ECLI:NL:RVS:2026:1830

ECLI:NL:RVS:2026:1830

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 01-04-2026
Datum publicatie 01-04-2026
Zaaknummer 202500415/1/R3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Bij besluit van 28 november 2024 heeft de raad van de gemeente Rotterdam het bestemmingsplan "Folkert Elsingastraat" vastgesteld. Het plan heeft betrekking op het kantoorpand en sportcomplex tussen de Folkert Elsingastraat, De Waghemakerestraat en de Koningslaan. Het bestemmingsplan maakt de realisering van vier appartementencomplexen met maximaal 275 woningen en een parkeergarage op de begane grond alsmede sportvoorzieningen mogelijk. De appartementencomplexen zullen in opdracht van HDFE B.V. worden gerealiseerd. Een deel van de gronden is in eigendom van de gemeente. HDFE B.V. heeft gronden in erfpacht. De bewonerscommissie vreest voor een aantasting van het woon- en leefklimaat van de bewoners. De bewonerscommissie betoogt dat het fair-playbeginsel is geschonden omdat de plannen om 275 woningen mogelijk te maken op 22 juni 2022 aan de bewoners zijn gepresenteerd als een voldongen feit en omdat niet alleen ruimtelijke ordeningsbelangen maar ook privaatrechtelijke belangen aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. In dit kader wijst de bewonerscommissie erop dat de gemeente de eigendom van gronden in het plangebied heeft.

Uitspraak

202500415/1/R3.

Datum uitspraak: 1 april 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

Bewonerscommissie Princestaete, gevestigd in Rotterdam,

appellante,

en

de raad van de gemeente Rotterdam,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 november 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Folkert Elsingastraat" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft de bewonerscommissie beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 9 maart 2026, waar de bewonerscommissie, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], en de raad, vertegenwoordigd door mr. M.A.C. Kooij, mr. A.M.H. Dellaert, mr. C.A.E. Colard en T.M. Roos zijn verschenen. Voorts is ter zitting HDFE B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde C], als partij gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is. Het ontwerpplan is op 22 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Crisis- en herstelwet, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Inleiding

2. Het plan heeft betrekking op het kantoorpand en sportcomplex tussen de Folkert Elsingastraat, De Waghemakerestraat en de Koningslaan. Het bestemmingsplan maakt de realisering van vier appartementencomplexen met maximaal 275 woningen en een parkeergarage op de begane grond alsmede sportvoorzieningen mogelijk. De appartementencomplexen zullen in opdracht van HDFE B.V. worden gerealiseerd. Een deel van de gronden is in eigendom van de gemeente. HDFE B.V. heeft gronden in erfpacht. De bewonerscommissie vreest voor een aantasting van het woon- en leefklimaat van de bewoners.

Ingetrokken beroepsgrond

3. De bewonerscommissie heeft op de zitting haar beroepsgrond dat niet alle verkeersbewegingen die zullen plaatsvinden ten behoeve van de realisering van het plan zijn betrokken in het "Memo Stikstofberekeningen" van RHO Adviseurs van 27 februari 2024, ingetrokken.

Toetsingskader

4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

Fair-playbeginsel

5. De bewonerscommissie betoogt dat het fair-playbeginsel is geschonden omdat de plannen om 275 woningen mogelijk te maken op 22 juni 2022 aan de bewoners zijn gepresenteerd als een voldongen feit en omdat niet alleen ruimtelijke ordeningsbelangen maar ook privaatrechtelijke belangen aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. In dit kader wijst de bewonerscommissie erop dat de gemeente de eigendom van gronden in het plangebied heeft.

5.1. Artikel 2:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) luidt: "Het bestuursorgaan vervult zijn taak zonder vooringenomenheid".

