202503192/1/A3.
Datum uitspraak: 1 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. De Baron Udenhout B.V., gevestigd in Udenhout, gemeente Tilburg, en
2. de burgemeester van Tilburg,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank ZeelandWestBrabant van 22 april 2025 in zaken nrs. 24/3923 en 24/3662 in het geding tussen:
[partij A], [partij B], [partij C], [partij D], [partij E] en [partij F] (hierna: [partij A] en anderen), allen wonend in Udenhout,
en
de burgemeester van Tilburg.
Procesverloop
Bij besluit van 24 augustus 2023 heeft de burgemeester aan De Baron een alcoholwetvergunning en een exploitatievergunning verleend.
Bij besluit van 12 maart 2024 heeft de burgemeester de door [partij A] en anderen daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 22 april 2025 heeft de rechtbank de door [partij A] en anderen daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, het besluit van 12 maart 2024 vernietigd voor zover dat betrekking heeft op de exploitatievergunning en de burgemeester opgedragen om binnen zes weken na de dag van verzending een nieuw besluit te nemen over de exploitatievergunning met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak hebben De Baron en de burgemeester hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Baron heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting van 11 maart 2026 behandeld, waar De Baron, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], bijgestaan door mr. T.N. Bakkes, advocaat in Tilburg, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. G.D.A. Dellevoet, zijn verschenen. Verder zijn op de zitting [partij A] en anderen, bijgestaan door mr. J.C.W. van Eekeren, als partij gehoord.
Overwegingen
Inleiding
1. De Baron exploiteert een brasserie en restaurant in Udenhout. Daarvoor heeft zij een alcoholwet- en exploitatievergunning aangevraagd, die de burgemeester allebei heeft verleend. Met deze vergunningen heeft de burgemeester De Baron toegestaan dat zij alcohol mag schenken. Ook mag zij een café/restaurant met twee terrassen exploiteren.
2. [partij A] en anderen zijn het er niet mee eens. Volgens hen had de exploitatievergunning niet verleend mogen worden, omdat de woon- en leefsituatie in de omgeving op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed. Ook is een terras van 226 m2 aangelegd. Dat is volgens [partij A] en anderen bijna het dubbele van het aantal vierkante meters dat is vergund. De onjuiste afmetingen zijn dan ook gebruikt en om die reden had de alcoholwetvergunning niet verleend mogen worden. De burgemeester heeft de bezwaren van [partij A] en anderen ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft het besluit van 12 maart 2024 vernietigd, voor zover dat gaat over de exploitatievergunning. Weliswaar past de exploitatie van De Baron binnen het bestemmingsplan, maar de rechtbank vindt dat de burgemeester onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen nadelige invloed bestaat op het woon- en leefklimaat. Dat blijkt ook niet uit de toelichting op het bestemmingsplan. Anders dan toen de locatie een andere uitbater had, trekt De Baron nu meer bezoekers. Dat leidt tot meer parkeerdruk, meer geluid en een hogere frequentie van bevoorrading. Ook had de burgemeester aandacht moeten besteden aan de ruime openingstijden tot 02:00 uur of 03:00 uur, terwijl dit volgens de rechtbank niet past op de locatie waar De Baron is gevestigd. Zonder nadere voorschriften over openingstijden, bevoorradingstijden, bezoekersaantallen, het realiseren van voldoende parkeerplaatsen en een beperking van de omvang van het terras aan de achterkant, vindt de rechtbank dat het woon- en leefklimaat op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. Daarom moet de burgemeester van de rechtbank binnen zes weken na de datum van de uitspraak een nieuw besluit nemen over de aanvraag voor de exploitatievergunning.
