202307532/1/R2.
Datum uitspraak: 1 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Veen, gemeente Altena,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 12 oktober 2023 in zaak nr. 23/3523 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Altena.
Procesverloop
Bij brief van 20 december 2021 heeft het college aan [appellante] meegedeeld dat haar verzoek om handhavend op te treden tegen de permanente bewoning van de recreatiewoning op het perceel [locatie] in Veen en het op dat perceel bouwen zonder een omgevingsvergunning, niet inhoudelijk wordt behandeld.
Bij besluit van 2 juni 2022 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 12 oktober 2023 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 26 november 2025.
Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend.
[appellante] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft vervolgens de zaak op een zitting behandeld op 18 maart 2026.
Overwegingen
Vooraf
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het hoger beroep blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.
Inleiding
2. [appellante] heeft het college verzocht om handhavend op te treden tegen de permanente bewoning van de recreatiewoning op het perceel [locatie] in Veen (perceel) en het op dat perceel bouwen zonder een omgevingsvergunning. Het college heeft dat verzoek niet inhoudelijk behandeld, omdat [appellante] door het college niet wordt aangemerkt als een belanghebbende bij dat verzoek. Voor een verder verloop van de procedure wordt verwezen naar het procesverloop.
Beoordeling van het hoger beroep
3. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij wel belanghebbende is bij haar verzoek om handhavend op te treden. Zij wijst er in dat kader op dat zij ten tijde van het verzoek om handhaving stond ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [locatie] in Veen. Verder betoogt [appellante] dat het college te laat een besluit op bezwaar had genomen en dat de rechtbank daar ten onrechte geen consequenties aan heeft verbonden.
3.1. Wat door [appellante] in hoger beroep is aangevoerd komt in de kern neer op een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Afdeling ziet in wat door haar in hoger beroep is aangevoerd, geen aanleiding om anders te oordelen dan wat de rechtbank heeft gedaan. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en wat daarover in 4.1 en 5.2 tot en met 5.3 is overwogen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
5. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.D. Kamphorst-Timmer, griffier.
w.g. Van Gastel
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Kamphorst-Timmer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026
776