202307542/1/R1.
Datum uitspraak: 1 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. het college van burgemeester en wethouders van Haarlem,
2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], beiden wonend in Haarlem,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank NoordHolland van 30 oktober 2023 in zaak nr. 23/979 in het geding tussen:
het college
en
[appellanten sub 2]
Procesverloop
Bij besluit van 21 februari 2022 heeft het college geweigerd aan [appellanten sub 2] een omgevingsvergunning eerste fase te verlenen om af te wijken van het bestemmingsplan voor de uitbreiding van hun woning op het perceel [locatie] te Haarlem.
Bij besluit van 21 december 2022 heeft het college het door [appellanten sub 2] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 30 oktober 2023, gerectificeerd op 30 november 2023, heeft de rechtbank het door [appellanten sub 2] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 21 december 2022 vernietigd en het college opgedragen om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld. [appellanten sub 2] hebben incidenteel hoger beroep ingesteld.
[appellanten sub 2] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluit van 24 januari 2024 heeft het college het bezwaar van [appellanten sub 2] tegen het besluit van 21 februari 2022, onder aanvulling van de motivering, opnieuw ongegrond verklaard.
[appellanten sub 2] hebben tegen dit besluit gronden naar voren gebracht.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 6 februari 2026, waar [appellant sub 2B], en het college, vertegenwoordigd door mr. J.E. van Gilst, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 20 november 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. [appellanten sub 2] zijn de eigenaren en bewoners van de woning aan de [locatie] in Haarlem. De woning heeft een begane grond en een verdieping met een zadeldak. Het schuine dakvlak aan de achterzijde van de woning wordt onderbroken, doordat de achtergevel op de verdieping recht is opgetrokken. Aan de achterzijde is er op de begane grond een uitbouw.
[appellanten sub 2] hebben een omgevingsvergunning eerste fase aangevraagd om met toepassing van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo van het bestemmingsplan af te wijken om hun woning uit te breiden. Het bouwplan voorziet in een vergroting van de verdieping aan de achterzijde van de woning door de recht opgetrokken achtergevel op die verdieping 2,5 m naar achteren op te schuiven. Aan de achterzijde wordt verder de kap verhoogd en komt er een plat dak, zodat daar een tweede verdieping met stahoogte wordt gerealiseerd. Het bouwplan voorziet verder in een verlenging in hoogte van 1,36 m van het schuine dakvlak aan de voorzijde van de woning.
Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Pijlslaan e.o.". Dit bestemmingsplan heeft het karakter van een consoliderend plan, waarin de bestaande situatie als uitgangspunt is genomen. Het perceel heeft de bestemming "Wonen" met de bouwaanduiding "specifieke bouwaanduiding - recht optrekken achterzijde" en maatvoering "maximum goothoogte: 4 m". Binnen de bestemming "Wonen" gelden de bouwregels van artikel 25 van het bestemmingsplan. Het bouwplan is in strijd met de bouwregels van het bestemmingsplan. Het college wil geen medewerking verlenen aan afwijking van het bestemmingsplan. In het in bezwaar gehandhaafde besluit van 21 februari 2022 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het bouwplan uit stedenbouwkundig oogpunt in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
2.1. De rechtbank heeft overwogen dat de motivering van het college die aan het besluit op bezwaar ten grondslag ligt, te summier is. De rechtbank heeft daarom het besluit op bezwaar vernietigd. De rechtbank zag vervolgens geen aanleiding om op basis van de door het college in beroep gegeven nadere motivering de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Volgens de rechtbank heeft het college ten onrechte geen toepassing gegeven aan zijn beleid dat ertoe strekt uitbreidingen van woningen te faciliteren.
Het college heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. [appellanten sub 2] hebben incidenteel hoger beroep ingesteld.
2.2. Tijdens de zitting hebben [appellanten sub 2] hun incidenteel hoger beroep verduidelijkt en aangegeven dat het hen alleen gaat over de toepassing van artikel 25.1.1, onder j, aanhef en onder 1, van de planregels.
Strijd met het bestemmingsplan
3. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bouwplan niet in strijd is met artikel 25.1.1, onder d, van de planregels, waarin staat dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte' ten hoogste de aangegeven goothoogte van in dit geval 4 m is toegestaan. Volgens het college wordt de maximumgoothoogte overschreden. Het bouwplan voorziet volgens het college namelijk in een goothoogte van 8,7 m.
