202404674/1/R2.
Datum uitspraak: 1 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend in America, gemeente Horst aan de Maas,
appellante,
en
het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 27 mei 2024 heeft het college aan [vergunninghoudster]. een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van verblijven voor arbeidsmigranten aan de [locatie] in America.
Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De maatschap heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 20 februari 2026, waar [appellante], bijgestaan door [persoon A], [persoon B] en [persoon C] en het college, vertegenwoordigd door mr. R.C.H. Schrömbges, zijn verschenen. Verder is op zitting de maatschap, vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat in Middelharnis, en [persoon D] en [persoon E], als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 25 augustus 2018. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. Deze zaak gaat over een omgevingsvergunning voor het bouwen van 24 wooneenheden voor 144 arbeidsmigranten in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas, nabij het dorp America. Aanvankelijk heeft het college de vergunning bij besluit van 6 december 2018 verleend, maar bij besluit van 19 augustus 2019 heeft het deze weer ingetrokken. Tegen deze intrekking is de maatschap in beroep en hoger beroep gegaan. Nadat de Afdeling het besluit in hoger beroep heeft vernietigd heeft het college de vergunning alsnog verleend. [appellante] verzet zich hiertegen, omdat zij vreest dat de toename van verkeer zal leiden tot onveilige situaties. Ook is zij bang dat de sociale veiligheid wordt aangetast.
3. De relevante wettelijke bepalingen en planregels zijn opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
Rechtstreeks beroep
4. In de uitspraak van 20 december 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4758) heeft de Afdeling het besluit van 19 augustus 2019 vernietigd, het besluit van 6 december 2018 herroepen en bepaald dat tegen het nieuw te nemen besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld. Partijen hebben ingestemd met rechtstreeks beroep bij de Afdeling als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Ingetrokken beroepsgrond
5. Op de zitting heeft [appellante] haar beroepsgrond dat de vergunde wooneenheden de natuur in het buitengebied aantasten, ingetrokken.
Verkeersveiligheid
6. [appellante] betoogt dat de verkeersveiligheid onevenredig wordt aangetast, zodat de geplande huisvesting in strijd is met artikel 3.5.3., aanhef en onder f, onder 4, van de planregels uit het bestemmingsplan "Buitengebied Horst aan de Maas". Hierover voert zij aan dat de huisvesting in het verlengde van de Schiksedijk aan de Eickhorsterweg komt te liggen. Dit is een weg met een landbouwsluis, waardoor gemotoriseerd verkeer er beperkt gebruik van kan maken. Dit verbetert de veiligheid van fietsers en wandelaars die de weg veel gebruiken. Elke extra gemotoriseerde verkeersbeweging over deze weg leidt volgens [appellante] tot een onevenredige aantasting van de verkeersveiligheid.
6.1. De Afdeling is van oordeel dat de huisvesting niet in strijd is met artikel 3.5.3, aanhef en onder f, onder 4, van de planregels. Het college heeft de afweging dat de verkeersveiligheid niet onevenredig wordt aangetast gebaseerd op het memo "Verkeerskundige beoordeling arbeidsmigranten huisvesting Eickhorsterweg" van bureau Cleverland van 20 februari 2024. De Schiksedijk en de Eickhorsterweg zijn in deze beoordeling getypeerd als erftoegangsweg type 2, op basis van richtlijnen van het CROW. Volgens deze richtlijnen is de maximaal wenselijke verkeersintensiteit op dit type weg 2500 motorvoertuigbewegingen per etmaal (mvt/etm). Als het aantal motorvoertuigbewegingen hoger is, wordt aangeraden de inrichting van de weg aan te passen. In het memo staat dat de huidige verkeersintensiteit op het drukste punt ongeveer 400 mvt/etm is. Dit is waar de Schiksedijk uitkomt op de Kabroekstraat in het dorp America. In het memo is ook een beoordeling gemaakt van de te verwachten gevolgen door de vergunde huisvesting voor de verkeersintensiteit. Deze zal in het slechtste geval toenemen met 346 mvt/etm. In werkelijkheid wordt dit aantal lager ingeschat, omdat de arbeidsmigranten met busjes van en naar de agrarische bedrijven worden gereden en nauwelijks bezoek zullen ontvangen.
6.2. Het college mocht zich baseren op de conclusies in het memo met de verkeerskundige beoordeling. Wat [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. [appellante] vreest voor grotere aantasting van de verkeersveiligheid dan uit het memo blijkt, maar zij heeft niet met concrete feiten of op een andere manier onderbouwd dat de conclusies in de verkeerskundige beoordeling onjuist zijn.
[appellante] heeft op zitting aan de hand van foto’s nog laten zien dat de weg momenteel op bepaalde plekken in slechte staat is. De vraag of de weg moet worden onderhouden maakt echter geen onderdeel uit van deze procedure. Ook wijst de Afdeling op de conclusie in het memo dat met de vergunde huisvesting de verkeersintensiteit nog ruim onder de 2500 mvt/etm zal blijven, zodat er ook uitgaande van de huidige staat van de weg geen aanleiding is om te oordelen dat het college de te verwachten verkeerssituatie niet aanvaardbaar mocht achten.
Het betoog slaagt niet.
Sociale veiligheid
7. Uit het beroepschrift en wat op zitting is besproken zijn geen redenen naar voren gekomen op grond waarvan de Afdeling tot het oordeel moet komen dat het college zich op het standpunt moet stellen dat de sociale veiligheid onevenredig wordt aangetast. Daarmee voldoet de vergunning aan de voorwaarde uit artikel 3.5.3, aanhef en onder f, onder 1, van de planregels.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Scheele, griffier.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Scheele
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026
723-1192
BIJLAGE
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 7:1a, eerste lid, luidt:
"In het bezwaarschrift kan de indiener het bestuursorgaan verzoeken in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter, zulks in afwijking van artikel 7:1."
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, luidt:
"Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
[…]"
Artikel 2.10 luidt:
"1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:
[…];
c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;
[…]"
Bestemmingsplan "Buitengebied Horst aan de Maas"
Artikel 3.5.3 luidt:
"In agrarische bedrijfsgebouwen is structurele huisvesting van agrarische arbeidsmigranten toegestaan, met dien verstande dat:
[…];
f. geen onevenredige aantasting mag plaatsvinden van:
1. de sociale veiligheid;
2. de milieusituatie;
3. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
4. de verkeersveiligheid;
5. gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing."