202303220/1/R3.
Datum uitspraak: 1 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. [appellant sub 1], wonend in Haren, gemeente Groningen,
2. [appellant sub 2], wonend in Haren, gemeente Groningen,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank NoordNederland van 13 april 2023 in zaken nrs. 21/2044 en 22/1347 in het geding tussen:
[appellant sub 1]
en
het college van burgemeester en wethouders van Groningen.
Procesverloop
Vaarverbinding en pad
Bij besluit van 26 november 2020 heeft het college aan [appellant sub 2] een omgevingsvergunning verleend voor het aanleggen van een vaarverbinding en pad naar de woonhuizen [locatie 1]-[locatie 2] te Haren (Gn) en voor het kappen van veertien bomen.
Bij besluit van 19 mei 2021 heeft het college het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, de omgevingsvergunning voor het aanleggen van de vaarverbinding en het pad onder aanpassing van de motivering en wijziging van een voorschrift in stand gelaten en de omgevingsvergunning voor het kappen van veertien bomen herroepen.
Ophaalbrug
Bij besluit 21 juli 2021 heeft het college aan [appellant sub 2] een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een ophaalbrug op het perceel kadastraal bekend N, perceel nr. 1031 te Haren (Gn).
Bij besluit van 7 maart 2022 heeft het college het daartegen door [appellant sub 1] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning in stand gelaten met dien verstande dat ook een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan wordt verleend en een voorschrift aan de vergunning wordt verbonden.
Beroep en hoger beroep
Bij uitspraak van 13 april 2023 heeft de rechtbank de door [appellant sub 1] tegen de besluiten van 19 mei 2021 en 7 maart 2022 ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en het college opgedragen om opnieuw te beslissen op de bezwaren van [appellant sub 1] met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluit van 27 november 2023 heeft het college opnieuw op de bezwaren van [appellant sub 1] beslist.
[appellant sub 1] heeft gronden ingediend tegen dat besluit.
[appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 maart 2026, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. R.J. Skála, rechtsbijstandverlener in Haren, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. K. Timmer, advocaat in Groningen, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.O. Bakker, R. van Houdt en J. Hortensius, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvragen om een omgevingsvergunning zijn ingediend op 9 juni 2020 (vaarverbinding en pad) en op 21 december 2020 (ophaalbrug). Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. De eigenaren van de recreatiewoningen aan de [locatie 1], [locatie 3], [locatie 4] en [locatie 2] in Haren willen een vaarverbinding realiseren tussen het Paterswoldsemeer en hun percelen. Om de percelen met het meer te verbinden, worden bestaande sloten verlengd en verbreed en wordt een nieuwe watergang gegraven. Ook wordt een onderhoudspaadje aangelegd. Om de bestaande toegang naar de ten noorden van de vaarverbinding gelegen zeven recreatiewoningen in stand te houden, wordt een ophaalbrug geplaatst. [appellant sub 2], eigenaar van het perceel [locatie 4], heeft hiervoor, mede namens de eigenaren van de drie andere recreatiewoningen aan de Meerweg, aanvragen om omgevingsvergunning ingediend.
Het college heeft voor het aanleggen van de vaarverbinding en een onverhard pad een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo verleend. Voor het plaatsen van de brug heeft het college een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo verleend.
3. [appellant sub 1] is eigenaar van een recreatiewoning aan de [locatie 5]. Deze woning ligt aan het Paterswoldsemeer. De vaarverbinding en de brug komen op ongeveer 70 m ten zuiden van zijn perceel te liggen en de brug is van belang voor de bereikbaarheid van zijn woning. Hij is het niet eens met de verlening van de beide vergunningen en is daartegen opgekomen.
Relevante wet- en regelgeving
4. In deze zaak zijn aan de orde de beheersverordening "Paterswoldsemeer" en het bestemmingsplan "EHS en recreatieterrein zuidoostzijde Paterswoldsemeer", dat op 2 juni 2021 is gewijzigd met de vaststelling van het bestemmingsplan "Veegplan 2019".
Beoordeling van de hoger beroepen
Goede procesorde in hoger beroep
5. Bij brief van 20 februari 2026 heeft [appellant sub 2] een nader stuk ingediend om zijn hogerberoepschrift te verduidelijken en aan te vullen. [appellant sub 1] wijst erop dat [appellant sub 2] dit stuk niet rechtstreeks naar hem heeft toegezonden. Hij heeft dit stuk pas op 26 februari 2026 via de Afdeling ontvangen. Volgens [appellant sub 1] moet de Afdeling dit stuk wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing laten.
