ECLI:NL:RVS:2026:1826

ECLI:NL:RVS:2026:1826

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 01-04-2026
Datum publicatie 01-04-2026
Zaaknummer 202407238/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 8 november 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas aan [appellante] van 9 november 2020 tot 4 januari 2021 een tijdelijk verbod opgelegd tot het exploiteren van haar gastouderopvang. [appellante] exploiteert een gasthouderopvang. Een oud-stagiaire van de gastoudervang heeft op 22 oktober 2020 een melding gedaan van het vertonen van fysiek en verbaal agressief gedrag door [appellante] richting haar gastkinderen. Die melding heeft geleid tot verschillende overleggen tussen de burgemeester, de politie, het openbaar ministerie (OM), de GGD en Veilig Thuis (gezamenlijk: het scenarioteam). Op 4 november 2020 is het OM naar aanleiding van de melding een strafrechtelijk onderzoek gestart.

Uitspraak

202407238/1/A2.

Datum uitspraak: 1 april 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend in Horst, gemeente Horst aan de Maas,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 21 oktober 2024 in zaak nr. 21/1475 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas.

Procesverloop

Bij besluit van 8 november 2020 heeft het college aan [appellante] van 9 november 2020 tot 4 januari 2021 een tijdelijk verbod opgelegd tot het exploiteren van haar gastouderopvang.

Bij besluit van 22 december 2020 heeft het college het tijdelijk exploitatieverbod ingetrokken.

Bij besluit van 19 april 2021 heeft het college het door [appellante] tegen het besluit van 8 november 2020 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 oktober 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 3 november 2025, waar [appellante], bijgestaan door mr. F. Oehlen, advocaat in Sittard, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. van Moorsel, advocaat in Nijmegen, mr. K.G.P. Claessen en C.M.H. Wildeboer-Schut, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

Inleiding

2. [appellante] exploiteert een gasthouderopvang. Een oud-stagiaire van de gastoudervang heeft op 22 oktober 2020 een melding gedaan van het vertonen van fysiek en verbaal agressief gedrag door [appellante] richting haar gastkinderen. Die melding heeft geleid tot verschillende overleggen tussen de burgemeester, de politie, het openbaar ministerie (OM), de GGD en Veilig Thuis (gezamenlijk: het scenarioteam). Op 4 november 2020 is het OM naar aanleiding van de melding een strafrechtelijk onderzoek gestart.

Besluitvorming

3. Bij besluit van 8 november 2020, zoals gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 19 april 2021, heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de melding op zichzelf voldoende rechtvaardiging was voor de conclusie dat naar verwachting niet meer wordt voldaan aan het vereiste dat een gastouderopvang bijdraagt aan een goede en gezonde ontwikkeling van het kind in een veilige en gezonde omgeving. Het college heeft daaraan toegevoegd dat naar aanleiding van de melding, en voordat het tijdelijk exploitatieverbod is opgelegd, intensief overleg is gevoerd met het scenarioteam. Het OM heeft daarin medegedeeld dat gelet op de aard van de in de verklaring geuite klachten, de gedetailleerdheid van die klachten en een afweging van de betrokken belangen was besloten om een strafrechtelijk onderzoek te starten. Dit is voor het college aanleiding geweest om het tijdelijk exploitatieverbod op te leggen. Er heeft bij de besluitvorming dus een zorgvuldige afweging plaatsgevonden van de betrokken belangen, aldus het college.

4. De politie heeft op 14 december 2020 medegedeeld geen aanleiding te zien het strafrechtelijk onderzoek voort te zetten en heeft de zaak daarom stilgelegd. Het college heeft het exploitatieverbod daarop volgend bij besluit van 22 december 2020 ingetrokken.

