202505923/1/A2.
Datum uitspraak: 1 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in Amsterdam,
appellant,
en
het college van bestuur van de Vrije Universiteit Amsterdam (CvB),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 18 september 2025 heeft het CvB het verzoek van [appellant] om inschrijving voor de masteropleiding Business Administration in studiejaar 2025-2026, afgewezen.
Bij beslissing van 3 november 2025 heeft het CvB het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen deze beslissing heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het CvB heeft een verweerschrift ingediend.
Het CvB heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 februari 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. R. Verspaandonk, en het CvB, vertegenwoordigd door mr. M. Lukić, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] heeft een bacheloropleiding Bioinformatics gevolgd aan de University of Birmingham in Engeland. Hij heeft op 1 november 2024 verzocht om inschrijving voor de masteropleiding Business Administration aan de VU in studiejaar 2025-2026. [appellant] moest uiterlijk op 31 augustus 2025 onder meer een diploma van zijn bacheloropleiding indienen om te voldoen aan de inschrijvingsvoorwaarden van de VU.
2. De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage van deze uitspraak.
Beslissingen van het CvB en ingediende documenten
3. Bij beslissing van 18 september 2025, gehandhaafd bij beslissing van 3 november 2025, heeft het CvB het verzoek afgewezen omdat [appellant] niet voldoet aan de inschrijvingsvoorwaarden als bedoeld in artikel 2 van de Regeling aanmelding en inschrijving 2025-2026 van het CvB. Hij heeft namelijk niet op tijd een kopie van zijn diploma ingediend. Dat is hem, namens het CvB, op 18 februari 2025 medegedeeld en vervolgens is hij er drie keer aan herinnerd om hieraan te voldoen, namelijk op 31 juli 2025, 20 augustus 2025 en 27 augustus 2025. Hoewel de toelatingscommissie op 2 september 2025 heeft beslist dat [appellant] op grond van een beoordeling van het niveau van zijn vooropleiding toelaatbaar is, heeft hij dus niet een diploma van de bacheloropleiding met een afgiftedatum vóór 1 september 2025 overgelegd. Bij wijze van tegemoetkoming in de bezwaarfase heeft het CvB hem in de gelegenheid gesteld om vóór 1 oktober 2025 alsnog het diploma, dat vóór 1 september 2025 aan hem is toegekend, in te dienen. Omdat [appellant] dat niet heeft gedaan, heeft het CvB vastgehouden aan de afwijzing van het verzoek.
4. Verder heeft [appellant] voor zijn inschrijving andere documenten ingediend. Hij heeft gewezen op een op 24 september 2025 ingediend Statement of Graduation van 4 september 2025, waarin een verklaring van een docent van de universiteit van Birmingham over zijn afstuderen is opgenomen. Daarnaast heeft [appellant] een Academic Transcript van 23 september 2025, met een vastgestelde cijferlijst van de universiteit van Birmingham, op 13 oktober 2025 ingediend.
5. Ook heeft [appellant] bij zijn beroepschrift van 1 december 2025 alsnog een kopie van zijn diploma van de bacheloropleiding ingediend, dat is gedateerd op 23 september 2025.
Beroep
Toelatingsbesluit
6. [appellant] voert aan dat het CvB ten onrechte heeft geconcludeerd dat hij niet voldoet aan de inschrijvingsvoorwaarden. De toelatingscommissie heeft hem op 2 september 2025 een positief toelatingsbesluit gegeven. In het toelatingsbesluit staat ook dat hij onvoorwaardelijk is toegelaten. Daarbij komt dat het toelatingsbesluit na 1 september 2025 is genomen.
