202404392/1/A3.
Datum uitspraak: 1 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Makkum, gemeente Súdwest-Fryslân,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank NoordNederland van 5 juni 2024 in zaak nr. 23/3217 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Súdwest-Fryslân.
Procesverloop
Bij besluit van 13 april 2023 heeft het college aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd.
Bij besluit van 2 augustus 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij besluit van 20 februari 2024 heeft het college de verbeurde dwangsom van € 1.000,00 ingevorderd.
Bij besluit van 14 maart 2024 heeft het college de verbeurde dwangsom van € 4.000,00 ingevorderd.
Bij uitspraak van 5 juni 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep tegen het besluit van 2 augustus 2023 ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft om schadevergoeding verzocht.
De Afdeling heeft de zaak tegelijk met zaak nr. 202404325/1/A3 op een zitting behandeld op 18 maart 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.A. Jansen, advocaat in Bolsward, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.R. van der Velde en mr. L.M. van Benthem, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Het college heeft [appellant] met toepassing van de gemeentelijke Verordening havens en overige wateren Súdwest-Fryslân 2021 (de Verordening 2021) gelast om de garnalenkotter […] (het schip) binnen zes weken uit de haven van Makkum te verwijderen en verwijderd te houden, bij gebreke waarvan een dwangsom van € 1.000,00 per week of gedeelte daarvan, met een maximum van € 5.000,00 wordt verbeurd. Met het besluit van 2 augustus 2023 is het college hierbij gebleven. Omdat [appellant] volgens het college niet aan de last heeft voldaan, heeft het college besloten in totaal € 5.000,00 aan verbeurde dwangsommen in te vorderen. [appellant] is het hier niet mee eens.
2. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage. Deze bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
Uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat geen aanleiding bestaat om (onderdelen van) de Verordening 2021 buiten toepassing te laten. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het beroep van [appellant] dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden niet slaagt. De rechtbank heeft vastgesteld dat [appellant] weliswaar heeft verwezen naar andere gevallen, maar deze niet specifiek en concreet (qua schip en locatie) heeft benoemd. Daarnaast kan de rechtbank het college volgen dat de door [appellant] (meer algemeen) aangeduide situaties zich onderscheiden van de situatie van [appellant]. De rechtbank heeft verder geconcludeerd dat het college in dit geval het algemeen belang bij handhaving van het ligplaatsverbod zwaarder heeft mogen laten wegen dan het belang van [appellant] bij het met zijn schip blijven innemen van ligplaats in de haven van Makkum en dat de gevolgen voor [appellant] van die afweging niet onevenredig zijn. De rechtbank heeft tot slot ook geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de invorderingsbesluiten niet in stand kunnen blijven.
Gronden en beoordeling hoger beroep
4. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de Verordening 2021 niet van toepassing is. Het toepassingsgebied voor havens is beperkt tot wateren die in het beheer zijn van de gemeente Súdwest-Fryslân en de haven van Makkum valt volgens [appellant] onder het beheer van Rijkswaterstaat. Voor zover de Verordening 2021 wel van toepassing zou zijn, heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat geen grond bestaat om (delen van) de Verordening 2021 buiten toepassing te laten. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de Verordening 2021 een voortzetting is van de Verordening 2014, omdat de Verordening 2014 geen vergunningstelsel kende voor het innemen van een ligplaats in de haven van Makkum. Volgens [appellant] is in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel een ongerechtvaardigd onderscheid gemaakt tussen vergunbare en niet-vergunbare schepen, omdat slechts drie ‘soorten’ schepen in aanmerking komen voor een ligplaatsvergunning. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het handhavingsbesluit evenredig is. De rechtbank heeft de evenredigheidstoets te beperkt te verricht. In het kader van de noodzaak had de rechtbank moeten betrekken dat het schip ook op een andere plek in de haven van Makkum kan liggen. In het kader van de evenwichtigheid had de rechtbank het belang van [appellant] moeten betrekken dat hij toezicht moet kunnen uitoefenen op zijn schip en het nodige onderhoud moet kunnen uitvoeren. Dit lukt beter als het schip in de buurt van zijn woning ligt. [appellant] betoogt tot slot dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen strijd is met het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank heeft miskend dat het college alleen tegen [appellant] heeft gehandhaafd en niet tegen alle andere (eigenaren van) schepen die in de gemeente ligplaats innemen. Dit volgt volgens [appellant] uit de verzoeken die hij heeft ingediend op grond van de Wet open overheid (Woo).
5. De Afdeling stelt vast dat [appellant] de grond dat de Verordening 2021 niet van toepassing is op de haven van Makkum op de zitting bij de Afdeling heeft ingetrokken. Deze grond behoeft daarom geen bespreking meer.
