202501320/1/A2.
Datum uitspraak: 1 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 januari 2025 in zaken nrs. 23/8620 en 23/8623 en 23/8625 in het geding tussen:
[appellante]
en
de Dienst Toeslagen.
Procesverloop
Bij besluit van 6 mei 2023 heeft de Dienst Toeslagen de zorgtoeslag over 2021 definitief vastgesteld op een bedrag van € 107,00.
Bij besluit van 17 mei 2023 heeft de Dienst Toeslagen de huurtoeslag en zorgtoeslag over 2022 vastgesteld op nihil.
Bij besluit van 22 april 2023 heeft de Dienst Toeslagen de zorgtoeslag en huurtoeslag van [appellante] over 2023 vastgesteld op nihil.
Bij besluiten van 16 november 2023 heeft de Dienst Toeslagen de daartegen door [appellante] gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 13 januari 2025 heeft de rechtbank de door [appellante] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 23 januari 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. E.C. Weijsenfeld, advocaat in Amsterdam, en drs. H.C. de Man, tolk, en de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] is in 1944 geboren in Rwanda. Zij heeft de Rwandese nationaliteit. Sinds 1998 verblijft [appellante] in Nederland en in 2009 is aan haar het Nederlanderschap verleend.
2. In 2017 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het Nederlanderschap van [appellante] ingetrokken. Uit een individueel ambtsbericht bleek volgens de staatssecretaris dat er ernstige redenen zijn om te vermoeden dat [appellante] zich in Rwanda schuldig heeft gemaakt aan handelingen en/of misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. De Afdeling heeft in de procedure hierover het hoger beroep van [appellante] ongegrond verklaard (uitspraak van 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:114). De intrekking van het Nederlanderschap van [appellante] is daardoor per 20 januari 2021 in rechte onaantastbaar geworden.
3. [appellante] heeft, na de intrekking van haar Nederlanderschap, op 1 februari 2021 een asielaanvraag gedaan. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) heeft deze aanvraag afgewezen. Het daartegen door [appellante] ingestelde beroep is door de rechtbank ongegrond verklaard. Het daartegen door [appellante] ingestelde hoger beroep is bij de Afdeling geregistreerd onder zaak nr. 202307212/1/V1.
4. [appellante] heeft op 4 januari 2022 een aanvraag ingediend voor een reguliere verblijfsvergunning. Met ingang van deze datum heeft [appellante] verblijfscode 31. Deze verblijfscode staat gelijk aan een verblijfsrecht op grond van artikel 8, onder f en h, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Dit houdt in dat een vreemdeling in procedure is voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.
Besluitvorming
5. De Dienst Toeslagen heeft het recht van [appellante] op zorg- en huurtoeslag met terugwerkende kracht herzien tot 20 januari 2021, vanwege de intrekking van haar Nederlanderschap.
6. In het besluit op bezwaar van 16 november 2023 heeft de Dienst Toeslagen zich op het standpunt gesteld dat [appellante] niet voor toeslagen in aanmerking komt. Vanaf 20 januari 2021 heeft [appellante] geen rechtmatig verblijf meer. Dit heeft de Dienst Toeslagen nagevraagd bij de IND. De vaststelling of er aanspraak bestaat op Nederlanderschap en of er recht bestaat op rechtmatig verblijf, is een taak van de IND. De Dienst Toeslagen gaat uit van het oordeel van de IND. Weliswaar heeft [appellante] vanaf 3 februari 2021 verblijfscode 32, maar deze verblijfsstatus geeft geen recht op toeslagen.
In artikel 10 en artikel 11 van de Vw 2000 is bepaald dat er geen recht is op een toeslag voor de aanvrager zonder rechtmatig verblijf, ook al was de aanvrager zelf eerder Nederlander of verbleef hij rechtmatig in Nederland. De reden hiervoor is dat toeslagen niet mogen dienen ter (gedeeltelijke) bekostiging van verblijf in Nederland terwijl iemand geen rechtmatig verblijf heeft. Als er wel een toeslag zou worden verstrekt, dan zou ook de vreemdeling zonder rechtmatige verblijfstitel een geldelijk voordeel hebben. De wetgever wil dat via het koppelingsbeginsel voorkomen. De bepalingen in de wetgeving over het recht op toeslagen in dit soort situaties zijn dwingend geformuleerd. De tekst van de bepalingen is helder en laat geen ruimte voor interpretatie. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, aldus de Dienst Toeslagen.