5.1. Ook na afloop van de beroepstermijn en, als die termijn is gegeven, na afloop van de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kunnen ter motivering van een eerdere beroepsgrond, nieuwe argumenten worden aangevoerd en kan nieuw bewijs worden ingediend, tenzij dat in strijd is met de goede procesorde. De goede procesorde stelt dus grenzen aan de mogelijkheid om in een lopende procedure nieuwe argumenten of nieuw bewijs in te brengen. Dat geldt ook als het nog meer dan tien dagen duurt voordat de zitting is, zoals geregeld in artikel 8:58 van de Awb. De Afdeling hanteert twee vragen om te beoordelen of de goede procesorde wordt geschonden. De eerste vraag is of voor de overige partij(en) te weinig tijd resteert om zich er inhoudelijk over uit te laten. De tweede vraag is of de zaak moet worden aangehouden met als gevolg een onwenselijke of onaanvaardbare vertraging van de procedure in het licht van de belangen van de overige partij(en) en een goede rechtspleging. Onder dat laatste valt ook de voorbereiding van de zitting door de bestuursrechter.
5.2. [appellant sub 2] heeft op 20 februari 2026, en dus meer dan tien dagen voor zitting, een nader stuk ingediend. Het stuk heeft [appellant sub 1] weliswaar op minder dan tien dagen voor de zitting bereikt, maar gezien de omvang, de aard en de inhoud van het stuk acht de Afdeling niet aannemelijk dat [appellant sub 1] niet adequaat daarop heeft kunnen reageren. Het stuk is grotendeels een herhaling van eerder ingenomen en bij [appellant sub 1] bekende standpunten. De goede procesorde verzet zich er daarom niet tegen dat het stuk bij de beoordeling van het hoger beroep wordt betrokken.
Hogerberoepsgronden over procedurele aspecten
6. [appellant sub 1] komt tevergeefs op tegen het oordeel van de rechtbank dat het ter zitting bij de rechtbank gedane verzoek om de beroepsgronden van een eiseres in een andere beroepsprocedure in te lassen in zijn beroepsgronden, in strijd komt met de beginselen van een goede procesorde. De rechtbank heeft bij haar oordeel van belang geacht dat [appellant sub 1] geen nadere toelichting gaf en niet specificeerde om welke gronden het ging. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de rechtbank niet tot dat oordeel heeft kunnen komen. Anders dan [appellant sub 1] betoogt, hoefde de rechtbank het onderzoek ter zitting ook niet te schorsen om hem in de gelegenheid te stellen het beroepschrift van de eiseres in de andere procedure te bestuderen om zijn gronden zo nodig aan te vullen of aan te passen. Als [appellant sub 1] zijn beroepsgronden had willen uitbreiden, had hij dat tijdig voor de zitting kunnen en moeten doen. Daaraan doet niet af dat hij er niet van op de hoogte was dat de eisers in de andere procedure mogelijk geen procesbelang zou kunnen hebben en aan een inhoudelijke beoordeling van haar gronden niet zou worden toegekomen.
7. [appellant sub 1] betoogt dat in rechtsoverweging 1.1 van de aangevallen uitspraak ten onrechte staat dat in het voorbereidingsbesluit is vastgelegd dat aan bewoners is toegezegd dat de door hen gewenste vaarverbinding zou worden gefaciliteerd en dat de gewenste vaarverbinding, gelet op het aanwezige NNN-gebied, vervolgens in nauw overleg met de provincie Groningen tot stand is gekomen.
7.1. De Afdeling overweegt dat dit betoog, wat daar van zijn, niet kan leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Uit de uitspraak blijkt niet dat deze stellingen een rol hebben gespeeld bij het oordeel van de rechtbank.
Het aanleggen van het pad en de vaarverbinding
- het pad
8. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het aanleggen van het van west naar oost lopend pad omgevingsverguningplichtig is als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo, gelezen in samenhang met atikel 3.4 van de regels van het bestemmingsplan "EHS en recreatieterrein zuidoostzijde Paterswoldsemeer".
Hij voert ten eerste aan dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat met het aanleggen van het pad [appellant sub 1] niet wordt geraakt in zijn belang. Het gebruik van het pad verstoort zijn gebruik van de recreatiewoning op geen enkele wijze.