5.2. Het bieden van inspraak voorafgaande aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan op 22 december 2023 maakt geen onderdeel uit van de in de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Het niet bieden van inspraak in die eerdere fase heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan. In overeenstemming met artikel 3, eerste lid, van de Verordening inspraak, digitale meningspeiling, burgerinitiatief en referenda Rotterdam 2018 is afdeling 3.4 van de Awb gevolgd bij de voorbereiding van het bestemmingsplan. Een ieder is in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze over het ontwerpbestemmingsplan naar voren te brengen. Dat heeft de bewonerscommissie ook gedaan. De raad heeft in de Nota zienswijzen uiteengezet waarom de door de bewonerscommissie naar voren gebrachte zienswijze niet heeft geleid tot aanpassing van het plan.

5.3. Verder overweegt de Afdeling dat anders, dan de bewonerscommissie veronderstelt, privaatrechtelijke belangen, waaronder die van de gemeente, belangen zijn die naast de ruimtelijke belangen kunnen worden betrokken bij de afweging die plaatsvindt in het kader van de vaststelling van een bestemmingsplan. In de plantoelichting staat dat in de periode 2021 tot 2030 in de Rotterdamse regio behoefte bestaat aan 61.000 woningen en dat de gemeente Rotterdam zich inzet om 30.000 woningen aan de voorraad toe te voegen. Verder staat in de plantoelichting dat op grond van de Nationale Omgevingsvisie zo veel mogelijk wordt gebouwd in bestaand stedelijk gebied, zodat open ruimtes en groen tussen steden behouden blijven. In de plantoelichting wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling in het plangebied bijdraagt aan het voorzien in de woningbehoefte van de stadsregio Rotterdam en plaatsvindt binnen bestaand stedelijk gebied. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de gemeentelijke grondpositie leidend zou zijn geweest bij de aan het plan ten grondslag gelegde afweging. De Afdeling ziet dan ook evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad bij het nemen van het bestreden besluit zijn taak in strijd met artikel 2:4, eerste lid, van de Awb vooringenomen zou hebben verricht of dat het plan uitsluitend het belang dat samenhangt met de gemeentelijke grondpositie en geen ruimtelijk belang zou dienen.

Het betoog slaagt niet.

Verplaatsing sportcomplex

6. De bewonerscommissie voert aan dat het voorheen geldende bestemmingsplan "Het Lage Land - Oosterflank" dat op 3 oktober 2019 is vastgesteld de sportvoorzieningen op de huidige en toekomstige locatie reeds mogelijk maakte en dat de sportvoorzieningen dan ook buiten het plangebied hadden moeten worden gelaten.

6.1. De raad komt beleidsruimte toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze ruimte is echter niet zo groot dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan maakt onder meer woningen mogelijk op de gronden ter plaatse van de huidige sportvoorzieningen. Daarom was het niet mogelijk om deze gronden buiten het plangebied te houden. Bovendien maakt het bestemmingsplan in het noorden van het plangebied nieuwe sportvoorzieningen mogelijk, wat op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan niet mogelijk was vanwege de bestemming "Water" ter plaatse. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing een goede ruimtelijke ordening dient.

Het betoog slaagt niet.

Aantal toegestane woningen

7. De bewonerscommissie voert aan dat enkele jaren geleden werd uitgegaan van de bouw van 80 woningen in appartementencomplexen van maximaal 30 m hoog en 10 bouwlagen. In dit kader verwijst zij naar bijlagen 2 en 5 bij de toelichting van het voorheen geldende bestemmingsplan "Het Lage Land - Oosterflank". Bijlage 2 betreft het rapport "Bestemmingsplan Het Lage Land-Oosterflank, Akoestisch onderzoek" van 6 juli 2018 waarin staat dat op deze locatie nieuwbouwwoningen van 30 m hoog en 10 bouwlagen mogelijk worden gemaakt. Bijlage 5 betreft het rapport "Bestemmingsplan Het Lage Land-Oosterflank, Onderzoek externe veiligheid en verantwoording groepsrisico" van 13 april 2018. Hierin staat dat een aantal mogelijke ontwikkelingen in studie is, waaronder de bouw van 80 woningen ter plaatse van het kantoorpand Folkert Elsingastraat 3 - 9 en de bijbehorende parkeerplaats. Door nu de bouw van 275 woningen in appartementencomplexen met een maximale bouwhoogte van 44 m, 35 m, 21 m en 20 m mogelijk te maken, worden het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel geschonden, aldus de bewonerscommissie.