Er zijn ook geen bijzondere omstandigheden die reden geven om de terugvordering te verlagen. Financiële problemen leiden in het algemeen niet tot een matiging van de terugvordering. Voor deze situatie bestaat de mogelijkheid van een (persoonlijke) betalingsregeling, aldus de Dienst Toeslagen.
Uitspraak van de rechtbank
7. De rechtbank is van oordeel dat de Dienst Toeslagen mocht uitgaan van de informatie over de verblijfsstatus van [appellante] die hij heeft gekregen van de IND. Uit deze informatie volgt dat [appellante] in de periode van 3 februari 2021 tot 16 november 2023 verblijfscode 32 heeft gehad, vanwege haar asielaanvraag, en vanaf 4 januari 2022 verblijfscode 31, vanwege haar aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning. Die verblijfsstatus geeft echter geen recht op toeslagen. [appellante] heeft geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de genoemde verblijfscodes naar voren gebracht. De enkele stelling van [appellante] dat geen sprake is van een actuele dreiging voor de openbare orde en dat zij onder Richtlijn 2011/95/EU (de Kwalificatierichtlijn) zou vallen, is daarvoor onvoldoende. De Dienst Toeslagen heeft geen aanleiding hoeven zien om een nader onderzoek in te stellen naar de juistheid van de door de IND verstrekte verblijfscodes. Daarbij is van belang dat het beroep tegen de weigering van de asielaanvraag ongegrond is verklaard. Er is geen reden om aan de Dienst Toeslagen de verplichting op te leggen om nader onderzoek te doen naar het verblijfsrecht van [appellante].
Richtlijn 2008/115/EG (de Terugkeerrichtlijn) is niet van toepassing, omdat er geen terugkeerbesluit is opgelegd en ook niet aan de terugkeer van [appellante] wordt gewerkt. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om prejudiciële vragen te stellen over de uitleg van de Terugkeerrichtlijn. Ook als de Terugkeerrichtlijn wel van toepassing zou zijn, betekent dit niet dat [appellante] recht zou hebben op zorg- en huurtoeslag. Deze toeslagen zijn namelijk niet bedoeld om het bestaansminimum te waarborgen. Overigens heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt dat zij door de besluiten van de Dienst Toeslagen onder het bestaansminimum leeft. Zij heeft een woning, ontvangt een AOW-uitkering en heeft toegang tot medische noodzakelijk zorg.
De rechtbank heeft verder overwogen dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, die meebrengen dat strikte toepassing van de Vw 2000 zozeer in strijd is met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege moet blijven. Dat stopzetting van de toeslagen leidt tot een verslechterde financiële situatie, is een gevolg dat door de wetgever is voorzien.
Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de Dienst Toeslagen de terugvordering niet hoefde te matigen. In dit verband heeft de rechtbank vastgesteld dat de Dienst Toeslagen geen invorderingsmaatregelen neemt en [appellante] het teveel betaalde bedrag dus niet hoeft terug te betalen.
Hoger beroep
Kwalificatierichtlijn en Terugkeerrichtlijn
8. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Dienst Toeslagen geen eigen verantwoordelijkheid heeft om aan het Unierecht te toetsen. Hoewel het primair de verantwoordelijkheid is van de minister van Asiel en Migratie om te beoordelen of een vreemdeling rechtmatig in Nederland verblijft, ligt het op de weg van de Dienst Toeslagen om aan de hand van de door haar verstrekte informatie, en eventueel in overleg met de minister, te onderzoeken of zij aan de Kwalificatierichtlijn een verblijfsrecht kan ontlenen. Zij wijst op rechtspraak van de Afdeling (uitspraak van 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4215) waaruit volgt dat de Dienst Toeslagen een eigen verantwoordelijkheid heeft om het rechtstreeks werkende Unierecht toe te passen. Zij verzoekt de Afdeling prejudiciële vragen te stellen over het recht op bescherming van iemand wiens nationaliteit is ingetrokken op grond van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag en wiens aanvraag tot bescherming is afgewezen. Zij stelt in dit verband dat de rechtbank niet heeft geoordeeld over haar beroep op artikel 47 van het Handvest voor de Grondrechten EU (Handvest). Uit deze bepaling volgt dat hangende procedures over het verblijfsrecht wel sprake moet zijn van een doeltreffende voorziening. [appellante] betoogt daarnaast dat eenieder die geen rechtmatig verblijf heeft, maar wel in de lidstaat verblijft, op grond van de Terugkeerrichtlijn recht heeft op minimale voorzieningen. Zij stelt te moeten rondkomen van een uitkering van € 285,16 per maand. Van dit bedrag kan zij niet de kosten van wonen en de medische zorg die zij nodig heeft betalen. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de Terugkeerrichtlijn niet van toepassing is omdat er geen terugkeerbesluit is opgelegd. Het terugkeerbesluit is ingetrokken op grond van non-refoulement en dit voldoet aan de beschrijving van uitstel van verwijdering. De rechtbank heeft ten onrechte ook hierover geen prejudiciële vragen gesteld.