Hij voert ook aan dat watergangen en walkanten onder het bevoegd gezag van het waterschap vallen en de werkzaamheden daarom niet omgevingsvergunningplichtig kunnen zijn.
Hij voert verder aan dat [appellant sub 1] in beroep niet heeft aangevoerd dat sprake is van het egaliseren van gronden als bedoeld in artikel 3.4, onder a, aanhef en onder 1, van de planregels en de rechtbank daarom buiten de omvang van het geschil is getreden.
Hij voert bovendien aan dat geen sprake is van het egaliseren van gronden als bedoeld in voormeld artikelonderdeel, omdat alleen sprake is van herstelwerkzaamheden en deze werkzaamheden niet plaatsvinden om veranderingen in de ondergrond aan te brengen. Daarbij komt volgens [appellant sub 2] dat de werkzaamheden worden uitgevoerd ten behoeve van de ontwikkeling van natuur of in verband met de waterhuishouding en zulke werkzaamheden niet vergunningplichtig zijn.
8.1. Ten tijde van het indienen van de aanvraag rustte volgens het geldende bestemmingsplan "EHS en recreatieterrein zuidoostzijde Paterswoldsemeer" op de gronden waar een deel van de vaarweg en het van west maar oost lopende pad zijn voorzien, de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie uit te werken". In het voor die bestemming relevante artikel 5 is geen zogeheten aanlegvergunningstelsel opgenomen.
Op het moment dat de aanvraag werd ingediend, was het ontwerpbestemmingsplan "Veegplan 2019" ter inzage gelegd. Vanwege artikel 11 van de regels van dat ontwerpbestemmingsplan wordt de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie uit te werken" uit het bestemmingsplan "EHS en recreatieterrein zuidoostzijde Paterswoldsemeer" gewijzigd in de bestemming "Natuur". De voor die bestemming geldende regels in het bestemmingsplan "EHS en recreatieterrein zuidoostzijde Paterswoldsemeer" (artikel 3) wijzigen niet. In artikel 3.4 van de regels van laatstgenoemd bestemmingsplan is in de bestemming "Natuur" een aanlegvergunningstelsel opgenomen.
8.2. Voordat de Afdeling toekomt aan een bespreking van het betoog van [appellant sub 2] over artikel 3.4 van de planregels, zal zij eerst de vraag moeten beantwoorden of dat artikel wel van toepassing was, omdat het van toepassing verklaarde artikel op deze gronden destijds was opgenomen in een ontwerpbestemmingsplan maar niet in een door de raad vastgesteld bestemmingsplan.
8.3. In het besluit op bezwaar is ervan uitgegaan dat een aanhoudingsplicht als bedoeld in artikel 3.3 van de Wabo geldt, omdat de aanvraag om omgevingsvergunning is ingediend, nadat het ontwerpbestemmingsplan "Veegplan 2019" ter inzage is gelegd. Er staat verder dat in dit geval de aanhoudingsplicht kan worden doorbroken omdat de aanvraag niet in strijd is met de bestemming "Natuur" die ingevolge het ontwerpbestemmingsplan op de gronden rust. Het college heeft zich verder op het standpunt gesteld dat voor het aanleggen van het pad geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 3.4, onder a, van de planregels nodig is.
De rechtbank heeft overwogen dat die vergunning wel nodig is, zodat het besluit in strijd komt met artikel 3.4, onder a, van de planregels.
8.4. Volgens artikel 3.3, eerste lid, aanhef en b, van de Wabo moet een aanvraag voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de de Wabo worden aangehouden als er geen weigeringsgrond is, maar vóór het indienen van de aanvraag een ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd. De aanhouding duurt volgens artikel 3.3, tweede lid, aanhef en onder b, voort totdat de termijn voor het vaststellen van het bestemmingsplan ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder e, van de Wro is overschreden. Op het moment dat de aanhoudingsplicht is vervallen, moet op een ingediende aanvraag worden beslist overeenkomstig het op dat moment voor de gronden geldende planologische regime.