6.1. Op grond van artikel 7.33, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (Whw) geschiedt de inschrijving overeenkomstig door het instellingsbestuur vast te stellen regels van procedurele aard. Het CvB heeft deze regels vastgesteld in de Regeling aanmelding en inschrijving 2025-2026. Uit artikel 2, vijfde en achtste lid, van de Regeling volgt dat [appellant] uiterlijk op 31 augustus 2025 een gewaarmerkte kopie van zijn vooropleiding ter verificatie moest overleggen. Verder volgt uit artikel 2.3 van de Regeling dat hij daarnaast een positief toelatingsbesluit van de toelatingscommissie nodig heeft. Dat betekent dat, anders dan [appellant] stelt, een positief toelatingsbesluit op zichzelf niet voldoende is om ingeschreven te worden voor de opleiding. De Afdeling gaat hierna in op het betoog van [appellant] over de inhoud van het toelatingsbesluit.
6.2. Het CvB heeft toegelicht dat voor het nemen van een toelatingsbesluit de inhoud en het niveau van de vooropleiding worden beoordeeld op grond van onder meer vakomschrijvingen. Voor het nemen van een toelatingsbesluit is daarom nog geen kopie van een diploma vereist. In een e-mail van het CvB aan [appellant] van 18 februari 2025 over zijn toelating staat dat hij onder meer twee cursuscertificaten en zijn diploma uiterlijk op 31 augustus 2025 moet indienen. [appellant] heeft uiteindelijk op 29 augustus 2025 de cursuscertificaten ingediend, waarna de toelatingscommissie het toelatingsbesluit heeft genomen.
6.3. De Afdeling wijst erop dat in het toelatingsbesluit van 2 september 2025 weliswaar staat dat [appellant] onvoorwaardelijk is toegelaten, maar daarin staat ook dat hij pas wordt ingeschreven zodra hij aan alle inschrijfvoorwaarden van de Regeling heeft voldaan. Uit het toelatingsbesluit volgt dus niet dat hij wordt ingeschreven. Bovendien is [appellant] op 31 juli 2025, 20 augustus 2025 en 27 augustus 2025 eraan herinnerd dat hij nog niet voldoet aan de inschrijfvoorwaarden en hij uiterlijk op 31 augustus 2025 onder meer zijn diploma moet indienen. Voor zover [appellant] ook bedoelt te betogen dat hij op grond van het toelatingsbesluit erop mocht vertrouwen dat hij wordt ingeschreven, wijst de Afdeling op de voornoemde zin in het toelatingsbesluit en de drie herinneringen van het CvB.
6.4. Het betoog slaagt niet.
Diploma en de hardheidsclausule
7. [appellant] betoogt dat het CvB een hardheidsclausule had moeten toepassen. Het CvB heeft hem alsnog tot 1 oktober 2025 de gelegenheid gegeven om zijn diploma van de bacheloropleiding in te dienen, met een afgiftedatum vóór 1 september 2025. De universiteit van Birmingham hanteert een ander beleid over het moment van afgifte van diploma’s en had administratieve problemen, waarvan hij de dupe is geworden. Alle onderwijsonderdelen zijn vóór 1 september 2025 afgerond en het diploma strekt slechts tot verificatie daarvan. Uit het op 24 september 2025 ingediende Statement of Graduation en het op 13 oktober 2025 ingediende Academic Transcript van de universiteit van Birmingham, volgt ook dat alle onderdelen van de bacheloropleiding vóór 1 september 2025 zijn afgerond. Verder heeft [appellant] op 1 december 2025 alsnog een kopie van zijn diploma ingediend, dat is gedateerd op 23 september 2025. Het was hem niet bekend dat het diploma moet zijn afgegeven vóór 1 september 2025. De afwijzing van zijn verzoek staat verder niet in verhouding tot het jaar studievertraging dat hij oploopt, dat hem zwaar treft als slachtoffer van mensenhandel en student met PTSS.
7.1. Namens [appellant] is niet uiteengezet in welke bepaling een hardheidsclausule is opgenomen die van toepassing is bij de beoordeling van een verzoek om inschrijving. Voor zover hij bedoelt te betogen dat de beslissing van het CvB onevenredige gevolgen heeft, overweegt de Afdeling het volgende.