De hoger beroepen
4. De Baron betoogt dat de rechtbank ten onrechte het beroep gegrond heeft verklaard, het besluit van 12 maart 2024 heeft vernietigd en de burgemeester heeft opgedragen een nieuw besluit te nemen. De burgemeester betoogt weliswaar dat het beroep terecht gegrond verklaard is en dat ook een nieuw besluit genomen moet worden, maar dat de rechtbank de ruimte die hij heeft om tot een nieuwe afweging te komen, teveel heeft ingeperkt. De rechtbank heeft daarbij teveel voorgeschreven over welke onderwerpen de burgemeester beperkende voorschriften moet opnemen in de exploitatievergunning van De Baron. De burgemeester verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling van 1 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2678. Over beperkende voorschriften over de openingstijden, parkeernormen, geluidsproductie, bezoekersaantallen en de omvang van het terras moet de burgemeester een eigen afweging kunnen maken. De Baron wijst er daarbij op dat de horecagelegenheid geopend is tot 21:00 uur, in plaats van de toegestane 02:00 of 03:00 uur. De Baron is dus niet geopend tot in de nachtelijke uren, zoals is toegestaan op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening Tilburg (APV). Overlast in de nachtelijke uren kan dan ook niet van De Baron afkomen. Bovendien zijn de klachten van [partij A] en anderen op grove wijze overdreven. Daarbij wijst De Baron op een geluidsmeting. Parkeeroverlast bestond verder ook al voordat De Baron begon met exploiteren, omdat er eerder ook al een horecagelegenheid op de locatie was gevestigd. Daarnaast is er een natuurgebied waar wandelaars op afkomen en is er een schietvereniging nabijgelegen. Dat leidt tot druk op het aantal beschikbare parkeerplekken. Ook heeft de rechtbank onjuiste feiten betrokken. Volgens De Baron en de burgemeester had de rechtbank alleen de terrassen mogen betrekken die bij de exploitatievergunning waren vergund. De rechtbank mocht dus niet een terras aan de achterzijde betrekken, aldus De Baron en de burgemeester.
Wettelijk kader
5. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
Beoordeling hoger beroep
6. Artikel 41 van de APV bepaalt dat de burgemeester een exploitatievergunning kan weigeren als hij naar zijn oordeel aanneemt dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf op nadelige wijze wordt beïnvloed of zal worden beïnvloed. Zoals de Afdeling heeft geoordeeld in de uitspraak van 1 december 2021, moet de burgemeester bij een dergelijk oordeel uitgaan van de feitelijke bedrijfsvoering. Ook moet de burgemeester een zelfstandig oordeel vormen over de vraag of de woon- en leefsituatie in de omgeving van horecagelegenheid op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.
6.1. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de burgemeester een nieuw besluit moet nemen op het bezwaar over de exploitatievergunning. In het besluit van 12 maart 2024 heeft de burgemeester namelijk onvoldoende gemotiveerd waarom geen sprake zou zijn van een nadelige beïnvloeding op de woon- en leefsituatie. De rechtbank heeft daarbij echter ten onrechte overwogen dat zonder nadere voorschriften over openingstijden, bevoorradingstijden en bezoekersaantallen, het realiseren van parkeerplaatsen en een beperking van de omvang van het terras aan de achterkant van de horecagelegenheid zonder meer sprake is van een ontoelaatbare nadelige invloed op de woon- en leefsituatie. Zoals uit de uitspraak van 1 december 2021 volgt, moet de burgemeester daarover zelfstandig een oordeel kunnen vormen. Omdat hij dat niet heeft gedaan, moet hij daartoe in de gelegenheid worden gesteld. Daarbij moet de burgemeester alle belangen en argumenten van De Baron en [partij A] en anderen betrekken.
Nader besluit
7. De rechtbank heeft de burgemeester opgedragen om binnen zes weken na de verzending van de uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar van [partij A] en anderen te nemen. De burgemeester heeft vervolgens de voorzieningenrechter van de Afdeling gevraagd om de werking van de uitspraak van de rechtbank op te schorten totdat op het hoger beroep is beslist. Bij uitspraak van 24 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3460, heeft de voorzieningenrechter het verzoek gedeeltelijk toegewezen en bepaald dat de burgemeester geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank, voor zover hem daarin is opgedragen bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar nadere voorschriften te stellen over openingstijden, bevoorradingstijden en bezoekersaantallen, het realiseren van voldoende (openbare) parkeerplaatsen en een beperking van de omvang van het terras aan de achterkant. De voorzieningenrechter heeft de burgemeester opnieuw opgedragen om binnen twee weken na verzending van de uitspraak een besluit op het bezwaar te nemen.
