202401440/1/A2.
Datum uitspraak: 1 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
het bestuur van de Stichting Laka, gevestigd in Amsterdam,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 januari 2024 in zaak nr. 23/3260 in het geding tussen:
Laka
en
de minister van Klimaat en Groene Groei.
Procesverloop
Bij besluit van 3 mei 2023 heeft de minister voor Klimaat en Energie het door Laka tegen vier subsidiebeschikkingen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 26 januari 2024 heeft de rechtbank het door Laka daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft Laka hoger beroep ingesteld.
De minister van Klimaat en Groene Groei heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Technische Universiteit Delft (TU Delft) heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.
Laka heeft een zienswijze ingediend.
De TU Delft heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 februari 2025, waar Laka, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], en de minister, vertegenwoordigd door mr. E.P. Koorstra en E.F. Kiezebrink, zijn verschenen. Verder is op de zitting de TU Delft, vertegenwoordigd door mr. C. de Munk en dr. ir. J.L. Kloosterman, daar als partij gehoord.
Overwegingen
Inleiding
1. In deze zaak is in geschil of Laka belanghebbende is bij een procedure tegen vier verleende begrotingssubsidies voor de versterking van de innovatie-en kennisinfrastructuur op het gebied van nucleaire technologie. Ook is de vraag, als Laka belanghebbende zou zijn, of zij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om een aanvraag in te dienen.
2. De Tweede Kamer heeft bij de vaststelling van de begroting van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat voor het jaar 2022 een amendement van de leden Erkens en Dassen aangenomen (zie Kamerstukken II, 2021/22, 35 925 XIII, nr. 14). Het amendement zag erop dat in de begroting eenmalig € 5.000.000,00 zou worden uitgetrokken voor het versterken van de innovatie- en kennisinfrastructuur op het gebied van nucleaire technologie.
3. De minister heeft in een brief aan de Tweede Kamer van 18 november 2022 (Kamerstukken II 2022/23, 32 645, nr. 101) toegelicht hoe hij invulling wil geven aan het aangenomen amendement. In de brief staat, in de kern weergegeven, het volgende. De minister heeft een ronde-tafelbijeenkomst gehouden met de nucleaire sector. Nucleair Nederland heeft tijdens deze bijeenkomst een voorstel gepresenteerd dat al op korte termijn zorgt voor extra versterking van de nucleaire kennisbasis en infrastructuur. Het voorstel zet in op de drie pijlers onderwijs, onderzoek en bewustwording. Onderwijs en onderzoek zorgen voor kennisdeling en kennisontwikkeling op het gebied van nucleaire technologie. Bewustwording is daarnaast belangrijk voor de aantrekkingskracht van het kennisveld voor jong talent, en ook om in de samenleving bij te dragen aan een beter begrip van de toepassingen van nucleaire technologie. De minister heeft zich samen met de interdepartementale werkgroep Kennisbasis nucleaire technologie en stralingsbescherming over dit voorstel gebogen. Het lijkt hen verstandig om volledig invulling te geven aan dit voorstel door het budget van het amendement hiervoor te gebruiken. Volgens de werkgroep zijn de bestedingen die voortvloeien uit het voorstel zinvol om te gebruiken voor het versterken van de nucleaire kennisbasis en nucleaire infrastructuur. De minister heeft het voornemen om het subsidiebudget dat met het amendement op de begroting is geplaatst, nog dit jaar volledig te beschikken, zodat de sector onmiddellijk kan starten met de uitwerking van de voorgestelde plannen, aldus de brief.
4. De minister heeft vervolgens vier subsidiebeschikkingen genomen:
- beschikking van 30 november 2022 gericht aan regieorgaan SIA, onderdeel van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), inhoudende een subsidie voor het bewerkstelligen van drie lectoraten op het gebied van kernenergie;
- beschikking van 14 december 2022 gericht aan TU Delft, inhoudende een subsidie voor het versterken van de kennisinfrastructuur in Nederland, door het realiseren van een leerstoel stralingsbescherming, het opleiden van twee promovendi en de aanschaf van nieuwe lab-apparatuur voor leerdoeleinden.
- beschikking van 21 december 2022 gericht aan Elektriciteits- Produktiemaatschappij Zuid-Nederland (EPZ), inhoudende een subsidie voor onderzoek naar de vormgeving van een publiekscentrum over kernenergie;
- beschikking van 22 december 2022 gericht aan Stichting Nuclear Research and consultancy Group (NRG), inhoudende een subsidie voor het opzetten van een Nuclear Academy en vervanging laboratoriumapparatuur.
Uitspraak van de rechtbank
5. De rechtbank is van oordeel dat de minister Laka terecht niet als belanghebbende heeft aangemerkt. In de statuten van Laka is als doel opgenomen het beschermen van de natuur en het milieu tegen vervuiling in het algemeen en tegen straling, radioactiviteit en kernenergie in het bijzonder. De subsidies zijn verleend voor het versterken van de nucleaire innovatie- en kennisinfrastructuur. De activiteiten die met de subsidies worden gefinancierd, hebben geen gevolgen voor de natuur en het milieu en raken het statutaire doel van Laka dus niet. Dat zij ook had willen meedingen naar de subsidie, betekent niet dat zij belanghebbende is bij de vier subsidiebeschikkingen. Laka had zelf een aanvraag voor subsidie kunnen indienen.
