202404325/1/A3.
Datum uitspraak: 1 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Makkum, gemeente Súdwest-Fryslân,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank NoordNederland van 5 juni 2024 in zaak nr. 23/1839 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Súdwest-Fryslân.
Procesverloop
Bij besluit van 15 september 2022 heeft het college de aanvraag van [appellant] om een ligplaatsvergunning afgewezen.
Bij besluit van 5 april 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 5 juni 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft om schadevergoeding verzocht.
De Afdeling heeft de zaak tegelijk met zaak nr. 202404392/1/A3 op een zitting behandeld waar [appellant], bijgestaan door mr. M.A. Jansen, advocaat in Bolsward, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.R. van der Velde en mr. L.M. van Benthem, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] is beroepsvisser en eigenaar van de garnalenkotter […] (het schip). Op 21 juni 2021 heeft [appellant] een vergunning aangevraagd voor het innemen van een ligplaats met het schip aan de steiger voor vissersschepen in de haven van Makkum. Het college heeft deze aanvraag afgewezen en het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage. Deze bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
Uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het schip ten tijde van de beoordeling van de aanvraag geen vissersschip was als bedoeld in de Verordening havens en overige wateren gemeente Súdwest-Fryslân 2021 (de Verordening 2021). Volgens de rechtbank wordt niet voldaan aan het vereiste dat het schip hoofdzakelijk voor het vangen van vis of andere levende rijkdommen van de zee wordt gebruikt. Het schip is sinds oktober 2019 niet meer gebruikt om mee te vissen. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat [appellant] niet kan worden gevolgd in zijn stelling dat (onderdelen van) de Verordening 2021 in strijd zijn met het recht en/of algemene beginselen van behoorlijk bestuur en buiten toepassing moeten worden gelaten. Uit de Verordening havens en overige wateren gemeente Súdwest-Fryslan 2014 (de Verordening 2014) en de achterliggende stukken bij de Verordening 2021 volgt dat er voor de inwerkingtreding van de Verordening 2021 ook al een vergunningstelsel bestond voor vaartuigen in de haven van Makkum, ook voor (vissers)schepen aan de visserijsteiger. Anders dan [appellant] stelt, is dat stelsel niet pas met de Verordening 2021 ingevoerd. De rechtbank heeft tot slot geoordeeld dat [appellant] geen geslaagd beroep op overgangsrecht kan doen, omdat hij voor zijn schip geen vergunning als bedoeld in artikel 3.1.3, tweede lid, van de Verordening 2014 had. Dat de situatie van [appellant] niet onder het overgangsrecht is gebracht, leidt ook niet tot het oordeel dat de Verordening 2021 onrechtmatig is. Het gebruik van het schip was al gewijzigd voordat de Verordening 2021 in werking trad. Van voortzetting van legaal gebruik onder de Verordening 2021 is geen sprake, aldus de rechtbank.
Gronden en beoordeling hoger beroep
4. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de Verordening 2021 niet van toepassing is. Het toepassingsgebied voor havens is beperkt tot wateren die in het beheer zijn van de gemeente Súdwest-Fryslân en de haven van Makkum valt volgens [appellant] onder het beheer van Rijkswaterstaat. Voor zover de Verordening 2021 wel van toepassing zou zijn, heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de het schip geen visserschip is. Het schip moet worden aangemerkt als vissersschip, totdat het schip definitief voor een ander gebruik wordt ingezet of definitief vaststaat dat het schip niet meer wordt gebruikt. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen grond bestaat om (delen van) de Verordening 2021 buiten toepassing te laten. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de Verordening 2021 een voortzetting is van de Verordening 2014, omdat de Verordening 2014 geen vergunningstelsel kende voor het innemen van een ligplaats in de haven van Makkum. Volgens [appellant] is in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel een ongerechtvaardigd onderscheid gemaakt tussen vergunbare en niet-vergunbare schepen, omdat slechts drie ‘soorten’ schepen in aanmerking komen voor een ligplaatsvergunning in de haven van Makkum. Ook heeft het college onvoldoende gemotiveerd dat er schaarse ruimte is in de haven van Makkum. Ten slotte heeft de rechtbank niet onderkend dat het ontbreken van een overgangsregeling onevenredig is omdat bestaande schepen die al jarenlang een ligplaats innemen niet meer in aanmerking kunnen komen voor een vergunning.
4.1. De Afdeling stelt vast dat [appellant] de grond dat de Verordening 2021 niet van toepassing is op de haven van Makkum op de zitting bij de Afdeling heeft ingetrokken. Deze grond behoeft daarom geen bespreking meer.
4.2. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het schip ten tijde van de besluiten van het college van 15 september 2022 en 5 april 2023 geen vissersschip meer was in de zin van artikel 1.1, aanhef en onder s, van de Verordening 2021, omdat het schip sinds oktober 2019 niet meer werd gebruikt voor het vangen van vis of andere levende rijkdommen van de zee. Anders dan [appellant] aanvoert, moet het schip, gelet op die bepaling, niet worden aangemerkt als vissersschip totdat het schip definitief voor een ander gebruik wordt ingezet of definitief vaststaat dat het schip niet meer wordt gebruikt. Overigens is op de zitting van de Afdeling gebleken dat het schip ook toen niet werd gebruikt, niet voor het bedrijfsmatig vangen van garnalen en overigens ook niet anderszins.