[appellanten sub 2] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bouwplan in strijd is met artikel 25.1.1, onder j, aanhef en onder 1, van de planregels. Volgens hen is de bouwhoogte van het bouwplan niet meer dan 4 m boven de feitelijke goothoogte van volgens hen 5,7 m.
3.1. In het in bezwaar gehandhaafde besluit van 21 februari 2022 is het college ervan uitgegaan dat het bouwplan in strijd is met de artikelen 25.1.1, onder d en 25.1.1, onder j, van de planregels.
Relevante planregels
3.2. Artikel 2.1 luidt: "Bij de toepassing van de regels wordt als volgt gemeten:
[…];
goothoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, dan wel de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
[…]."
Artikel 20.2 luidt: "Binnen de bestemming 'Wonen' gelden de bouwregels zoals aangegeven in artikel 25."
Artikel 25 luidt: "Voor het bouwen op de gronden van de in de daartoe aangegeven bestemmingen gelden de volgende regels naast de in de bestemming genoemde specifieke bouwregels."
Artikel 25.1.1, onder d, luidt: "ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte' is ten hoogste de aangegeven goothoogte toegestaan;"
Artikel 25.1.1, onder j, luidt: "als boven de (maximum) goothoogte wordt gebouwd, moet worden afgedekt met een kap of zadeldak:
1. waarvan de maximum bouwhoogte 4 m bedraagt, verticaal gemeten vanaf de goothoogte;
2. waarvan de dakhelling niet minder bedraagt dan 30 en niet meer dan 70 graden."
Artikel 25.1.1, onder p, luidt: "ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - recht optrekken achterzijde' mag de goot aan de achterzijde verhoogd worden voor een bouwlaag met een platte afdekking, als:
1. de hoogte van de bouwlaag boven de goothoogte niet meer dan 3 m bedraagt;
2. de bestaande nokhoogte niet wordt overschreden."
Strijd met artikel 25.1.1, onder d?
3.3. Op grond van artikel 25.1.1, onder d, en de op de verbeelding aangegeven hoogte, geldt op het perceel een maximumgoothoogte van 4 m. Het begrip "goothoogte" is in de planregels niet gedefinieerd. In artikel 2.1, van de planregels is geregeld op welke manier de goothoogte moet worden gemeten.
Het bouwplan voorziet in het ongeveer 2,5 m naar achteren zetten van de gevel op de eerste verdieping en het realiseren van een tweede verdieping met een schuin dakvlak. Volgens het college heeft het bouwplan hiermee een goothoogte van 8,7 m. [appellanten sub 2] stellen zich op het standpunt dat de goothoogte van het bouwplan 5,7 m is en gelijk is aan de goothoogte van een eerdere uitbreiding van de woning. De Afdeling constateert dat, wat ook zij van de daadwerkelijke goothoogte van het bouwplan, die goothoogte hoe dan ook meer bedraagt dan de maximumgoothoogte van 4 m. Artikel 25.1.1., onder p, van de planregels maakt het bij recht weliswaar mogelijk om de goot aan de achterzijde onder bepaalde voorwaarden te verhogen, maar verandert niet de toegelaten maximumgoothoogte die op de verbeelding is opgenomen en waar artikel 25.1.1, onder d, van de planregels naar verwijst. Bij de vraag of de maximumgoothoogte van artikel 25.1.1., onder d, wordt overschreden moet dus worden uitgegaan van de op de verbeelding opgenomen maximumgoothoogte van 4 m.
Het college is er naar het oordeel van de Afdeling dan ook terecht van uitgegaan dat het bouwplan in strijd is met artikel 25.1.1., onder d, van de planregels, omdat het voorziet in een goothoogte van meer dan 4 m. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
Het betoog van het college slaagt.
Strijd met artikel 25.1.1, onder j, aanhef en onder 1?