7.1. Naar het oordeel van de Afdeling staat in bijlagen 2 en 5 van het bestemmingsplan "Het Lage Land - Oosterflank" geen toezegging of andere uitlating waaruit de bewonerscommissie redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat in het bestemmingsplan "Folkert Elsingastraat" 80 woningen in appartementencomplexen met een maximale bouwhoogte van 30 m en 10 bouwlagen mogelijk zouden worden gemaakt. In dit kader is allereerst van belang dat deze rapporten geen beleidsdocumenten van het gemeentebestuur zijn waarin keuzes ten aanzien van woningbouw zijn gemaakt, maar rapporten waarin onderzoek is gedaan naar geluid en externe veiligheid in verband met de vaststelling van het bestemmingsplan "Het Lage Land - Oosterflank". Bovendien staat in deze bijlagen nu juist dat een aantal mogelijke ontwikkelingen in studie is en dat over een deel van de initiatieven nog geen duidelijkheid bestaat. Met andere woorden: ten tijde van het opstellen van deze rapporten stond de precieze invulling van het plangebied nog niet vast. Dit wordt bevestigd door paragraaf 4.2.3 van de toelichting van het bestemmingsplan "Het Lage Land - Oosterflank" dat op 3 oktober 2019 is vastgesteld. Hierin staat dat op de plaats van het bestaande kantoorgebouw en de bijbehorende parkeerplaats aan de noordkant van de Folkert Elsingastraat woningen zullen worden gebouwd, maar dat deze ontwikkeling nog niet concreet genoeg is om meegenomen te worden in dit bestemmingsplan.

De betogen dat het plan is vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel, slagen niet.

7.2. Voorts betekent de omstandigheid dat andere ontwikkelingen die in studie waren volgens het rapport over externe veiligheid wel zo zouden zijn gerealiseerd als daarin is aangegeven, niet dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Zoals onder 7.1 is overwogen, impliceert het feit dat ontwikkelingen in studie zijn, dat de precieze invulling hiervan nog niet vast staat. Dit betekent dat een ontwikkeling al dan niet overeenkomstig het oorspronkelijke idee zal worden gerealiseerd.

Het betoog slaagt niet.

Bouwvolume

8. De bewonerscommissie stelt dat de bouwhoogte van de voorziene appartementencomplexen, in het bijzonder van de woontoren van 14 bouwlagen in het oosten van het plangebied, niet past in de omgeving. In dit verband wijst zij erop dat de raad langs de Prinsenlaan op 100 m afstand van het plangebied juist heeft gemotiveerd dat laagbouw passender is dan de eerder daar toegestane hoogbouw. Het toestaan van hoogbouw in het plangebied terwijl daar nu lagere bebouwing staat, neigt naar willekeur.

