202505740/1/R4.
Datum uitspraak: 1 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb )in het geding tussen:
[appellante], wonend in Rijswijk,
appellante,
en
het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 3 oktober 2025 heeft het college zijn beslissing om op 23 september 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening gemeente Rijswijk 2021 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 159,05 voor rekening van [appellante] komen.
Bij besluit van 28 oktober 2025 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
1. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een afvalzak met daarin een papierstuk, die op 23 september 2025 is aangetroffen naast de ondergrondse afvalcontainers ter hoogte van de Prins Johan Friso Promenade 111 in Rijswijk. Het college is ervan uitgegaan dat [appellante] de afvalzak met daarin een papierstuk, verkeerd heeft aangeboden, omdat haar naam en adres op het papierstuk staan.
2. [appellante] betoogt dat de gemeente haar ten onrechte als overtreder heeft aangemerkt. Volgens haar vormt de gevonden afvalzak met daarin haar adresgegevens geen volledig bewijs. Zij stelt dat het bewijsvermoeden alleen stand kan houden als geen twijfel bestaat dat de betrokkene de overtreding heeft begaan. Volgens [appellante] is daarvan in dit geval geen sprake. Zij voert aan dat de container vol zat, waardoor afval daaruit kan vallen, eruit kan steken of eruit kan worden getrokken. Onder die omstandigheden kan afval volgens haar zonder toedoen van een burger op de grond terechtkomen.
Verder betoogt [appellante] dat ten tijde van de constatering sprake was van wegwerkzaamheden en het gebruik van tijdelijke containers, wat overlast veroorzaakte. Volgens haar stonden er daardoor grote tijdelijke afvalcontainers die overvol waren. [appellante] stelt dat deze omstandigheden bijzonder en afwijkend waren en dat het bewijsvermoeden daarom kritisch moet worden beoordeeld. In dit verband beroep zij zich op de uitspraak van de Afdeling van 1 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1558.
[appellante] voert ook aan dat zij haar afval nooit naast de container plaatst. Zij wijst erop dat zij al twaalf jaar in Rijswijk woont en in die periode nooit een boete of waarschuwing heeft ontvangen. Volgens [appellante] is ook dat een relevant gegeven. Daarnaast stelt zij dat in de avonduren jongeren bij de containers rondhangen, wat eraan kan bijdragen dat afval uit de containers wordt getrokken of zonder haar toedoen op de grond terechtkomt.
Tot slot betoogt [appellante] dat de gemeente geen nader onderzoek heeft verricht. Volgens haar is het besluit daarom onvoldoende zorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd. Zij stelt dat de gemeente zich ten onrechte slechts heeft gebaseerd op het bewijsvermoeden dat volgt uit het aantreffen van haar adresgegevens in de afvalzak.
3. Artikel 11, vierde lid, van de Afvalstoffenverordening Rijswijk 2021 houdt in dat huishoudelijke afvalstoffen via een inzamelvoorziening ten behoeve van een groep percelen alleen mogen worden aangeboden op de wijze die het college daarvoor heeft vastgesteld.
4. Indien verkeerd aangeboden huishoudelijk afval tot een bepaalde persoon is te herleiden, bijvoorbeeld door middel van een daarin aangetroffen poststuk, mag er volgens vaste rechtspraak van de Afdeling van worden uitgegaan dat dit afval door de betrokkene op onjuiste wijze ter inzameling is aangeboden en dat hij derhalve de overtreder is (hierna: het bewijsvermoeden). Voor het mogen hanteren van dit bewijsvermoeden is voldoende dat in het afval één tot de betrokkene te herleiden poststuk is aangetroffen.
4.1. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij niet degene is geweest die de afvalzak onjuist ter inzameling heeft aangeboden. Dat de container volgens haar vol was en afval daaruit kan vallen, eruit kan steken of eruit kan worden getrokken, is daarvoor onvoldoende. Datzelfde geldt voor haar stelling dat ten tijde van de constatering wegens wegwerkzaamheden gebruik werd gemaakt van tijdelijke containers en dat deze overvol waren. Deze omstandigheden maken op zichzelf niet aannemelijk dat de aangetroffen afvalzak buiten haar toedoen naast de container terecht is gekomen. Ook met [appellante] haar verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 1 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1558, maakt zij niet aannemelijk dat het bewijsvermoeden in dit geval moet worden doorbroken. De Afdeling is met het college van oordeel dat die uitspraak, zoals het college in zijn verweerschrift terecht heeft toegelicht, een ander geval betreft dan hier aan de orde.
Voor zover [appellante] met haar betoog over de volle container naar voren heeft willen brengen dat de afvalzak als gevolg van de overvolle container buiten haar toedoen op de grond is terechtgekomen, leidt ook dat niet tot het oordeel dat zij het bewijsvermoeden heeft weerlegd. Van degene die huishoudelijk afval aanbiedt, mag worden verwacht dat hij nagaat of het afval op juiste wijze in de container kan worden gedeponeerd. Indien een container zodanig vol is dat dit niet mogelijk is, kan worden uitgeweken naar een andere container of kan het afval worden bewaard totdat het op juiste wijze ter inzameling kan worden aangeboden. Dat [appellante] stelt dat zij haar afval nooit naast de container plaatst en dat zij in de twaalf jaar dat zij in Rijswijk woont niet eerder een boete of waarschuwing heeft ontvangen, leidt niet tot een ander oordeel. Ook daarin ligt geen concrete aanwijzing besloten dat zij in dit geval niet degene is geweest die de overtreding heeft begaan. Voor zover [appellante] betoogt dat het college nader onderzoek had moeten verrichten, bestaat daarvoor geen grond. Nu in de afvalzak een tot haar te herleiden poststuk is aangetroffen en zij het daaruit voortvloeiende bewijsvermoeden niet heeft weerlegd, mocht het college ervan uitgaan dat zij de overtreder is.
Het betoog slaagt niet.
5. Het beroep is ongegrond.
6. hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. G.O. van Veldhuizen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. Klingers, griffier.
w.g. Van Veldhuizen
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Klingers
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026
341