Uitspraak van de rechtbank

5. De rechtbank heeft geoordeeld dat de melding, gelet op de inhoud daarvan en bezien in samenhang met de gevoerde overleggen met de ketenpartners en het feit dat de politie een strafrechtelijk onderzoek is gestart, voldoende is voor het oordeel dat aan het criterium ‘naar verwachting niet, of niet langer’ is voldaan, als bepaald in artikel 1.66, tweede lid, van de Wet kinderopvang (de Wko). Het college mocht daarom het tijdelijk exploitatieverbod opleggen. Hiervoor heeft de rechtbank van belang geacht dat de melding concreet en omvattend is, en veel belang toekomt aan de veiligheid van de kinderen, die gezien de jonge leeftijd niet de mogelijkheid hebben om te vertellen wat er gebeurt in de gastouderopvang. Ook hoefde het college niet zelf onderzoek te doen naar de juistheid van de melding, omdat het verbod is opgelegd terwijl er een strafrechtelijk onderzoek liep. Een onderzoek door het college zou het strafrechtelijk onderzoek mogelijk doorkruisen. Uit het uiteindelijke stilleggen van het onderzoek door de politie blijkt verder niet dat de melding onwaar is, maar slechts dat er geen concrete bevestiging is geweest voor de beschuldiging.

Beoordeling van het hoger beroep

6. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het college het exploitatieverbod mocht opleggen. De verwachting dat een gasthouderopvang niet of niet langer aan de gestelde kwaliteitseisen zal voldoen, moet steunen op concrete feiten en omstandigheden waarvan vaststaat dat deze zich hebben voorgedaan. Het college is voor het opleggen van het exploitatieverbod ten onrechte alleen uitgegaan van een vermoeden dat de gastouderopvang niet aan kwaliteitseisen zal voldoen. Zonder zelf nader onderzoek te verrichten mocht het college niet uitgaan van de juistheid van de melding. Dat overleg heeft plaatsgevonden met het scenarioteam, maakt dit niet anders. Verder is niet onderbouwd of toegelicht wat de melding concreet en omvattend maakt. Ook is er geen sprake geweest van een redelijk vermoeden van schuld van [appellante] aan een strafbaar feit en is ten onrechte niet meegewogen dat het strafrechtelijk onderzoek geen concrete bevestiging heeft opgeleverd van de beschuldigingen uit de melding.

6.1. Artikel 1.66, tweede lid, van de Wko bepaalt dat indien uit een onderzoek als bedoeld in artikel 1.62 of anderszins blijkt dat het kindercentrum, de voorziening voor gastouderopvang of het gastouderbureau naar verwachting niet dan wel niet langer aan de bij of krachtens de artikelen 1.48d, tweede en derde lid, 1.49 tot en met 1.59, 1.60a en 1.60c gegeven voorschriften zal voldoen, het college zolang die situatie zich voordoet, de houder kan verbieden dat kindercentrum, die voorziening voor gastouderopvang of dat gastouderbureau in exploitatie te nemen of te houden.

6.2. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college de gastouderopvang op grond van artikel 1.66 van de Wko tijdelijk mocht sluiten. Uit de ernst van de feiten in de melding, in samenhang gezien met de omstandigheid dat het college uitvoerig overleg heeft gevoerd met verschillende ketenpartners, zoals de GGD en Veilig Thuis, mocht het college de verwachting ontlenen dat de gastouderopvang niet meer voldeed aan de eisen die de Wko daaraan stelt. Anders dan [appellante] betoogt, is daarvoor niet van belang dat de feiten zijn bewezen of dat een redelijk vermoeden van schuld van een strafbaar feit is vastgesteld. Daarbij kan zij ook niet worden gevolgd in de stelling dat het college geen eigen onderzoek heeft verricht naar de melding, nu het college naar aanleiding van de melding via het scenarioteam contact heeft gehad met de nodige autoriteiten en overleg met hen heeft gevoerd alvorens tot tijdelijke sluiting is overgaan. Daarbij komt dat het bij een gastouderopvang gaat om kleine kinderen in een kwetsbare positie, waaraan het college een zwaarder gewicht mocht toekennen dan aan de belangen van [appellante] de gastouderopvang gedurende een tijdelijke periode open te houden. Verder is van belang dat een tijdelijk exploitatieverbod een minder vergaande maatregel is dan een permanent exploitatieverbod. Daarmee onderscheid deze zaak zich in wezenlijke zin van de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1103, waarin een permanent exploitatieverbod is opgelegd. Voorts is voor het antwoord op de vraag of het college de gastouderopvang tijdelijk mocht sluiten, niet van belang dat het nadien uitgevoerde strafrechtelijke onderzoek is stilgelegd. Dit is een omstandigheid die zich heeft voorgedaan na het besluit tot sluiting. Overigens heeft het college het tijdelijk exploitatieverbod ingetrokken zodra bekend werd dat de politie het onderzoek had stilgelegd. Het betoog slaagt niet.

