202502141/1/A2.
Datum uitspraak: 1 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellante], kantoorhoudend in [plaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 26 februari 2025 in zaak nr. 24/391 in het geding tussen:
[appellante]
en
het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (de raad).
Procesverloop
Bij besluit van 24 oktober 2023 heeft de raad de vergoeding voor de door [appellante] verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.163,54.
Bij besluit van 6 december 2023 heeft de raad het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 26 februari 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht op een zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] heeft als advocaat rechtsbijstand verleend in een asielzaak op basis van een toevoeging met nummer 1JW5491.
Bij besluit van 24 oktober 2023 heeft de raad aan [appellante] een vergoeding toegekend voor de door haar verrichte werkzaamheden in de algemene asielprocedure. De raad heeft aan [appellante] geen toeslag verlengde asielprocedure (VA-toeslag) toegekend.
2. De raad heeft zijn besluit om geen VA-toeslag toe te kennen, gebaseerd op artikel 5a, tweede lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (Bvr), zoals dat geldt vanaf 1 september 2022. Op grond van dit artikel wordt een aanvullende vergoeding van 2,5 punten toegekend, als de verlengde asielprocedure wordt gevolgd. Volgens de in dat geval van toepassing zijnde werkinstructie van de raad dient de advocaat, voor zover hier van belang, bij de declaratie een VA-brief van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) mee te sturen om in aanmerking te komen voor die toeslag. De raad heeft geconcludeerd dat uit het door [appellante] overgelegde asielbesluit van de IND van 11 juli 2023 niet is gebleken van een situatie zoals vermeld in artikel 5a, tweede lid, van het Bvr. Ook heeft [appellante] geen VA-brief overgelegd. De raad is [appellante] niet gevolgd in haar niet nader onderbouwde stelling dat de besluitvorming in strijd is met het verbod op willekeur. In een groot aantal andere en gelijke gevallen is ook geen VA-toeslag aan [appellante] toegekend.
Uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de bepalingen uit het Bvr van toepassing zijn zoals die gelden vanaf 1 september 2022. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de raad [appellante] terecht niet in aanmerking gebracht voor een VA-toeslag, omdat zij niet voldoet aan de gestelde voorwaarden om daarop aanspraak te maken. Gesteld noch gebleken is dat een van de in artikel 5a, tweede lid, van het Bvr vermelde situaties heeft plaatsgevonden. Het asielbesluit van de IND van 11 juli 2023 geeft daarvoor geen aanknopingspunten. Ook heeft [appellante] geen VA-brief overgelegd.
Hoger beroep
4. [appellante] betoogt - samengevat - dat de rechtbank ten onrechte tot dit oordeel is gekomen. Volgens [appellante] is het Bvr van toepassing zoals dat gold voor vóór 1 september 2022. De raad heeft haar ten onrechte geen VA-toeslag toegekend.
4.1. Bij de beoordeling of [appellante] in aanmerking komt voor een VA-toeslag wordt niet alleen getoetst aan de voorwaarden in artikel 5a van het Bvr, maar ook aan het in de werkinstructie van de raad opgenomen beleid. Zowel in de werkinstructie zoals die gold vóór als na de wijziging van het Bvr per 1 september 2022 is het vereiste opgenomen dat de rechtsbijstandverlener een VA-brief moet overleggen om in aanmerking te kunnen komen voor een VA-toeslag. [appellante] heeft deze brief niet overgelegd. Ook uit het asielbesluit van de IND blijkt niet dat de verlengde asielprocedure is gevolgd. Al om die reden heeft de raad [appellante] terecht geen VA-toeslag toegekend. Wat zij verder heeft aangevoerd over het overgangsrecht van het Bvr, de voorkeursmachtigingen en het standpunt van de raad hierover op de zitting bij de rechtbank, behoeft daarom geen bespreking.
Het betoog slaagt niet.
5. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte voorbijgegaan is aan haar beroep op het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur. Zij noemt een aantal nummers van toevoegingen in zaken die volgens haar vergelijkbaar zijn.
5.1. De raad heeft in het verweerschrift in beroep aangegeven dat in de door [appellante] genoemde zaken ook geen VA-toeslag is verleend. [appellante] heeft dit zowel in beroep als in hoger beroep niet weersproken. Zij heeft ook in hoger beroep geen gelijke gevallen genoemd waarin de raad wel een VA-toeslag heeft toegekend. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het verbod op willekeur slaagt daarom niet. Weliswaar heeft [appellante] terecht aangevoerd dat de rechtbank deze beroepsgrond onbesproken heeft gelaten, maar dit leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank omdat deze beroepsgrond niet slaagt.
Het betoog slaagt niet.
6. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
7. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Jansen, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Jansen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026
609