8.1. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellante] over de Kwalificatierichtlijn en de Terugkeerrichtlijn zo dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Dienst Toeslagen niet zelfstandig heeft hoeven te beoordelen of zij op grond van Unierecht een verblijfsrecht heeft.
8.2. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:877, onder 3.1) mag de Dienst Toeslagen zich in beginsel baseren op de verblijfscodes die de IND heeft verstrekt. Als concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de toegekende verblijfscode naar voren zijn gebracht, moet de Dienst Toeslagen nader onderzoek doen naar de juistheid daarvan. Anders dan [appellante] betoogt, heeft de rechtbank dit uitgangspunt terecht aan haar oordeel ten grondslag gelegd.
8.3. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat [appellante] geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de toegekende verblijfscode naar voren heeft gebracht. De Nederlandse nationaliteit van [appellante] is in 2017 ingetrokken, omdat er ernstige redenen zijn om te vermoeden dat zij zich in Rwanda schuldig heeft gemaakt aan handelingen en/of misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. De Dienst Toeslagen heeft er terecht op gewezen dat uit de uitspraak van de Afdeling in de procedure hierover blijkt dat het ambtsbericht dat heeft geleid tot de intrekking van de Nederlandse nationaliteit zorgvuldig tot stand is gekomen en dat daarbij ook de stelling van [appellante] is gewogen dat zij een familielid van een bekend oppositielid is. Ook is uit deze uitspraak af te leiden dat er ernstig vermoedens bestaan dat [appellante] een faciliterende rol had in de genocide in Rwanda. Tot slot is uit de uitspraak af te leiden dat artikelen 47 en 48 van het Handvest niet zijn geschonden (zie de uitspraak van 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:114). De IND heeft weliswaar aan [appellante] door haar aanvragen om een verblijfsvergunning achtereenvolgens verblijfscode 32 en verblijfscode 31 toegekend, maar de Dienst Toeslagen heeft, gelet op artikelen 10 en 11 van de Vw 2000, gelezen in samenhang met artikel 9 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir), terecht geconcludeerd dat personen met deze verblijfscodes geen recht hebben op toeslagen.
8.4. Op zichzelf heeft [appellante] er terecht op gewezen dat de Dienst Toeslagen een eigen verantwoordelijkheid heeft om rechtstreeks werkend Unierecht toe te passen. Het rechtmatige verblijf van (het familielid van) een Unieburger op grond van artikel 20 van het VWEU ontstaat namelijk van rechtswege. Hoewel het de primaire verantwoordelijkheid van de minister van Asiel en Migratie is om te beoordelen of een vreemdeling rechtmatig in Nederland verblijft, ligt het op de weg van het Dienst Toeslagen om in dat geval aan de hand van door een betrokkene te verstrekken informatie, in overleg met de minister, te onderzoeken of deze aan artikel 20 van het VWEU een verblijfsrecht kan ontlenen. Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4215, onder 11.9. Dit is alleen anders als de minister al in een besluit heeft vastgesteld dat dit niet het geval is en dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden. Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:197, onder 4.4).