Volgorde van behandeling
6. De Afdeling zal eerst het incidenteel hoger beroep van de TU Delft bespreken. Vervolgens bespreekt zij het hoger beroep van Laka.
Incidenteel hoger beroep en de beoordeling daarvan
7. De TU Delft betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het door Laka tegen de beschikking van 14 december 2022 ingediende bezwaar niet-ontvankelijk is vanwege termijnoverschrijding. Het bezwaar is ingediend op 2 februari 2023. Gelet op artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is dat acht dagen te laat.
7.1. Vaststaat dat de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift tegen de subsidiebeschikking gericht aan TU Delft liep tot en met 25 januari 2023 en dat het op 2 februari 2023 ingediende bezwaarschrift dus niet in de voorgeschreven termijn van zes weken is ingediend.
7.2. Een termijnoverschrijding is verschoonbaar als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Dit staat in artikel 6:11 van de Awb. Ten eerste is daarvoor vereist dat de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Ten tweede is vereist dat het bezwaarschrift of beroepschrift zo spoedig mogelijk is ingediend als redelijkerwijs kon worden verlangd.
7.3. Laka heeft op de zitting van de Afdeling toegelicht dat zij met een verzoek op grond van de Wet open overheid op 23 januari 2023 voor het eerst op de hoogte is geraakt van de vier subsidiebeschikkingen. Er is geen aanleiding om te oordelen dat Laka eerder naar mogelijke besluitvorming had moeten informeren dan zij heeft gedaan. Nadat Laka op 23 januari 2023 op de hoogte was geraakt van het bestaan van de vier subsidiebeschikkingen, heeft zij het bezwaarschrift binnen zes weken ingediend. Dat betekent dat de termijnoverschrijding voor het indienen van het bezwaarschrift verschoonbaar is.
7.4. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
8. Het incidenteel hoger beroep van de TU Delft is ongegrond.
Hoger beroep en de beoordeling daarvan
9. Laka betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij geen belanghebbende is bij de vier subsidiebeschikkingen. Aangezien de beschikkingen zien op subsidiëring van de ontwikkeling en de uitbouw van de toepassing van kernenergie in Nederland, raken deze beschikkingen rechtstreeks aan de algemene en collectieve belangen die zijn volgens haar statutaire doelstellingen en feitelijke werkzaamheden behartigt. Als er geen kernenergie wordt toegepast, zijn natuur en milieu namelijk beschermd tegen de nadelige gevolgen van kernenergie.
9.1. Bepalend voor de vraag of Laka belanghebbende is bij deze procedure over de tot de vier subsidieontvangers gerichte subsidiebeschikkingen is of zij opkomt ter bescherming van de algemene en collectieve belangen, die zij krachtens haar doelstelling en blijkens haar feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigt.
9.2. De algemene en collectieve belangen die Laka blijkens haar statutaire doelstellingen en feitelijke werkzaamheden behartigt, zijn voldoende specifiek in verhouding tot het belang waarvoor zij in deze procedure opkomt. Uit de statuten van Laka volgt namelijk dat zij zich ten doel stelt het beschermen van de natuur en het milieu tegen vervuiling in het algemeen en tegen straling, radioactiviteit en kernenergie in het bijzonder. In het hogerberoepschrift merkt zij in dit verband op dat haar doelstelling is een nucleaire renaissance in Nederland te voorkomen. In dat verband kan er niet aan worden voorbijgezien dat het doel van de subsidie niet alleen is het vergroten van kennis over nucleaire energie, maar ook ziet op versterking van de nucleaire infrastructuur. Laka verricht met het oog op de behartiging van haar doelstelling feitelijke werkzaamheden onder andere door voorlichting te geven over kernenergie via haar website en door te participeren in manifestaties over de energieproblematiek. De Afdeling is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat Laka belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb. De rechtbank heeft niet onderkend dat de belangen van Laka rechtstreeks betrokken zijn bij de subsidieverlening ter uitvoering van het amendement.
9.3. Het betoog slaagt.
Conclusie
10. Het hoger beroep is gegrond. De overige grond van Laka hoeft daarom niet besproken te worden. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Doende wat de rechtbank zou moeten te doen, verklaart zij het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond en vernietigt zij het besluit op bezwaar van 3 mei 2023. De minister moet een nieuw besluit nemen, met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. De Afdeling zal de minister daarvoor een termijn stellen.
11. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld.
Proceskosten
12. Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het incidenteel hoger beroep van de Technische Universiteit Delft ongegrond;
II. verklaart het hoger beroep van het bestuur van de Stichting Laka gegrond;
III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 januari 2024 in zaak nr. 23/3260;
IV. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
V. vernietigt het besluit van de minister voor Klimaat en Energie van 3 mei 2023, kenmerk WJZ/27147287;
VI. draagt de minister van Klimaat en Groene Groei op om binnen tien weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van wat daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;
VII. bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld.
VIII. gelast dat de minister van Klimaat en Groene Groei aan de Stichting Laka het voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 924,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. H.J.M. Besselink, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Den Ouden
voorzitter
w.g. Van Loon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026
284-1067