8.5. Het ontwerpbestemmingsplan "Veegplan 2019" is op 13 februari 2020 voor zes weken ter inzage gelegd. Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wro moest de raad binnen twaalf weken over de vaststelling van het bestemmingsplan beslissen, dus uiterlijk op 16 juni 2020. De raad heeft het bestemmingsplan vastgesteld op 2 juni 2021, dus ruim buiten de in artikel 3.8, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wro (zoals die bepaling luidde ten tijde van belang) genoemde termijn van 12 weken.
8.6. Uit het voorgaande volgt dat, als er op het moment dat [appellant sub 2] op 9 juni 2020 de aanvraag om omgevingsvergunning indiende al een aanhoudingsplicht gold, deze in ieder geval niet meer gold op 17 juni 2020. Er bestond voor het college dus ten tijde van het nemen van het besluit van 26 november 2020 én het besluit op bezwaar op 19 mei 2021 geen aanleiding om te bezien of de aanhoudingsplicht kon worden doorbroken, als bedoeld in het derde lid van artikel 3.3 van de Wabo.
Voor de beoordeling van de aanvraag was bepalend het ten tijde van die besluiten geldende planologische regime. Het "Veegplan 2019" was destijds nog niet vastgesteld. Het college had de aanvraag dus moeten beoordelen aan de hand van het bestemmingsplan "EHS en recreatieterrein zuidoostzijde Paterswoldsemeer" en de volgens dat plan op de gronden rustende bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie uit te werken". Zoals hiervoor staat, is in artikel 5 van de planregels van dat plan geen aanlegvergunningstelsel opgenomen. Het college heeft dit op de zitting overigens ook bevestigd. Dat betekent dat het college zich, weliswaar op onjuiste gronden, terecht op het standpunt heeft gesteld dat een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo voor het aanleggen van het pad niet nodig is. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Wat [appellant sub 2] voor het overige over het oordeel van de rechtbank over de aanleg van het pad heeft aangevoerd, hoeft geen bespreking meer, want dit gaat ervan uit dat er sprake is van een aanlegvergunningstelsel en dat is niet zo.
Het betoog slaagt.
- de vaarverbinding
9. Het betoog van [appellant sub 1] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat artikel 8:69a van de Awb in de weg staat aan een inhoudelijke beoordeling van zijn betoog over de gevolgen van de aanleg van de vaarverbinding voor het gebruik van de zonneweide aan het Paterswoldsemeer slaagt niet. [appellant sub 1] heeft er op de zitting bij de Afdeling, net zoals bij de rechtbank, op gewezen dat de vaarverbinding de bestaande zonneweide zal doorsnijden, waardoor minder ruimte voor de recreanten is om daar te recreëren. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat dit belang van recreanten niet het persoonlijk belang van [appellant sub 1] is en niet het belang is dat de norm waarop [appellant sub 1] een beroep doet, beschermt. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat het in artikel 8:69a van de Awb opgenomen relativiteitsvereiste in de weg staat aan vernietiging van het besluit naar aanleiding van de aangevoerde beroepsgrond en heeft terecht afgezien van een inhoudelijke bespreking daarvan.
10. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de belangen van vergunninghouder bij het aanleggen van een vaarverbinding zwaarder dienen te wegen dan de belangen van [appellant sub 1] voor wat betreft de gebruiksmogelijkheden van zijn perceel. Hij voert ten eerste aan dat de rechtbank de door het college gemaakte belangenafweging onjuist heeft beoordeeld door ervan uit te gaan dat er sprake is van strijd met het bestemmingsplan en het college in het kader van de vraag of het van het bestemmingsplan wil afwijken de belangen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] tegen elkaar heeft afgewogen. Hij voert verder aan dat de rechtbank op onjuiste wijze de plaatsing van de brug bij haar oordeel heeft betrokken. Volgens [appellant sub 2] worden het gebruik van de recreatiewoning en de recreatieve activiteiten van [appellant sub 1] niet verstoord.
10.1. Artikel 5 van de regels van de beheersverordening bevat regels voor gronden waarop de bestemming "Agrarisch met waarden" rust.
Artikel 5.5 luidt:
a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
1. het graven, verdiepen, uitbaggeren, dempen of verbreden van sloten, vaarten en naar de aard daarmee gelijk te stellen waterlopen;
[…].
c. De onder a genoemde vergunning kan slechts worden verleend, mits:
1. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke en de natuurlijke waarden;
2. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waterhuishouding van het gebied en de omliggende percelen, c.q. de gebruiksmogelijkheden daarvan.