8.1. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de toegestane bouwhoogtes, in het bijzonder de toegestane bouwhoogte van 44 m in het oosten van plangebied, aansluiten bij de bebouwing in de omgeving. In dit verband is van belang dat in het plangebied maximale bouwhoogtes van 44 m, 35 m, 21 m en 20 m zijn toegestaan en dat deze hoogtes overeenkomen met 14, 11 en 6 bouwlagen. In zoverre is aansluiting gezocht bij de vier reeds aanwezige appartementencomplexen ten zuiden van het plangebied die eveneens bestaan uit 14, 11 en 6 bouwlagen. Voorts ligt de voorziene woontoren van 14 bouwlagen langs de Koningslaan net als de reeds bestaande woontoren van 14 bouwlagen ten zuiden van het plangebied. Deze laan is een belangrijke hoofdstructuur in het gebied en de raad heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat hoogbouw langs een belangrijke hoofdstructuur passend is. Daar komt bij dat ook aan de overzijde van de Koningslaan hoogbouw staat. Het appartementencomplex Princestaete dat tegenover het plangebied ligt, bestaat immers uit 8 bouwlagen. Gelet op het vorenstaande heeft de raad deugdelijk gemotiveerd dat een bouwhoogte van 44 m in het oosten van het plangebied en bouwhoogtes van 35 m, 21 m en 20 m in de rest van het plangebied, passend zijn. Dat hier nu lagere bebouwing staat en dat elders laagbouw is gerealiseerd terwijl aanvankelijk hoogbouw was voorzien, doet niet af aan deze deugdelijke motivering. Hierin wordt evenmin grond gevonden voor het oordeel dat sprake is van willekeur. Op bepaalde locaties kan zowel hoogbouw als laagbouw passend zijn en het is aan de raad om de keuze voor een bepaalde bouwhoogte deugdelijk te motiveren. Dat heeft de raad in dit geval gedaan.

Het betoog slaagt niet.

Parkeren

9. De bewonerscommissie vreest voor een toename van de parkeerdruk in de omgeving van het plangebied. In dit kader voert de bewonerscommissie aan dat in de plantoelichting staat dat het parkeren geen problemen zal opleveren, maar dat hieraan geen gedegen onderzoek ten grondslag ligt. Daarbij wijst de bewonerscommissie erop dat de parkeerdruk in de omgeving nu al hoog is, dat voor 110 woningen geen eigen parkeerplaats wordt gerealiseerd en dat bezoekers van de nieuwe woningen en sportvelden in het openbaar gebied in de omgeving zullen parkeren. Het is bovendien in strijd met de "Beleidsregel Parkeernomen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022" (hierna: beleidsregel) dat voor de sportfuncties geen eigen parkeervoorzieningen worden gerealiseerd. Verder voert de bewonerscommissie aan dat bewoners van de woningen rondom het plangebied nu gebruik maken van het parkeerterrein van het kantoorpand in het plangebied, maar dat dit parkeerterrein zal verdwijnen bij realisatie van het plan. Ook daardoor zal de parkeerdruk in de omgeving toenemen, aldus de bewonerscommissie.

9.1. In artikel 12.1 van de planregels is een voorwaardelijke verplichting over parkeren opgenomen die als volgt luidt:

"12.1 Voorwaardelijke verplichting over parkeren

Een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen of een omgevingsvergunning voor het gebruik van gronden of bouwwerken kan uitsluitend worden verleend als voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid voor auto's en fietsen, overeenkomstig de 'Beleidsregeling parkeernormen voor auto en fiets gemeente Rotterdam 2022'. Indien dit beleid wordt gewijzigd of herzien, wordt een aanvraag voor een omgevingsvergunning getoetst aan het op dat moment geldende beleid."

9.2. Hoewel de vraag of er voldoende parkeerplaatsen worden aangelegd dus pas in het kader van de procedure van de omgevingsvergunning voor het bouwen van de in het plan voorziene ontwikkelingen aan de orde komt, dient de raad bij de vaststelling van het plan al wel te bezien of kan worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Daarom zal de Afdeling hierna beoordelen of op voorhand moet worden geoordeeld dat niet in voldoende parkeerplaatsen kan worden voorzien, en dat de raad zich om die reden niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling verwijst als voorbeeld naar haar uitspraak van 12 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5459, onder 10.2.

