A] ontvangen op 27 april 2020. De redelijke termijn is in de procedure van [verzoeker A] dus met ruim 22 maanden overschreden. De overschrijding moet voor 6/25e deel aan het college en voor 19/25e deel aan de Afdeling worden toegerekend.
6.2. Het college heeft het bezwaarschrift van [verzoeker B] ontvangen op 20 april 2020. De redelijke termijn is in de procedure van [verzoeker B] dus met ruim 22 maanden overschreden. De overschrijding moet voor 6/25e deel aan het college en voor 19/25e deel aan de Afdeling worden toegerekend.
6.3. Het college heeft het bezwaarschrift van [verzoeker C] ontvangen op 13 mei 2020. De redelijke termijn is in de procedure van [verzoeker C] dus met ruim 21 maanden overschreden. De overschrijding moet voor 5/24e deel aan het college en voor 19/24e deel aan de Afdeling worden toegerekend.
6.4. Het college heeft het bezwaarschrift van [verzoeker D] ontvangen op 6 april 2020. De redelijke termijn is in de procedure van [verzoeker D] dus met ruim 23 maanden overschreden. De overschrijding moet voor 7/26e deel aan het college en voor 19/26e deel aan de Afdeling worden toegerekend.
6.5. Het college heeft het bezwaarschrift van [verzoeker E] ontvangen op 10 juli 2020. De redelijke termijn is in de procedure van [verzoeker E] dus met ruim 20 maanden overschreden. De overschrijding moet voor 3/22e deel aan het college en voor 19/22e deel aan de Afdeling worden toegerekend.
6.6. Het college heeft het bezwaarschrift van [verzoeker F] ontvangen op 8 april 2020. De redelijke termijn is in de procedure van [verzoeker F] dus met ruim 23 maanden overschreden. De overschrijding moet voor 6/25e deel aan het college en voor 19/25e deel aan de Afdeling worden toegerekend.
6.7. Het college heeft het bezwaarschrift van [verzoeker G] ontvangen op 28 juni 2020. De redelijke termijn is in de procedure van [verzoeker G] dus met ruim 20 maanden overschreden. De overschrijding moet voor 4/23e deel aan het college en voor 19/23e deel aan de Afdeling worden toegerekend.
6.8. Het college heeft het bezwaarschrift van [verzoeker H] ontvangen op 9 juli 2020. De redelijke termijn is in de procedure van [verzoeker H] dus met ruim 20 maanden overschreden. De overschrijding moet voor 3/22e deel aan het college en voor 19/22e deel aan de Afdeling worden toegerekend.
6.9. Het college heeft het bezwaarschrift van [verzoeker I ontvangen op 27 april 2020. De redelijke termijn is in de procedure van [verzoeker I dus met ruim 22 maanden overschreden. De overschrijding moet voor 6/25e deel aan het college en voor 19/25e deel aan de Afdeling worden toegerekend.
6.10. Het college heeft het bezwaarschrift van [verzoeker J ontvangen op 24 juni 2020. De redelijke termijn is in de procedure van [verzoeker J dus met ruim 20 maanden overschreden. De overschrijding moet voor 4/23e deel aan het college en voor 19/23e deel aan de Afdeling worden toegerekend.
6.11. Het college heeft het bezwaarschrift van De Jong ontvangen op 6 april 2020]. De redelijke termijn is in de procedure van De Jong dus met ruim 23 maanden overschreden. De overschrijding moet voor 7/26e deel aan het college en voor 19/26e deel aan de Afdeling worden toegerekend.
6.12. Het college heeft het bezwaarschrift van [verzoeker L] ontvangen op 28 april 2020. De redelijke termijn is in de procedure van [verzoeker L] dus met ruim 22 maanden overschreden. De overschrijding moet voor 6/25e deel aan het college en voor 19/25e deel aan de Afdeling worden toegerekend.
6.13. Het college heeft het bezwaarschrift van [verzoeker M] ontvangen op 15 juni 2020. De redelijke termijn is in de procedure van [verzoeker M] dus met ruim 20 maanden overschreden. De overschrijding moet voor 4/23e deel aan het college en voor 19/23e deel aan de Afdeling worden toegerekend.
6.14. Het college heeft het bezwaarschrift van [verzoeker N] ontvangen op 12 augustus 2020. De redelijke termijn is in de procedure van [verzoeker N] dus met ruim 18 maanden overschreden. De overschrijding moet voor 11/30e deel aan het college en voor 19/30e deel aan de Afdeling worden toegerekend.
Schadevergoeding
7. Uitgaande van een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden zou het bedrag van de schadevergoeding voor ieder van de exploitanten € 2.000,00 zijn. De exploitanten hebben een aanzienlijk deel van hun procedures gezamenlijk geprocedeerd. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, geeft dat aanleiding tot matiging in die zin dat het berekende bedrag aan schadevergoeding wordt gedeeld door het aantal appellanten dat gezamenlijk procedeert, met dien verstande dat aan appellanten minimaal 25% van dat bedrag wordt toegekend (zie de uitspraak van 3 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1411). In dit geval zal de Afdeling het bedrag van € 2.000,00 voor ieder van de exploitanten daarom matigen met 75%. Dit acht de Afdeling redelijk vanwege de matigende invloed die het samen procederen in dit geval heeft gehad op de mate van spanning, ongemak en onzekerheid die konden worden ondervonden door de te lang durende procedure. Dat betekent dat ieder van de exploitanten recht heeft op een schadevergoeding ter hoogte van € 500,00.
Slotsom
8. Het verzoek om schadevergoeding wordt toegewezen.
9. Het college en de Staat (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties) moeten de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. wijst het verzoek om schadevergoeding toe;
veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om aan de exploitanten een schadevergoeding van € 1.553,96 te betalen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het college aan zijn verplichting heeft voldaan;
II. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan de exploitanten een schadevergoeding van € 5.446,04 te betalen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de Staat aan zijn verplichting heeft voldaan;
III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam tot vergoeding van bij de exploitanten in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het college aan zijn verplichting heeft voldaan;
IV. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij de exploitanten in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de Staat aan zijn verplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.K. van de Riet, griffier.
w.g. Wissels
voorzitter
w.g. Van de Riet
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026
994