10.2. De rechtbank heeft bij haar beoordeling van het betoog van [appellant sub 1] over de afweging die het college heeft gemaakt als het gaat om de gevolgen van het aanleggen van de vaarverbinding, het project in dit geval terecht in zijn geheel bezien, dus met inbegrip van de aanleg van de brug. De Afdeling acht daarvoor van belang dat in de van het besluit deel uitmakende toelichting op de aanvraag de aanleg van de brug als onderdeel van het totale project is genoemd, de brug is ingetekend op de situatietekening daarin, en het college een voorschrift aan de omgevingsvergunning voor de vaarverbinding heeft verbonden om de plaatsing van de brug te verzekeren. De Afdeling wijst er in dit verband nog op dat ten tijde van het besluit op bezwaar een aanvraag voor het bouwen van de brug ook al was ingediend. In zoverre slaagt het betoog van [appellant sub 2] niet.
10.3. Het betoog van [appellant sub 2] over de wijze waarop de rechtbank de door het college gemaakte afweging heeft beoordeeld, slaagt wel. De Afdeling begrijpt overweging 8.3 van de uitspraak van de rechtbank zo dat zij ervan uit is gegaan dat het college in het kader van de vraag of het van het bestemmingsplan wil afwijken alle belangen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] tegen elkaar heeft afgewogen. Het gaat hier echter om de vraag of het college een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo wil verlenen. Gelet op artikel 5.5, onder c, onder 2 van de regels van de beheersverordening, moet het college beoordelen of, voor zover van belang, met de aanleg van de vaarverbinding geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van het gebied en de omliggende percelen, in dit geval het perceel van [appellant sub 1]. Dit is een andere, beperktere afweging dan de afweging die het college maakt in het geval sprake is van met het bestemmingsplan strijdig gebruik.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat in dit geval geen sprake is van een onevenredige afbreuk aan de mogelijkheden van [appellant sub 1] om zijn perceel te gebruiken. Het heeft in dit verband toegelicht dat de bereikbaarheid van de recreatiewoningen in de nieuwe situatie is gewaarborgd door de aanleg van een brug. Aan de vergunning is daarvoor ook een voorschrift verbonden. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat het college zich, gelet op het feit dat een brug wordt geplaatst, niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanleg van de vaarverbinding niet leidt tot een onevenredige afbreuk van de gebruiksmogelijkheden van het perceel van [appellant sub 1].
Gelet op het voorgaande, is de rechtbank ten onrechte tot het oordeel gekomen dat het besluit van 19 mei 2021 voor wat betreft de belangenafweging in strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van Awb is genomen. Het betoog slaagt.
11. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een alternatief waarbij een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Hij voert in dit verband aan dat de rechtbank ingaat op een alternatief dat niet door hem is voorgesteld. Volgens [appellant sub 1] gaat zijn alternatieve plan uit van een vaarverbinding die de recreatiewoningen van [appellant sub 2] en anderen via een naar het oosten lopende vaarverbinding naar de nieuw aan te leggen benedenloop van de Drentsche Aa verbindt met het Paterswoldsemeer.
11.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in haar uitspraak van 26 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4290, onder 5.1 volgt uit de artikelen 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, en 2.11, eerste lid, van de Wabo, dat, indien een omgevingsvergunning voor de aanleg van werken op grond van een bestemmingsplan is vereist, deze wordt geweigerd indien de aanleg in strijd is met de regels van dat bestemmingsplan. Uit dit stelsel vloeit voort dat geen ruimte bestaat om een omgevingsvergunning op andere gronden te weigeren, zo oordeelde de Afdeling. Ook volgt uit die uitspraak dat als geen weigeringsgrond aan de orde is als bedoeld in artikel 2.11, eerste lid, van de Wabo, er geen ruimte bestaat voor het afwegen van andere belangen dan die die met het aanlegvergunningenstelsel worden beschermd.
Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat het college geen reden heeft moeten zien de omgevingsvergunning op grond van artikel 5.5, onder c, van de regels van de beheersverordening te weigeren. Dat betekent dat bij het toetsen van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het aanleggen van de vaarverbinding geen ruimte was om alternatieve tracéroutes te bekijken. Het betoog slaagt alleen al daarom niet.