9.3. In de plantoelichting staat dat de invulling van het plan nog niet definitief is. Daarom zijn voor de parkeerbehoefte twee scenario’s uitgewerkt; de bouw van 257 woningen en de bouw van 273 woningen. Voor woningen bewoond door senioren is overeenkomstig artikel 7 van de beleidsregel een parkeernorm van 0,6 gehanteerd. Voor overige woningen van 40 tot 65 m2, 65 tot 85 m2 en 85 tot 120 m2 zijn achtereenvolgens parkeernormen van 0,6, 1,0 en 1,4 gehanteerd. Hiermee is aangesloten bij de normen die op grond van tabel 4.1 van bijlage 4 van de beleidsregel gelden voor gebiedstype C, zijnde overig gebied, waartoe het plangebied behoort. De parkeerbehoefte bij 257 en 273 woningen bedraagt op basis van deze gegevens 181,8 respectievelijk 179,4. Vanwege een afstand van 710 m hemelsbreed tot metrostation Prinsenlaan kan overeenkomstig artikel 12 van de beleidsregel een korting van 10 procent op de parkeereis worden toegepast. Dit betekent dat bij de uitgangspunten van 257 en 273 woningen, een parkeerbehoefte bestaat van 164 respectievelijk 162 parkeerplaatsen. In het plangebied zijn in een garage 165 parkeerplaatsen voorzien, hetgeen voldoende is, aldus de plantoelichting.

9.4. In de enkele stelling van de bewonerscommissie dat voor 110 woningen geen eigen parkeerplaats wordt gerealiseerd, wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat de parkeerbehoefte onjuist is berekend dan wel dat hiernaar onvoldoende onderzoek is gedaan. De raad heeft zich dan ook onder verwijzing naar de berekende parkeerbehoefte op het standpunt kunnen stellen dat bewoners en bezoekers van de voorziene woningen niet in het openbaar gebied rondom het plangebied zullen parkeren en dat de parkeerbehoefte van de voorziene appartementencomplexen geheel in het plangebied kan worden opgevangen. In dit kader is van belang dat de raad ter zitting heeft toegelicht dat de parkeernormen in de beleidsregel betrekking hebben op zowel bewoners als bezoekers. Verder overweegt de Afdeling dat met dit plan de gestelde bestaande parkeerdruk in de omgeving, in het bijzonder op marktdagen, niet hoeft te worden opgelost.

9.5. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat bezoekers van de sportvoorzieningen in de huidige situatie parkeren in de straten in de omgeving en dat verplaatsing van de sportvoorzieningen binnen het plangebied, hierin geen verandering brengt. Verder is het, anders dan de bewonerscommissie betoogt, in overeenstemming met de beleidsregel dat bij de berekening van het aantal benodigde parkeerplaatsen in het plangebied voor de sportvoorzieningen is uitgegaan van een aantal van 0. In artikel 6 van de beleidsregel staat immers dat salderen mogelijk is. Salderen betekent dat de parkeerbehoefte van de oude functie op de parkeerbehoefte van de nieuwe functie in mindering mag worden gebracht. In dit geval is zowel de oude als de nieuwe functie sportvoorzieningen en wijzigt de omvang niet zodat het plan wat dit betreft leidt tot een parkeerbehoefte van 0. Gelet hierop heeft de raad zich op het standpunt kunnen stellen dat de parkeerdruk in de omgeving niet zal toenemen als gevolg van de verplaatsing van de sportvoorzieningen.

9.6. De Afdeling overweegt verder dat de bewonerscommissie er terecht op wijst dat het parkeerterrein behorende bij het kantoorpand in de oostelijke hoek van het plangebied met de realisering van het plan zal verdwijnen. Dit parkeerterrein heeft HDFE B.V. in erfpacht. HDFE B.V. heeft ter zitting toegelicht dat zij de toegangspoort nog lang open heeft laten staan, maar dat zij deze kort geleden heeft gesloten. HDFE B.V. had er echter direct nadat zij de erfpacht had verworven voor kunnen kiezen om de toegangspoort te sluiten. Het verdwijnen van deze niet-openbare parkeerplaatsen is dan ook niet het gevolg van het plan. De raad behoefde daarom geen onderzoek te doen naar de vraag of het verdwijnen van deze parkeerplaatsen tot een onaanvaardbare parkeerdruk in de omgeving leidt. Wel zou de omstandigheid dat het parkeerterrein niet langer door derden kan worden gebruikt relevant kunnen zijn bij een parkeeronderzoek in het kader van de vraag of (een deel van) de parkeerbehoefte vanwege het plan kan worden afgewenteld op de omgeving. Uit wat is overwogen onder 9.4 en 9.5 volgt dat die parkeerbehoefte geheel op eigen terrein kan worden opgevangen, zodat een dergelijk onderzoek niet aan de orde is.