6. De gronden die [appellant] voor het overige in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 6.3 tot en met 6.6 en 8.2 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd en die hierboven verkort zijn weergegeven. De Afdeling voegt hier het volgende aan toe. Het college heeft de belangen van [appellant] tot op zekere hoogte meegewogen en alternatieven onderzocht en aangeboden. Dat [appellant] beter toezicht kan uitoefenen op zijn schip en het nodige onderhoud kan verrichten als het schip in de buurt van zijn woning ligt maakt handhaving niet onevenredig. Het algemeen belang bij het handhaven van het ligplaatsverbod weegt in dit geval zwaarder dan de belangen van [appellant] voor het innemen van een ligplaats aan de visserijsteiger.
Conclusie
7. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Overschrijding van de redelijke termijn
8. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan.
8.1. Het college heeft het bezwaarschrift van [appellant] ontvangen op 18 april 2023. De redelijke termijn is op het moment van deze uitspraak dus nog niet overschreden. De Afdeling wijst het verzoek van [appellant] om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn daarom af.
9. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, griffier.
w.g. Minderhoud
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hartsuiker
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026
620-1101
Bijlage
Algemene wet bestuursrecht
1. Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de last onder dwangsom heeft mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.
[…]
Verordening havens en overige wateren gemeente Súdwest-Fryslan
Artikel 1.2.1 Toepassingsgebied
Deze verordening is van toepassing op de havens, zoals aangegeven op de kaarten in de bijlage, en op overige wateren.
Artikel 2.2.1 Ligplaats innemen
1. Het is rechthebbende op een vaartuig verboden daarmee ligplaats in te nemen, tenzij de ligplaats wordt ingenomen met:
a. een vaartuig aan een in de artikelen 3.1.1 en 3.4.1 of in een geldend bestemmingsplan alszodanig aangewezen ligoever, haven of andere gelegenheid die bestemd is om een vaartuig onder te brengen;
b. een vaartuig behorende tot een categorie vaartuigen, waarvoor het verbod door het college op grond van het gestelde in het tweede lid buiten toepassing is verklaard;
2. Het college kan (categorieën van) vaartuigen aanwijzen waarop het in eerste lid gesteld verbod niet van toepassing is.
3. Het college kan van het in het eerste lid gesteld verbod ontheffing verlenen.
Artikel 3.1.1 Nadere regels
a. Het college kan nadere regels vaststellen voor het aanleggen en innemen van ligplaatsen door pleziervaartuigen en andere categorieën vaartuigen;
[…]
Artikel 3.1.2 Verbod aanleggen en ligplaats innemen
Het is zonder toestemming van de havenmeester of een andere door het college met toezicht belast persoon verboden met een vaartuig aan te leggen of een ligplaats in te nemen of zich met een vaartuig te bevinden op een plaats die:
a. daartoe niet is bestemd;
b. is bestemd voor schepen van een andere categorie;
Artikel 3.1.3 Duur verblijf in de haven
1. Het is zonder toestemming van de havenmeester of een andere door het college met toezicht belast persoon verboden met een vaartuig langer dan 3 x 24 uur achtereen in de haven aan te leggen;
2. Het is zonder vergunning van het college verboden een vaartuig langer dan 30 dagen per kalenderjaar in de haven te hebben.
Nadere regels voor het aanleggen en het ligplaats innemen in de gemeente Súdwest-Fryslân
Hoofdstuk 1.Begripsbepalingen
[…]
visserschip: een vaartuig dat hoofdzakelijk is bestemd en wordt gebruikt voor het vangen van vis of andere levende rijkdommen van de zee;
[…]
Hoofdstuk 4. Ligplaats innemen door andere categorieën van vaartuigen.
Artikel 4.1 Haven.
1. In de havens is het voor andere categorieën vaartuigen toegestaan om na verkregen toestemming van het college of de beherende instantie vast ligplaats in te nemen.
2. Voor de categorie vracht- en vissersschepen wordt er ligplaats verkregen op de locaties die op de kaart zijn aangeduid met de kleur geel;
[…]
Verordening havens en overige wateren gemeente Súdwest-Fryslân 2021
Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen
[…]
e. wateren die in het beheer zijn van onze gemeente en die voor de scheepsvaart openstaan, alsmede alle daartoe behorende kaden, kunstwerken, meergelegenheden, trappen, scheepshellingen, dokken, scheepsreparatiewerven en los- en laadplaatsen, zoals aangegeven op de kaart in de bijlage bij deze verordening;
[…]
s. visserschip: een vaartuig dat hoofdzakelijk is bestemd en wordt gebruikt voor het bedrijfsmatig vangen van vis of andere levende rijkdommen van de zee;
[…]
Artikel 1.3 Toepassingsgebied
1. Deze verordening is van toepassing op de havens, zoals aangegeven op de kaarten in de bijlagen, en op de overige wateren.
Artikel 2.2 Algemeen ligplaatsverbod
1. Het is de rechthebbende op een vaartuig verboden daarmee ligplaats in te nemen of te hebben in de havens of de overige wateren.
2. Het college en de havenmeester kunnen van een verbod vergunning of ontheffing verlenen.
Artikel 2.3 Ligplaatsvergunning
1. Een ligplaatsvergunning kan worden verleend aan een eigenaar of houder van een vaartuig in één van de volgende categorieën:
[…]
c. Categorie 3: Visserschip.