7.1. In de schriftelijke uiteenzetting van de burgemeester van 2 oktober 2025 heeft de burgemeester verklaard dat naar verwachting in november 2025 het besluit kon worden genomen. In een brief van 5 februari 2026 schrijft de burgemeester dat de beslissing uiterlijk in de tweede helft van maart 2026 kan worden genomen. In de brief van 4 maart 2026 en op de zitting bij de Afdeling heeft de burgemeester medegedeeld dat [partij A] en anderen en De Baron drie weken de tijd hebben gekregen om te reageren op een voorlopig ambtelijk standpunt, waarna het besluit op bezwaar kan worden genomen.
7.2. Gelet op deze verklaringen ziet de Afdeling aanleiding om de burgemeester op te dragen om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak een besluit op het bezwaar te nemen. De Afdeling zal daarbij bepalen dat de burgemeester voor elke dag dat hij die termijn overschrijdt, een dwangsom van € 100,- moet betalen aan zowel De Baron als [partij A] en anderen, met een maximum van € 15.000,-. De Afdeling vindt dat nodig, omdat de burgemeester ruim de tijd heeft gehad om een besluit op bezwaar te nemen. Ook is het in het belang van De Baron en [partij A] en anderen dat snel duidelijkheid wordt verkregen over de exploitatievergunning. De Afdeling zal geen toepassing geven aan de zogenoemde judiciële lus, zoals de burgemeester op de zitting heeft verzocht. De Afdeling vindt het belangrijk dat een nieuwe beslissing op bezwaar bij zowel de rechtbank als de Afdeling kan worden getoetst op rechtmatigheid.
Conclusie
8. De hoger beroepen zijn gegrond. De burgemeester moet met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling en de uitspraak van de rechtbank, voor zover deze niet is aangevochten, een nieuw besluit nemen. Daarvoor krijgt de burgemeester vier weken.
9. De burgemeester moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart de hoger beroepen gegrond;
II. draagt de burgemeester van Tilburg op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van wat daarin is overwogen een besluit op het bezwaar te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;
III. bepaalt dat de burgemeester van Tilburg een dwangsom verbeurt aan De Baron Udenhout B.V. voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn voor de bekendmaking van het besluit overschrijdt, waarbij de hoogte van de dwangsom € 100,- per dag bedraagt, met een maximum van € 15.000,-;
IV. bepaalt dat de burgemeester van Tilburg een dwangsom verbeurt aan [partij A], [partij B], [partij C], [partij D], [partij E] en [partij F] voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn voor de bekendmaking van het besluit overschrijdt, waarbij de hoogte van de dwangsom € 100,- per dag bedraagt, met een maximum van € 15.000,-, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
V. veroordeelt de burgemeester van Tilburg tot vergoeding van bij De Baron Udenhout B.V., in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,-, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
VI. gelast dat de burgemeester van Tilburg aan De Baron Udenhout B.V. het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 579,- vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.R. Renkema, griffier.
w.g. Besselink
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Renkema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026
1071
BIJLAGE
Alcoholwet
Artikel 3
1. Het is verboden zonder daartoe strekkende vergunning van de burgemeester het horecabedrijf of slijtersbedrijf uit te oefenen.
[…]
APV
Artikel 38
1. Het is de exploitant verboden om zonder vergunning van de burgemeester een inrichting te exploiteren.
2. De burgemeester kan aan de vergunning voorschriften verbinden.
3. De burgemeester kan door middel van een vergunningvoorschrift voor een of meer afzonderlijke inrichtingen andere sluitingstijden vaststellen dan de in artikel 32 genoemde.
[…]
Artikel 41
1. De burgemeester kan de vergunning weigeren als bedoeld in artikel 38, indien de vestiging of exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met het omgevingsplan.
2. De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in artikel 38 geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen, dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed of zal worden beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf.
3. Bij de toepassing van de in het tweede lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse blootstaat of zal komen te staan door de exploitatie van het horecabedrijf.
[…]