9.7. De Afdeling concludeert gelet op hetgeen hiervoor onder 9.4, 9.5 en 9.6 is overwogen dat niet op voorhand moet worden geoordeeld dat niet in voldoende parkeerplaatsen kan worden voorzien in het plangebied. Het betoog dat de parkeerdruk in de omgeving zal toenemen als gevolg van het plan, slaagt dan ook niet.

9.8. Ten overvloede wijst de Afdeling erop dat de raad ter zitting heeft toegelicht dat als de parkeerdruk in de omgeving te hoog wordt en hierover klachten worden ingediend door bewoners, betaald parkeren zal worden ingevoerd. Dan zullen bewoners van de in het plangebied voorziene woningen geen parkeervergunning krijgen. Hiervoor moeten bewoners van de te bouwen koop- en huurwoningen tekenen, aldus de toelichting van de raad ter zitting.

Woon- en leefklimaat

10. De bewonerscommissie voert verder aan dat het woon- en leefklimaat van de bewoners wordt aangetast. In dit verband wijst zij erop dat het verdwijnen van het groen en de realisering van een dergelijk groot bouwplan zonder de aanwezigheid van grootstedelijke voorzieningen, ten koste gaat van de leefbaarheid in de buurt. Het plan is bovendien niet in overeenstemming met de "tuinstadwijk", zoals deze wijk oorspronkelijk werd genoemd. Daarbij wijst de bewonerscommissie erop dat groen noodzakelijk is omdat dit koelte geeft bij een steeds warmer klimaat. Ten slotte voert de bewonerscommissie aan dat bewoners als gevolg van de voorziene woningbouw geen zicht meer hebben op de zonsondergang.

10.1. De Afdeling is van oordeel dat de raad bij afweging van de betrokken belangen een groter gewicht heeft mogen toekennen aan het belang van woningbouw ter plaatse, in het bijzonder een woontoren van 14 bouwlagen in het oosten van het plangebied, dan aan het belang van de bewonerscommissie bij kleinschaligere woningbouw. In dit kader overweegt de Afdeling allereerst dat in de plantoelichting staat dat de eerste ontwerpen voor de wijk Het Lage Land dateren uit 1953 en dat de ruimtelijk opzet met de uitgangspunten voor functiescheiding en dominante auto-infrastructuren niet meer van deze tijd is. Verder staat wat betreft de behoefte aan woningen in de plantoelichting dat in de periode 2021 tot 2030 in de Rotterdamse regio behoefte bestaat aan 61.000 woningen en dat de gemeente Rotterdam zich inzet om 30.000 woningen aan de voorraad toe te voegen. Voorts volgt uit de plantoelichting dat de raad bewust heeft gekozen voor het toevoegen van woningen in de nabijheid van voorzieningen op het gebied van sport, onderwijs, gezondheidszorg, welzijn en openbaar vervoer. Het standpunt van de bewonerscommissie dat grootstedelijke voorzieningen ontbreken, is gelet hierop onjuist. Daarom volgt de Afdeling evenmin het standpunt dat door het ontbreken hiervan de leefbaarheid in de buurt wordt aangetast met de realisering van 275 woningen. Wat betreft het gesteld verdwijnen van het zicht op de zonsondergang is van belang dat op grond van vaste rechtspraak geen recht op vrij uitzicht bestaat (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1159, onder 10). Verder overweegt de Afdeling dat de raad het verdwijnen van het groen acceptabel heeft kunnen achten. In dit verband is allereerst van belang dat de raad heeft toegelicht dat de rij met hoge bomen langs de Koningslaan, waarop bewoners van het appartementencomplex Princestaete uitkijken, behouden blijft nu het plan hierop geen betrekking heeft. Wel zijn de daarachter gelegen watergang, bomen en het bosplantsoen verdwenen ten behoeve van de realisering van het plan, maar dit zal deels binnen en deels buiten het plangebied worden gecompenseerd. Bovendien blijven de sportvelden in het plan behouden. In verband met het oordeel dat de raad een groter gewicht heeft mogen toekennen aan het belang van woningbouw dan aan het belang van de bewonerscommissie, acht de Afdeling verder van belang dat de ontwikkeling plaatsvindt binnen een zeer stedelijk gebied en in een dergelijk stedelijk gebied ontwikkelingen als deze niet indruisen tegen wat op zo’n locatie kan worden verwacht. Overigens staat in de plantoelichting dat in het kader van klimaatadaptief bouwen een daktuin wordt gerealiseerd met een mix aan beplanting, dat balkons en galerijen geïntegreerde plantenbakken krijgen en wordt ingezet op multifunctionele daken waar groen, energie en waterretentie bij elkaar komen.