8.5. Niet in geschil is dat [appellante] geen verblijfsrecht aan artikel 20 van het VWEU kan ontlenen. Anders dan [appellante] betoogt, reikt de verantwoordelijkheid van de Dienst Toeslagen om te onderzoeken of zij aan het Unierecht een verblijfsrecht hier te lande kan ontlenen niet zo ver dat het op zijn weg ligt om te onderzoeken of zij aan de Kwalificatierichtlijn of de Terugkeerrichtlijn een verblijfsrecht kan ontlenen. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling horen vragen over toelating namelijk in beginsel thuis in een procedure op de voet van de Vw 2000 (uitspraak van de Afdeling van 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:197, onder 4.4). [appellante] is voor een verblijfsrecht op grond van de Kwalificatierichtlijn of de Terugkeerrichtlijn dus afhankelijk van een besluit over haar verblijfsrecht door de minister van Asiel en Migratie. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat op grond de Terugkeerrichtlijn nooit het recht bestaat op een verblijfsrecht (zie het arrest van het Hof van 12 september 2024, Changu, ECLI:EU:C:2024:748, punt 67). Op grond van artikel 24 van de Kwalificatierichtlijn is rechtmatig verblijf een gevolg van een besluit tot toekenning van de vluchtelingenstatus. De beoordeling van de asielstatus van [appellante] komt niet toe aan de Dienst Toeslagen. Dat volgt uit artikel 4, eerste lid, van Richtlijn 2013/32/EU (de Procedurerichtlijn). Hierin is bepaald dat lidstaten voor alle asielprocedures één beslissingsautoriteit moeten aanwijzen, die de asielverzoeken moet behandelen. In Nederland is daarvoor de minister van Asiel en Migratie aangewezen en niet de Dienst Toeslagen.
8.6. Voor zover [appellante] ook betoogt dat uit de Terugkeerrichtlijn volgt dat de Dienst Toeslagen de toeslagen niet op nihil mocht vaststellen, omdat zij daardoor moet leven onder het sociaal minimum, overweegt de Afdeling dat de toeslagen niet strekken tot het waarborgen van het bestaansminimum. Vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 18 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4263 en van 24 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2540.
8.7. Uit het voorgaande volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de opgeworpen vragen. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16 en 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
8.8. Het betoog slaagt niet.
Evenredigheid
9. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien voor toepassing van het evenredigheidsbeginsel. Niet valt in te zien dat de wetgever heeft verdisconteerd dat de moeder van een bekend oppositielid die niet kan terugkeren naar Rwanda in Nederland van alle voorzieningen wordt uitgesloten.
9.1. In artikel 10, eerste lid, van de Vw 2000 is het koppelingsbeginsel neergelegd. Deze bepaling strekt ertoe het recht op verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen ten laste van de collectieve middelen te koppelen aan het rechtmatig verblijf in Nederland (Kamerstukken II, 1994/95, 24 233, nr. 3, p. 1-2). Het uitgangspunt dat illegale vreemdelingen geen aanspraken op collectieve voorzieningen kunnen doen gelden, heeft de wetgever als beginsel van het vreemdelingenrecht aangemerkt (Kamerstukken II, 1995/96, 24 233, nr. 6, p. 3-4).
9.2. Artikel 10, eerste lid, van de Vw 2000 is dwingend geformuleerd. De tekst van deze bepaling is helder en laat geen ruimte voor de Dienst Toeslagen om daarvan af te wijken. De Vw 2000 is bovendien een wet in formele zin. De bestuursrechter kan deze wet daarom niet toetsen aan het evenredigheidsbeginsel. Als sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, kan echter wel aanleiding bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt. Dat is het geval indien die niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772.
9.3. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er hier geen bijzondere omstandigheden zijn die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever en die meebrengen dat strikte toepassing van de wet zozeer in strijd is met het evenredigheidsbeginsel dat toepassing achterwege moet blijven. Het is de bedoeling van de wetgever dat personen die niet beschikken over rechtmatig verblijf, geen aanspraak kunnen maken op zorg- en huurtoeslag. Dat de financiële situatie van [appellante] door het niet toekennen van de toeslagen is verslechterd, is een gevolg dat de wetgever heeft voorzien. De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat de omstandigheid dat [appellante] de moeder is van een bekend oppositielid in Rwanda kan worden meegewogen bij de beoordeling van haar verblijfsrecht, maar niet bij de beoordeling van het recht op toeslagen.