Het plaatsen van een brug
12. De brug is gedeeltelijk gelegen op gronden waarop volgens de beheersverordening de bestemming "Recreatie - Dagrecreatie" rust en gedeeltelijk op gronden waarvoor ingevolge het bestemmingsplan "EHS en recreatieterrein zuidoostzijde Paterswoldsemeer" de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie uit te werken" geldt. In artikel 5.3 van de regels van het bestemmingsplan is voor deze laatstgenoemde bestemming een voorlopig bouwverbod opgenomen. Het plaatsen van de brug is daarmee in strijd. Om de plaatsing van de brug niettemin mogelijk te maken, heeft het college op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2o, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 4, aanhef en onderdeel 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, omgevingsvergunning verleend. Het college heeft in het besluit op bezwaar twee voorschriften aan de vergunning verbonden.
13. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de belangen van vergunninghouder zwaarder dienen te wegen dan de belangen van eiser voor wat betreft de gebruiksmogelijkheden van zijn perceel. Hij voert aan dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat een uitgebreid traject aan de aanvraag verlening van de vergunning vooraf is gegaan en dat het college alle relevante aspecten, zoals de belastbaarheid van de brug en technische aspecten van de brug, heeft betrokken. Hij voert ook aan dat de brug is gelegen op de minst bezwarende locatie met de makkelijkste aanrijroute voor de bewoners van de recreatiewoningen. Slechts een klein deel van de brug is in strijd met het bestemmingsplan. Volgens [appellant sub 2] heeft de rechtbank ten onrechte vereist dat het college inzichtelijk moet maken hoe vaak de brug per dag wordt gebruikt. In de aanvraag en in bezwaar is daarover al uitgebreid informatie gegeven. Het gaat slechts om enkele bewegingen per boot per dag en per fiets/auto van zeven recreatiewoningen. Het college heeft dit volgens [appellant sub 2] verwaarloosbaar mogen achten.
13.1. Het college heeft zich in het besluit op bezwaar, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie van 15 februari 2022, op het standpunt gesteld de brug in strijd is met de op de gronden rustende bestemming. Het heeft de omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan verleend. Volgens het college is geen sprake van strijd met een goede ruimtelijke ordening en worden de belangen van [appellant sub 1] niet onevenredig geschaad. Er is geen sprake van een onaanvaardbare belemmering van de toegankelijkheid van de recreatiewoning van [appellant sub 1].
De Afdeling ziet, anders dan de rechtbank, geen grond voor het oordeel dat het college zich niet op dit standpunt heeft kunnen stellen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college van belang kunnen achten dat de brug hoofdzakelijk in het vaarseizoen zal worden gebruikt en alleen door de vier woningen aan de Meerweg. Door dit gebruik van de vaarweg zal de brug volgens het college hoofdzakelijk tijdens het vaarseizoen enkele malen per dag gedurende enkele minuten geopend zijn. [appellant sub 2] heeft toegelicht dat de brug voor kleine bootjes, surfplanken en kano's niet open hoeft en dat er bij de vier woningen slechts ruimte is voor één boot per woning waar de brug wel voor open moet en dat het gemiddeld slechts ongeveer vier minuten duurt om de brug te openen en weer te sluiten. Het college heeft verder van belang kunnen achten dat voor de situatie dat het door [appellant sub 1] genoemde defect aan de brug ontstaat, waardoor de brug niet meer met de elektrische motor naar beneden kan worden gebracht, een voorschrift aan de vergunning is verbonden. Dat voorschrift verplicht ertoe dat de brug altijd handmatig met bijvoorbeeld een lier in een horizontale positie moet kunnen worden teruggebracht. Het college heeft tot slot van belang kunnen achten dat, gelet op de toegestane belastbaarheid en breedte van de brug, de meest gangbare voertuigen, ook ambulances, de recreatiewoning kunnen bereiken. Het college heeft in de omstandigheid dat een met water beladen blusauto van de brandweer de recreatiewoning niet meer kan bereiken geen aanleiding hoeven zien de omgevingsvergunning te weigeren. Daarbij heeft het mogen betrekken dat de Veiligheidsregio Groningen positief heeft geadviseerd over de plaatsing van de brug onder de voorwaarde dat een opstelplaats voor de brandweer wordt gerealiseerd. Aan de vergunning is een voorschrift verbonden dat verplicht tot de aanleg van zo'n opstelplaats en waterwinplaats. Wat betreft de door [appellant sub 1] genoemde zware vrachtwagens, zoals verhuiswagens, heeft het college het niet aannemelijk hoeven achten dat zulke vrachtwagens frequent of zelfs jaarlijks van de weg gebruik zullen moeten maken. Het heeft ervan mogen uitgaan dat in zoverre sprake is van een incidenteel, maar oplosbaar ongemak voor [appellant sub 1].