3.4. Het bestemmingsplan bevat voor de bestemming "Wonen" geen expliciete planregels over de toegestane bouwhoogte. Artikel 25.1.1, onder j, van de planregels gaat over de wijze van afdekking van een gebouw. Een gebouw moet worden afgedekt met een kap of zadeldak als boven de (maximum) goothoogte wordt gebouwd. In het artikelonderdeel, onder 2, is de dakhelling geregeld. Onder 1 is de toegestane hoogte van de kap of het zadeldak geregeld. De hoogte daarvan mag maximaal 4 m boven de goothoogte bedragen, verticaal gemeten vanaf de goothoogte. [appellanten sub 2] betogen dat hier niet staat maximumgoothoogte of toegestane goothoogte, waar dat elders in de planregels wel staat, zodat bij toepassing van dit artikel van de feitelijke aanwezige goothoogte moet worden uitgegaan.
Naar het oordeel van de Afdeling gaat het er bij onderdeel 1 van artikel 25.1.1., onder j, van de planregels om dat de hoogte van de kap of het zadeldak maximaal 4 m mag bedragen vanaf de toegestane maximumgoothoogte en niet, zoals [appellanten sub 2] aanvoeren, vanaf de plaats waar in een concreet geval de goothoogte feitelijk ligt. Bij de uitleg van [appellanten sub 2] zou met verhoging van de feitelijke goothoogte ook steeds de toegestane bouwhoogte worden verhoogd. Die uitleg kan daarom niet worden gevolgd. Steun voor de uitleg dat het gaat om 4 m vanaf de op de verbeelding aangegeven maximumbouwhoogte vindt de Afdeling behalve in de aard van het artikelonderdeel ook in de plantoelichting. In paragraaf 6.4.2.1 is geïllustreerd hoe de hoogte van een kap moet worden bepaald. Daarbij gaat het om 4 m vanaf de maximale goothoogte, waarbij voor de goothoogte wordt verwezen naar de kaart, waarmee de verbeelding van het bestemmingsplan wordt bedoeld. Vast staat dat de woning met het bouwplan een hoogte heeft van 8,7 m. Dat is meer dan 4 m boven de maximumgoothoogte van 4 m. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat het bouwplan in strijd is met artikel 25.1.1, onder j, aanhef en onder 1.
Het betoog van [appellanten sub 2] slaagt niet.
Is het besluit op bezwaar in strijd met het motiveringsbeginsel omdat het een te summiere motivering bevat?
4. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het besluit een te summiere, onvoldoende dragende, motivering bevat. Het college wijst er daarbij op dat het advies van de Adviescommissie voor bezwaarschriften (de Adviescommissie) deel uitmaakt van het besluit en dat daarin wordt verwezen naar het verweerschrift in bezwaar.
4.1. Op grond van artikel 7:12, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht dient de beslissing op het bezwaar te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld.
4.2. Het besluit van 21 februari 2022 komt erop neer dat het college uit stedenbouwkundig oogpunt niet bereid is mee te werken aan afwijking van het bestemmingsplan. Het college heeft zich daarbij gebaseerd op het advies van de gemeentelijke afdeling Omgevingsbeleid, team stedenbouw en planologie (de afdeling Omgevingsbeleid). Dat advies is in het besluit van 21 februari 2022 opgenomen. Daarin staat dat het rijtje woningen aan de Kortenaerstraat een bijzonder gaaf gebleven rij woningen is, wat bijdraagt aan de hoge kwaliteit van het straatbeeld. Met het bouwplan wordt de gewaardeerde eenheid volgens het college verstoord.
In het besluit op bezwaar is het besluit van 21 februari 2022 gehandhaafd. Het advies van de Adviescommissie maakt, zoals de rechtbank heeft onderkend, deel uit van het besluit. Het advies van de Adviescommissie bevat de motivering waarom het college bij zijn standpunt blijft dat hij uit stedenbouwkundig oogpunt niet bereid is mee te werken aan afwijking van het bestemmingsplan.
De rechtbank heeft overwogen dat in dat advies in zijn algemeenheid wordt ingegaan op de beoordelingsvrijheid van het college en dat daarin wordt verwezen naar de uitgebrachte adviezen en het verweerschrift in bezwaar. De Afdeling is van oordeel dat het besluit op bezwaar daarmee een kenbare motivering bevat. Dat de gegeven motivering summier is, mede omdat in het advies van de Adviescommissie wordt verwezen naar bepaalde stukken en in die stukken wordt verwezen naar andere stukken, maakt niet dat er geen kenbare motivering is gegeven.
Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank ten onrechte het besluit op bezwaar vernietigd wegens strijd met het motiveringsbeginsel. Aan de vraag of de gegeven motivering inhoudelijk gezien deugdelijk is en het college op grond daarvan heeft mogen weigeren om omgevingsvergunning te verlenen, is de rechtbank bij de beoordeling van de door [appellanten sub 2] tegen het besluit op bezwaar aangevoerde gronden ten onrechte niet toegekomen.
Het betoog slaagt.
4.3. Gelet op wat onder 4.2 is overwogen, zal de Afdeling de overige bij de rechtbank door [appellanten sub 2] aangevoerde beroepsgronden tegen het besluit op bezwaar beoordelen, nu de rechtbank daar niet aan is toegekomen.
Heeft het college mogen weigeren omgevingsvergunning te verlenen?
5. [appellanten sub 2] betogen dat het college de omgevingsvergunning niet heeft mogen weigeren. Zij voeren aan dat het college zich op basis van de door hem ingewonnen adviezen niet op het standpunt kon stellen dat het bouwplan uit stedenbouwkundig oogpunt niet wenselijk is. In dat kader stellen zij dat de toetsing door de afdeling Omgevingsbeleid niet inzichtelijk is, omdat het integrale advies ontbreekt.
Volgens [appellanten sub 2] leidt het bouwplan niet tot een verstoring van de eenheid van het straatbeeld. Zij stellen dat die eenheid al is aangetast, omdat de dakkapellen aan de voorzijde van de rij woningen, waartoe hun woning behoort, van elkaar verschillen in onder meer kleur en grootte en sommige woningen aan de achterzijde wel recht zijn opgetrokken en andere niet. Zij wijzen er verder op dat in Haarlem op veel plekken aanpassingen van het dakvlak plaatsvinden. Volgens [appellanten sub 2] hecht het college bovendien ten onrechte veel waarde aan de eenheid van het straatbeeld en het behoud van het ensemble, nu geen sprake is van een beschermde status van hun woning of de rij woningen.
Verder stellen [appellanten sub 2] dat het bouwplan in overeenstemming is met het gemeentelijke beleid, neergelegd in de nota "Nota Ruimtelijke Kwaliteit" en de nota "Nota Dak". Het beleid maakt volgens hen de dakopbouw mogelijk. Het verhogen van het dak wordt in die nota’s zelfs expliciet genoemd. Daarom had het college volgens hen moeten meewerken aan een nieuwe "trend" voor de Kortenaerstraat. Ook noemen [appellanten sub 2] deel 2 van de Nota Ruimtelijke Kwaliteit.
[appellanten sub 2] betogen verder dat het college in de afweging onvoldoende gewicht heeft toegekend aan hun belangen. Zij hebben een grote behoefte aan een extra slaapkamer.
5.1. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.
5.2. Over het in de Nota Ruimtelijke Kwaliteit en de Nota Dak neergelegde beleid heeft het college zich in het besluit op bezwaar terecht op het standpunt gesteld dat daarin weliswaar in algemene zin ruimte wordt geboden voor dakopbouwen, maar dat niet betekent dat het college gehouden is om in alle gevallen medewerking te verlenen aan een dakopbouw. In dit geval wenst het college daaraan geen medewerking te verlenen, omdat hij de in het bouwplan opgenomen dakopbouw uit stedenbouwkundig oogpunt niet wenselijk acht. De Afdeling ziet in wat [appellanten sub 2] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet op dat standpunt heeft mogen stellen.
Aan de hand van door hem ingewonnen adviezen van de afdeling Omgevingsbeleid, heeft het college toegelicht dat in dit geval het straatbeeld van het ensemble met name wordt bepaald door de duidelijk herkenbare woontypologie van één laag met kap. Weliswaar heeft de rij woningen geen bijzondere status, maar het college heeft toegelicht dat het een van de laatste ensembles in de wijk is die bestaat uit woningen van een laag met kap. Het college wil het ensemble behouden, omdat het een bijzonder woningtype is in de buurt en dit type woningen steeds meer verdwijnen door dakopbouwen.