9.4. Het betoog slaagt niet.
Terugvordering
10. [appellante] betoogt tot slot dat de rechtbank heeft miskend dat de Dienst Toeslagen de bevoegdheid om de terugvordering te matigen ten onrechte onbenut heeft gelaten. Het gaat in dit geval niet om een financieel nadeel. [appellante] kan niet vertrekken uit Nederland en de toeslagen zijn nodig om een menswaardig bestaan te leiden zolang zij zich in Nederland bevindt.
10.1. In artikel 26, tweede lid, van de Awir is bepaald dat, voor zover de nadelige gevolgen voor de belanghebbende van een volledige terugvordering onevenredig zijn in verhouding tot de met die volledige terugvordering te dienen doelen, de Dienst Toeslagen een lager bedrag kan terugvorderen. De staatssecretaris van Financiën heeft in het Verzamelbesluit Toeslagen beleid over de terugvordering van toeslagen vastgesteld (geactualiseerd op 17 oktober 2024 met terugwerkende kracht tot 23 oktober 2019; Stcrt. 2024, 34466). In het Verzamelbesluit zijn voorbeelden van bijzondere omstandigheden opgenomen en vermeld wanneer in ieder geval geen sprake is van bijzondere omstandigheden. De financiële situatie of financiële problemen van een belanghebbende die terugbetaling van toeslagen verhinderen, zullen in het algemeen niet leiden tot een matiging van de terugvordering. Voor deze situatie bestaat de mogelijkheid van een betalingsregeling, aldus het Verzamelbesluit. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772, heeft overwogen, kunnen naast de in het Verzamelbesluit genoemde omstandigheden, ook andere omstandigheden aanleiding voor matiging zijn.
10.2. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de Dienst Toeslagen de terugvordering niet hoefde te matigen. Dat [appellante] niet uit Nederland kan vertrekken, betekent niet dat de terugvordering van de onterecht uitbetaalde toeslagen onevenredig is. Daarbij heeft de rechtbank terecht relevant geacht dat de Dienst Toeslagen de terugvordering op 29 februari 2024 op oninbaar heeft gesteld. Dat betekent dat de Dienst Toeslagen geen invorderingsmaatregelen neemt.
10.3. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
11. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
12. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. C.C.W. Lange, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, griffier.
w.g. Den Ouden
voorzitter
w.g. Yildiz
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026
594-1067
BIJLAGE
WETTELIJK KADER
Handvest voor de Grondrechten van de Europese Unie
Artikel 47
Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden.
Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen.
Rechtsbijstand wordt verleend aan degenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voor zover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie
Artikel 20
1. Er wordt een burgerschap van de Unie ingesteld. Burger van de Unie is een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Het burgerschap van de Unie komt naast het nationale burgerschap doch komt niet in de plaats daarvan.
2. De burgers van de Unie genieten de rechten en hebben de plichten die bij de Verdragen zijn bepaald. Zij hebben, onder andere,
a. het recht zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven;
b. het actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement en bij de gemeenteraadsverkiezingen in de lidstaat waar zij verblijf houden, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat;
c. het recht op bescherming van de diplomatieke en consulaire instanties van iedere andere lidstaat op het grondgebied van derde landen waar de lidstaat waarvan zij onderdaan zijn, niet vertegenwoordigd is, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die lidstaat;
d. het recht om verzoekschriften tot het Europees Parlement te richten, zich tot de Europese ombudsman te wenden, alsook zich in een van de talen van de Verdragen tot de instellingen en de adviesorganen van de Unie te richten en in die taal antwoord te krijgen.
Deze rechten worden uitgeoefend onder de voorwaarden en binnen de grenzen welke bij de Verdragen en de maatregelen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.
Artikel 21
1. Iedere burger van de Unie heeft het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij de Verdragen en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.
2. Indien een optreden van de Unie noodzakelijk blijkt om deze doelstelling te verwezenlijken en de Verdragen niet in de daartoe vereiste bevoegdheden voorziet, kunnen het Europees Parlement en de Raad, volgens de gewone wetgevingsprocedure bepalingen vaststellen die de uitoefening van de in lid 1 bedoelde rechten vergemakkelijken.
3. Ter verwezenlijking van dezelfde doelstellingen als in lid 1 genoemd en tenzij de Verdragen in de daartoe vereiste bevoegdheden voorzien, kan de Raad, volgens een bijzondere wetgevingsprocedure, maatregelen inzake sociale zekerheid en sociale bescherming vaststellen. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.