7.2. Na het verzoek van [appellant] om inschrijving heeft de VU hem medegedeeld en eraan herinnerd dat hij het diploma van zijn bacheloropleiding uiterlijk op 31 augustus 2025 moest inleveren. Het CvB heeft in september bij wijze van tegemoetkoming de indieningstermijn van het diploma van [appellant] verlengd tot 1 oktober 2025. [appellant] heeft vervolgens pas in beroep, dat is ingesteld op 1 december 2025, zijn diploma dat op 23 september 2025 is afgegeven ingediend. Wat er ook zij van de voorwaarde van het CvB dat het diploma moet zijn afgegeven vóór 1 september 2025, [appellant] heeft zijn diploma dus pas na de indieningstermijn ingediend. Voor zover deze verlate indiening het gevolg is van het beleid en administratieve problemen van de universiteit van Birmingham, had [appellant] hierover tijdig en adequaat contact moeten opnemen met het CvB. Bovendien heeft het CvB reeds uitstel van een maand verleend aan [appellant]. Het CvB mocht zich daarom op het standpunt stellen dat [appellant] zijn diploma te laat heeft ingediend voor zijn inschrijving.
7.3. Verder heeft [appellant] een Statement of Graduation van 4 september 2025 ingediend op 24 september 2025. In het Statement of Graduation is namens de universiteit van Birmingham verklaard dat [appellant] zijn vakken heeft afgerond maar dat de afstudeerdatum nog niet bekend is, omdat de toekenning van het diploma nog wacht op de bevestiging van een ‘external examiner’. Omdat hieruit niet volgt dat het diploma definitief is toegekend noch op welke datum dat wel wordt toegekend, was het CvB alleen al daarom niet gehouden om [appellant] op basis van het Statement of Graduation alsnog in te schrijven. Daarnaast heeft [appellant] een Academic Transcript, met een vastgestelde cijferlijst van de universiteit van Birmingham, van 23 september 2025 pas op 13 oktober 2025 ingediend. Voor zover het Academic Transcript al als gelijkwaardig aan een diploma kan worden aangemerkt, is dat pas na de verlengde termijn en dus te laat ingediend.
7.4. Er zijn verder geen onderbouwde aanwijzingen dat de beslissing onevenredige gevolgen heeft voor [appellant], die maken dat het CvB zijn verzoek had moeten toekennen. Het CvB mocht het verzoek daarom afwijzen.
7.5. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond.
9. Het CvB hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Schuurman, griffier.
w.g. Daalder
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Schuurman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026
1100
Bijlage
Relevante regelgeving
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
Artikel 7.33
1. Onverminderd artikel 7.39, geschiedt de inschrijving overeenkomstig door het instellingsbestuur vast te stellen regels van procedurele aard.
2. Aan degene die is ingeschreven, wordt door het instellingsbestuur een bewijs van inschrijving verstrekt, waarin zijn rechten zijn omschreven.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de in het eerste lid bedoelde regels.
Regeling aanmelding en inschrijving 2025-2026 van de VU
2. ALGEMENE INSCHRIJVINGSVOORWAARDEN EERSTE INSCHRIJVING BACHELOR, MASTER EN PREMASTER
[…]
5. Verificatie vooropleiding en (eventuele) aanvullende eisen: de aspirant-student levert een gewaarmerkte kopie van een toelating gevende vooropleiding aan wanneer er geen verificatie via Studielink mogelijk is.
[…]
8. Aan alle inschrijfvoorwaarden is uiterlijk 31 augustus 2025 (instroom per 1 september 2025) of 31 januari 2026 (instroom per 1 februari 2026) voldaan.
2.3 AANVULLENDE INSCHRIJVINGSVOORWAARDEN EERSTE INSCHRIJVING MASTER
1. Toelatingsbewijs (toelating): positief toelatingsbesluit (digitaal).