Conclusie

7. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Verzoek om schadevergoeding

8. [appellante] heeft hangende het hoger beroep een verzoek om schadevergoeding gedaan wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure.

8.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188) is in beginsel de redelijke termijn overschreden als in een zaak als deze, met een bezwaar, een beroep en een hoger beroep, de totale procedure meer dan vier jaar heeft geduurd. Als de redelijke termijn is overschreden, heeft voor de toerekening van die termijnoverschrijding aan het bestuursorgaan, respectievelijk de rechter, als uitgangspunt te gelden dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd als deze langer dan een half jaar heeft geduurd, de fase bij de rechtbank onredelijk lang heeft geduurd als deze langer dan anderhalf jaar heeft geduurd en de fase in hoger beroep onredelijk lang heeft geduurd als deze langer dan twee jaar heeft geduurd.

8.2. Het bezwaar van [appellante] tegen het besluit van 8 november 2020 is door het college ontvangen op 20 november 2020. Met deze uitspraak van de Afdeling is de procedure beëindigd. Daarmee heeft de totale procedure 5 jaar en ruim 4 maanden geduurd. De redelijke termijn is dus overschreden met ongeveer 16 maanden.

8.3. De overschrijding van de redelijke termijn is toe te rekenen aan de rechtbank. Uitgaande van een schadebedrag van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, kent de Afdeling aan [appellante] een schadevergoeding toe van € 1.500,00, volledig ten laste van de minister van Justitie en Veiligheid.

Proceskosten

9. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

10. De minister van Justitie en Veiligheid moet de proceskosten vergoeden voor het verzoek om schadevergoeding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de minister van Justitie en Veiligheid om aan [appellante] een vergoeding voor immateriële schade van € 1.500,00 vanwege overschrijding van de redelijke termijn te betalen;

III. veroordeelt de minister van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 453,50.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.T.J. van de Voort, griffier.

w.g. Drop

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van de Voort

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026

1062

BIJLAGE

WETTELIJK KADER

Wet kinderopvang

Artikel 1.49

[…].

3. Een houder van een voorziening voor gastouderopvang biedt verantwoorde gastouderopvang aan waaronder wordt verstaan opvang die bijdraagt aan een goede en gezonde ontwikkeling van het kind in een veilige en gezonde omgeving.

[…].

Artikel 1.66

1. Het college kan de houder verbieden de exploitatie van een kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang of een gastouderbureau voort te zetten, zolang hij een bevel of aanwijzing niet opvolgt en het opleggen van een last onder bestuursdwang niet mogelijk is.

2. Indien uit een onderzoek als bedoeld in artikel 1.62 of anderszins blijkt dat het kindercentrum, de voorziening voor gastouderopvang of het gastouderbureau naar verwachting niet dan wel niet langer aan de bij of krachtens de artikelen 1.48d, tweede en derde lid, 1.49 tot en met 1.59, 1.60a en 1.60c gegeven voorschriften zal voldoen, kan het college zolang die situatie zich voordoet, de houder verbieden dat kindercentrum, die voorziening voor gastouderopvang of dat gastouderbureau in exploitatie te nemen of te houden.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. D.T.J. van de Voort

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?