Vluchtelingenverdrag
Artikel 1
[…]
F. De bepalingen van dit Verdrag zijn niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen, dat:
(a) hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;
(b) hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;
(c) hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.
Vreemdelingenwet 2000
Artikel 8
De vreemdeling heeft in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf:
[…]
f. in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 14 en 28, terwijl bij of krachtens deze wet dan wel op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist;
[…]
h. in afwachting van de beslissing op een bezwaarschrift of een beroepschrift, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist;
[…].
Artikel 10
1. De vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft, kan geen aanspraak maken op toekenning van verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen bij wege van een beschikking van een bestuursorgaan. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op de bij de wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen ontheffingen of vergunningen.
2. Van het eerste lid kan worden afgeweken indien de aanspraak betrekking heeft op het onderwijs, de verlening van medisch noodzakelijke zorg, de voorkoming van inbreuken op de volksgezondheid, of de rechtsbijstand aan de vreemdeling.
3. De toekenning van aanspraken geeft geen recht op rechtmatig verblijf.
Artikel 11
1. De aanspraken van de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft zijn in overeenstemming met de aard van het verblijf. Tenzij bij of krachtens het wettelijk voorschrift waarop de aanspraak is gegrond anders is bepaald, is daarbij het tweede lid van toepassing.
2. De vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, kan aanspraken maken op voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen, indien hij:
a. rechtmatig verblijf heeft, als bedoeld in artikel 8, onder a, tot en met e en l;
b. rechtmatig verblijf heeft, als bedoeld in artikel 8, onder f, g, h, en een aanspraak wordt toegekend bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers, dan wel bij of krachtens een ander wettelijk voorschrift, waarin aanspraken van deze vreemdelingen zijn neergelegd;
c. rechtmatig verblijf heeft, als bedoeld in artikel 8, onder i tot en met k, voor de aanspraken die uitdrukkelijk aan deze vreemdelingen zijn toegekend.
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen ontheffingen of vergunningen.
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen
Artikel 9
1. Indien aan een vreemdeling tijdens een rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onderdelen a tot en met e, en l, van de Vreemdelingenwet 2000 een tegemoetkoming is toegekend, heeft de omstandigheid dat hij aansluitend aan dit verblijf rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdeel g of h, van die wet niet tot gevolg dat hij daardoor zijn aanspraak verliest op eenzelfde tegemoetkoming gedurende de periode van laatstgenoemd verblijf.
2. Ingeval de partner van de belanghebbende een vreemdeling is die niet rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000, heeft de belanghebbende geen aanspraak op een tegemoetkoming.
3. Indien in een inkomensafhankelijke regeling is bepaald dat naast de draagkracht van de belanghebbende en diens partner ook de draagkracht van medebewoners van belang is voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van een tegemoetkoming, heeft de belanghebbende geen aanspraak op een tegemoetkoming ingeval een medebewoner van achttien jaar of ouder een vreemdeling is die niet rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000.
Artikel 10
1. De vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft, kan geen aanspraak maken op toekenning van verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen bij wege van een beschikking van een bestuursorgaan. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op de bij de wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen ontheffingen of vergunningen.
2. Van het eerste lid kan worden afgeweken indien de aanspraak betrekking heeft op het onderwijs, de verlening van medisch noodzakelijke zorg, de voorkoming van inbreuken op de volksgezondheid, of de rechtsbijstand aan de vreemdeling.
3. De toekenning van aanspraken geeft geen recht op rechtmatig verblijf.
Artikel 26
1. Indien een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag dan wel een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming daartoe leidt, is de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd.
2. Het terug te vorderen bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt volledig door de Dienst Toeslagen teruggevorderd. Voor zover de nadelige gevolgen voor de belanghebbende van een volledige terugvordering van het bedrag ingevolge het eerste lid onevenredig zijn in verhouding tot de met die volledige terugvordering te dienen doelen, kan de Dienst Toeslagen bij het vaststellen van de beschikking tot terugvordering een lager bedrag terugvorderen dan het bedrag ingevolge het eerste lid.
3. In bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen herziet de Dienst Toeslagen de onherroepelijk geworden beschikking tot terugvordering in het voordeel van de belanghebbende.