De Afdeling overweegt dat als het bouwplan is gerealiseerd de nok van de woning wordt verhoogd. Daardoor wijkt de nokhoogte van de woning af van die van de overige woningen in de rij. Het college heeft zich daarom op het standpunt mogen stellen dat met het bouwplan de eenheid van het straatbeeld wordt verstoord. De Afdeling volgt [appellanten sub 2] niet in hun stelling dat het straatbeeld al aanzienlijk is aangetast. Weliswaar zijn er aan de voorzijde van de woningen in de straat dakkappellen in verschillende kleuren en grootte gerealiseerd, maar het college heeft zich op het standpunt mogen stellen dat deze een minimale invloed hebben op de eenheid van het straatbeeld, omdat ze allemaal op één lijn liggen en geen invloed hebben op de kenmerkende doorlopende goot en nok en de repeterende schoorstenen. Dat sommige woningen aan de achterzijde wel recht zijn opgetrokken en andere niet heeft het college terecht niet bij zijn afweging betrokken. De achterzijde van de woningen heeft in zoverre geen invloed op de eenheid van het straatbeeld. Over andere woningen in Haarlem waar [appellanten sub 2] op gewezen hebben, overweegt de Afdeling dat die woningen zich in andere straten bevinden en dus geen deel uitmaken van het ensemble, waarin hun woning zich bevindt. Voor zover [appellanten sub 2] met de verwijzing naar de andere woningen in Haarlem een beroep op het gelijkheidsbeginsel doen, overweegt de Afdeling dat om dezelfde reden geen sprake is van gelijke gevallen. Het college heeft er naar het oordeel van de Afdeling ook voor kunnen kiezen niet mee te werken aan een nieuwe trend in deze straat. Zoals hiervoor staat wil het college dit type woningen behouden, omdat het een bijzonder woningtype is in de buurt en dit type woningen steeds meer verdwijnen door dakopbouwen.
Gelet op wat hiervoor is overwogen heeft het college het bouwplan in strijd met een goede ruimtelijke ordening mogen achten.
De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de door het college gemaakte belangenafweging onevenredig is. Het college heeft het belang van een goede ruimtelijke ordening zwaarder mogen laten wegen dan het belang van [appellanten sub 2] om hun woning uit te breiden.
Het betoog slaagt niet.
Overschrijding redelijke termijn
6. [appellanten sub 2] hebben de Afdeling op de zitting verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het EVRM).
6.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan.
6.2. Het college heeft het bezwaarschrift van [appellanten sub 2] ontvangen op 24 maart 2022. De redelijke termijn is in deze procedure dus op het moment van deze uitspraak overschreden. Afgerond in maanden gaat het om overschrijding met 1 maand. Deze overschrijding moet aan het college en de Afdeling worden toegerekend. De overschrijding moet voor 3/7e deel aan het college en voor 4/7e deel aan de Afdeling worden toegerekend.
7. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 500,00.
Conclusie
8. Het hoger beroep van het college is gelet op wat onder 3.3 en 4.2 is overwogen gegrond. Het incidenteel hoger beroep van [appellanten sub 2] is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.
Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellanten sub 2] tegen het besluit van 21 december 2022 alsnog ongegrond verklaren. Dat betekent dat de weigering om omgevingsvergunning te verlenen in stand blijft.
Het besluit van 24 januari 2024
9. Bij besluit van 24 januari 2024 heeft het college, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw beslist op het door [appellanten sub 2] gemaakte bezwaar. Omdat dit besluit is genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank, komt door vernietiging van die uitspraak de grondslag aan dat besluit te ontvallen, zodat het alleen al daarom moet worden vernietigd. De Afdeling komt daarom niet toe aan de gronden die [appellanten sub 2] tegen dit besluit hebben aangevoerd.
Proceskosten
10. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Haarlem gegrond;
II. verklaart het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] ongegrond;
III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank NoordHolland van 30 oktober 2023 in zaak nr. 23/979;
IV. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] ongegrond;
V. vernietigt het besluit van het college van 24 januari 2024, kenmerk JZ/2023/1856628;
VI. wijst het verzoek om schadevergoeding toe;
VII. veroordeelt het college om aan [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] een schadevergoeding van € 214,30 te betalen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het college aan zijn verplichting heeft voldaan;
VIII. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] een schadevergoeding van € 285,70 te betalen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de Staat aan zijn verplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.
w.g. Van Gastel
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Heusden
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026
163-1036