Gelet op voorgaande heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het besluit voor wat betreft de belangenafweging in strijd is met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Het betoog slaagt.
14. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat als gevolg van het bouwplan de recreatiewoningen niet bereikbaar zijn voor voertuigen van de brandweer. Hij verwijst daarbij naar artikel 6.37 van het Bouwbesluit 2012. De waterwin- en opstelplaats voor de brandweer is volgens [appellant sub 1] geen gelijkwaardige oplossing als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012.
14.1. Ingevolge artikel 6.37, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 moet er tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg liggen die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsvoertuigen.
Op grond van artikel 1.3, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012, mag een bouwwerk afwijken van de voorschriften van het Bouwbesluit 2012 als op een andere wijze dan door toepassing van de betreffende voorschriften ten minste eenzelfde mate van veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu wordt geboden als is beoogd met deze voorschriften.
14.2. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat met het realiseren van een waterwin- en opstelplaats voor de brandweer sprake is van een gelijkwaardige oplossing als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012. Het college heeft zich daarbij gebaseerd op het advies van de Veiligheidsregio. Het college heeft aan de omgevingsvergunning het voorschrift verbonden dat [appellant sub 2] een waterwin- en opstelplaats aan moet leggen die voldoet aan de eisen die door de brandweer worden gesteld.
14.3. De rechtbank is in de overwegingen 11 tot en met 11.4 ingegaan op het betoog van [appellant sub 1] over het Bouwbesluit 2012 en de bereikbaarheid van zijn recreatiewoning voor de brandweer. Zij heeft in dat verband bezien of [appellant sub 1] concrete aanknopingspunten heeft gegeven voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies van de Veiligheidsregio dat het college aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd. Zij heeft overwogen dat [appellant sub 1] dat niet heeft gedaan en dat het college het advies aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen. De Afdeling kan zich vinden in dit oordeel van de rechtbank. Zij voegt daaraan toe dat [appellant sub 1] in hoger beroep alleen de door [appellant sub 2] opgestelde aanvulling van de aanvraag bestrijdt en niet ingaat op voormeld advies. Voor zover [appellant sub 1] betwijfelt of [appellant sub 2] de in het advies genoemde opstelplaats voor de brandweer aanlegt, wijst de Afdeling erop dat het college een voorschrift aan de vergunning heeft verbonden die [appellant sub 2] verplicht de waterwin- en opstelplaats aan te leggen. Als [appellant sub 2] dat niet doet, kan hij het college verzoeken om daartegen handhavend op te treden.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
15. Het hoger beroep van [appellant sub 1] is ongegrond. Het hoger beroep van [appellant sub 2] is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op wat hiervoor is overwogen, het beroep van [appellant sub 1] tegen de besluiten van 19 mei 2021 en 7 maart 2022 alsnog ongegrond verklaren. Dat betekent dat de omgevingsvergunningen voor de vaarverbinding, het pad en de brug in stand blijven.
Besluit van 27 november 2023
16. Bij besluit van 27 november 2023 heeft het college ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank opnieuw beslist op de bezwaren van [appellant sub 1]. Omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, is aan dat besluit de grondslag ontvallen. Daarom zal de Afdeling dat besluit vernietigen.
Proceskosten
17. Het college moet de proceskosten van [appellant sub 2] vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van [appellant sub 1] ongegrond;
II. verklaart het hoger beroep van [appellant sub 2] gegrond;
III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank NoordNederland van 13 april 2023 in zaken nrs. 21/2044 en 22/1347;
IV. verklaart de bij de rechtbank in die zaken ingediende beroepen van [appellant sub 1] ongegrond;
V. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Groningen van 27 november 2023, kenmerk 147215-2023;
VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Groningen tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.995,25, gedeeltelijk toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VII. bepaalt dat de griffier van de Raad van State aan [appellant sub 2] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 274,00 terugbetaalt.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, voorzitter, en mr. J.J.W.P. van Gastel en mr. J.A.W. Huijben, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.
w.g. Minderhoud
voorzitter
w.g. Pieters
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026
473