202502931/1/A3.
Datum uitspraak: 1 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland (de rechtbank) van 10 april 2025 in zaak nr. 24/7875 in het geding tussen:
[appellant]
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 23 juli 2024 heeft de staatssecretaris de aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (VOG) afgewezen.
Bij besluit van 16 oktober 2024 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 10 april 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 18 maart 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. T.J.N. Hameleers, advocaat in Roermond, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. I.M. Touwen, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] wil als taxichauffeur werken en heeft daarom op 1 mei 2024 een VOG voor een chauffeurskaart aangevraagd. De staatssecretaris heeft de afgifte van de VOG geweigerd en deze weigering in bezwaar gehandhaafd. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat [appellant] volgens registratie in het Justitieel Documentatie Systeem (JDS) onherroepelijk is veroordeeld voor onder meer het medeplegen van heling, het overtreden van de Wet wapens en munitie, diefstal in vereniging met braak, het aanwezig hebben van drugs, openlijke geweldpleging, belediging van een ambtenaar in functie en diverse verkeersovertredingen. Volgens de staatssecretaris is daarmee niet voldaan aan het objectieve criterium. Gelet op het plegen van strafbare feiten die bij uitstek niet te verenigen zijn met het doel van de aanvraag, weegt volgens de staatssecretaris het belang van de samenleving bij bescherming zwaarder dan het belang van [appellant] bij het verkrijgen van de VOG.
Het toetsingskader
2. Op grond van artikel 35, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens weigert de staatssecretaris de afgifte van een VOG, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de VOG wordt gevraagd, in de weg zal staan.
Bij de beoordeling van het risico voor de samenleving heeft de staatssecretaris de Beleidsregels VOG NP-RP 2024 gehanteerd. Daarin is bepaald dat als een aanvrager voorkomt in het JDS de staatssecretaris aan de hand van een objectief en een subjectief criterium bekijkt of de afgifte van een VOG gerechtvaardigd is. Bij de toetsing aan het objectieve criterium bekijkt de staatssecretaris of de justitiële gegevens, indien herhaald en gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie, taak of bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd. Is daarvan sprake, dan zal de aanvraag in beginsel worden afgewezen. Bij het subjectieve criterium beoordeelt de staatssecretaris, als is voldaan aan het objectieve criterium, of de omstandigheden van het geval ertoe moeten leiden dat een VOG toch moet worden afgegeven. Bij de beoordeling van de aanvraag wordt een terugkijktermijn in acht genomen die in beginsel vier jaar bedraagt en wordt verlengd met de feitelijke duur van een vrijheidsbeneming.
Uitspraak van de rechtbank
3. De (voorzieningenrechter van de) rechtbank heeft geoordeeld dat nader onderzoek niet kon bijdragen aan de beoordeling van de zaak en ook beslist op het beroep van [appellant]. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de kennisgeving van het sepot waar [appellant] zich op beroept op een verdenking voor rijden onder invloed ziet en niet op de verdenking van het Opiumwetfeit zoals dat is genoteerd in het JDS. Dat [appellant] geen dagvaarding stelt te hebben ontvangen, betekent niet dat deze niet meer komt. Bovendien geldt dat [appellant] binnen de terugkijktermijn meerdere keren is veroordeeld voor strafbare feiten. Dat [appellant] zijn best doet om op de goede weg te raken, is naar het oordeel van de rechtbank gelet op de recente feiten nu nog onvoldoende om aan te nemen dat er geen risico voor de samenleving meer is. In de gestelde onevenredige gevolgen voor [appellant] hoefde de staatssecretaris geen aanleiding te zien om alsnog tot afgifte van de VOG over te gaan, aldus de rechtbank.
Hoger beroep
4. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte toepassing heeft gegeven aan zijn bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. De voorzieningenrechter heeft miskend dat proceseconomische redenen geen zelfstandige grond vormen om kort te sluiten en de voorzieningenrechter heeft niet gemotiveerd waarom nader onderzoek redelijkerwijs niet kon bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Tijdsverloop door een langere beroepsprocedure had volgens [appellant] in zijn voordeel kunnen werken. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat niet aan het objectieve criterium is voldaan. De staatssecretaris heeft ten onrechte een vermeend justitieel gegeven van 11 januari 2024 betrokken, waarvan [appellant] met een sepotbeslissing gemotiveerd heeft aangetoond dat het niet bestaat. Tot slot betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat niet aan het subjectieve criterium is voldaan. De rechtbank heeft volgens hem miskend dat de staatssecretaris heeft nagelaten een kenbare en evenwichtige belangenafweging te maken, door onvoldoende gewicht toe te kennen aan de jeugdige leeftijd van [appellant] ten tijde van het merendeel van de strafbare feiten, zijn beïnvloedbaarheid en negatieve leefomgeving destijds, en zijn aantoonbare en structurele gedragsverandering.
Beoordeling
5. De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 6.3 en 7.3 opgenomen overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd. In aanvulling hierop overweegt de Afdeling het volgende. Het betoog van [appellant], dat de voorzieningenrechter ten onrechte direct uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak, slaagt niet. Aan de voorzieningenrechter komt bij de toepassing van zijn bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak aanzienlijke vrijheid toe. In dit geval heeft de voorzieningenrechter redelijkerwijs van die bevoegdheid gebruik kunnen maken. Het betoog van [appellant] dat tijdsverloop door een langere beroepsprocedure wellicht in zijn voordeel had gewerkt, doet er niet aan af dat de rechtbank zich voldoende voorgelicht heeft mogen achten om uitspraak te doen op het beroep. De verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN1171, treft geen doel, omdat [appellant] anders dan in die zaak het geval was zijn beroepsgronden voor de zitting al had ingediend. Bovendien heeft de staatssecretaris toegelicht dat een inhoudelijke beoordeling door de politierechter van het strafbare feit van 11 januari 2024 heeft plaatsgevonden en dat [appellant] daadwerkelijk is gedagvaard door het Openbaar Ministerie. Daarom was de vermelding in het JDS juist. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de staatssecretaris zich redelijkerwijs op het standpunt mogen stellen dat de vrijspraak niet maakt dat zijn besluit anders uitvalt, omdat [appellant] ook zonder dit feit ten tijde van het besluit van 16 oktober 2024 niet voldoet aan het objectieve criterium gelet op de overige forse justitiële documentatie van [appellant].
Conclusie
6. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
7. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, griffier.
w.g. Minderhoud
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hartsuiker
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026
620-1101