Het betoog slaagt niet.

Bomenplan

11. De bewonerscommissie betoogt verder dat ten onrechte geen bomenplan is opgesteld waarin is vastgelegd waar en hoeveel bomen en groen worden gecompenseerd.

11.1. Dit betoog mist feitelijke grondslag. Er is immers wel een bomenplan opgesteld.

Omgevingsverordening Zuid-Holland

12. De bewonerscommissie betoogt dat het in strijd is met de Omgevingsverordening Zuid-Holland dat geen sociale huurwoningen in dit bestemmingsplan zijn voorzien.

12.1. Artikel 8:69a van de Awb bepaalt dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Dit is het zogeheten relativiteitsvereiste.

12.2. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt.

12.3. Artikel 6.10, tweede lid, van de Omgevingsverordening Zuid-Holland bevat een instructieregel voor de raad en luidt: "Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling met de functie wonen mogelijk maakt voorziet in voldoende sociale huurwoningen. Onder voldoende wordt in ieder geval verstaan wat hierover is vastgesteld in de geldende door Gedeputeerde Staten aanvaarde regionale woonvisie." In de Regionale Woonvisie, regio Rotterdam 2021-2040, Fijn wonen in een veelkleurige regio" staat dat wordt gestreefd naar een passend aanbod voor doelgroepen van het huurbeleid en dat met een spreiding van de sociale voorraad over de 14 gemeenten wordt gestreefd naar een meer evenwichtige, gelijkwaardige en inclusieve woningvoorraad in de regio.

12.4. De bewonerscommissie komt op voor de belangen van de bewoners van het appartementencomplex Princestaete. De belangen van de bewoners zijn erin gelegen dat hun huidige uitzicht en het groen in het plangebied behouden blijven en dat de druk op de voorzieningen en het openbaar gebied niet onaanvaardbaar toeneemt. Artikel 6.11, tweede lid, van de Omgevingsverordening is geschreven ter bescherming van de belangen van de doelgroep van het huurbeleid alsmede de belangen van gemeenten bij een evenwichtige en gelijkwaardige spreiding van de sociale huurwoningen over de regio. Dit artikellid strekt, zoals de raad terecht stelt, dan ook niet tot bescherming van de belangen die de bewonerscommissie behartigt. De Afdeling zal de beroepsgrond over artikel 6.11, tweede lid, van de Omgevingsverordening daarom niet inhoudelijk bespreken.

Conclusie

13. Het beroep is ongegrond.

14. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.P. van Kooten-Vroegindeweij, griffier.

w.g. Kaajan

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Kooten- Vroegindeweij

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026

559

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. W.P. van Kooten-Vroegindeweij

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?