4.3. Het betoog slaagt niet.
4.4. De aanvraag ziet op het innemen van een ligplaats aan de visserijsteiger in de haven van Makkum, een locatie die uitsluitend is bestemd voor vissersschepen. Dit betekent dat de aanvraag terecht is afgewezen. De verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 25 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1910, treft geen doel. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college voldoende gemotiveerd dat de ruimte aan de visserijsteiger schaars is vanwege de beperkte lengte van de steiger en de andere aanvragen voor het innemen van een ligplaats aan de visserijsteiger. Het college had daarom, anders dan [appellant] betoogt, geen nader onderzoek hoeven te doen naar de schaarse ruimte aan de visserijsteiger.
4.5. Het betoog slaagt niet.
4.6. De gronden die [appellant] voor het overige in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 7.2, 9.2 en 11.2 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd en die hierboven verkort zijn weergegeven.
Conclusie
5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Overschrijding van de redelijke termijn
5.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan.
5.2. Het college heeft het bezwaarschrift van [appellant] ontvangen op 29 september 2022. De redelijke termijn is op het moment van deze uitspraak dus nog niet overschreden. De Afdeling wijst het verzoek van [appellant] om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn daarom af.
6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, griffier.
w.g. Minderhoud
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hartsuiker
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026
620-1101
Bijlage
Verordening havens en overige wateren gemeente Súdwest-Fryslan
Artikel 1.2.1 Toepassingsgebied
Deze verordening is van toepassing op de havens, zoals aangegeven op de kaarten in de bijlage, en op overige wateren.
Artikel 2.2.1 Ligplaats innemen
1. Het is rechthebbende op een vaartuig verboden daarmee ligplaats in te nemen, tenzij de ligplaats wordt ingenomen met:
a. een vaartuig aan een in de artikelen 3.1.1 en 3.4.1 of in een geldend bestemmingsplan alszodanig aangewezen ligoever, haven of andere gelegenheid die bestemd is om een vaartuig onder te brengen;
b. een vaartuig behorende tot een categorie vaartuigen, waarvoor het verbod door het college op grond van het gestelde in het tweede lid buiten toepassing is verklaard;
2. Het college kan (categorieën van) vaartuigen aanwijzen waarop het in eerste lid gesteld verbod niet van toepassing is.
3. Het college kan van het in het eerste lid gesteld verbod ontheffing verlenen.
Artikel 3.1.1 Nadere regels
a. Het college kan nadere regels vaststellen voor het aanleggen en innemen van ligplaatsen door pleziervaartuigen en andere categorieën vaartuigen;
[…]
Artikel 3.1.2 Verbod aanleggen en ligplaats innemen
Het is zonder toestemming van de havenmeester of een andere door het college met toezicht belast persoon verboden met een vaartuig aan te leggen of een ligplaats in te nemen of zich met een vaartuig te bevinden op een plaats die:
a. daartoe niet is bestemd;
b. is bestemd voor schepen van een andere categorie;
Artikel 3.1.3 Duur verblijf in de haven
1. Het is zonder toestemming van de havenmeester of een andere door het college met toezicht belast persoon verboden met een vaartuig langer dan 3 x 24 uur achtereen in de haven aan te leggen;
2. Het is zonder vergunning van het college verboden een vaartuig langer dan 30 dagen per kalenderjaar in de haven te hebben.
Nadere regels voor het aanleggen en het ligplaats innemen in de gemeente Súdwest-Fryslân
Hoofdstuk 1.Begripsbepalingen
[…]
visserschip: een vaartuig dat hoofdzakelijk is bestemd en wordt gebruikt voor het vangen van vis of andere levende rijkdommen van de zee;
[…]
Hoofdstuk 4. Ligplaats innemen door andere categorieën van vaartuigen.
Artikel 4.1 Haven.
1. In de havens is het voor andere categorieën vaartuigen toegestaan om na verkregen toestemming van het college of de beherende instantie vast ligplaats in te nemen.
2. Voor de categorie vracht- en vissersschepen wordt er ligplaats verkregen op de locaties die op de kaart zijn aangeduid met de kleur geel;
[…]
Verordening havens en overige wateren gemeente Súdwest-Fryslân 2021
Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen
[…]
e. wateren die in het beheer zijn van onze gemeente en die voor de scheepsvaart openstaan, alsmede alle daartoe behorende kaden, kunstwerken, meergelegenheden, trappen, scheepshellingen, dokken, scheepsreparatiewerven en los- en laadplaatsen, zoals aangegeven op de kaart in de bijlage bij deze verordening;
[…]
s. visserschip: een vaartuig dat hoofdzakelijk is bestemd en wordt gebruikt voor het bedrijfsmatig vangen van vis of andere levende rijkdommen van de zee;
[…]
Artikel 1.3 Toepassingsgebied
1. Deze verordening is van toepassing op de havens, zoals aangegeven op de kaarten in de bijlagen, en op de overige wateren.
Artikel 2.2 Algemeen ligplaatsverbod
1. Het is de rechthebbende op een vaartuig verboden daarmee ligplaats in te nemen of te hebben in de havens of de overige wateren.
2. Het college en de havenmeester kunnen van een verbod vergunning of ontheffing verlenen.
Artikel 2.3 Ligplaatsvergunning
1. Een ligplaatsvergunning kan worden verleend aan een eigenaar of houder van een vaartuig in één van de volgende categorieën:
[…]
c. Categorie 3: Visserschip.
Artikel 6.1 Intrekking oude verordening
De Verordening havens en overige wateren gemeente Súdwest-Fryslân, inwerking getreden op 1 april 2014, wordt ingetrokken.
Artikel 6.2 Overgangsrecht
1. Aanvragen om vergunning of ontheffingen die zijn ingediend krachtens de Verordening als bedoeld in artikel 6:1, maar waarover nog niet is beschikt op het moment van het inwerking treden van deze verordening, worden afgehandeld overeenkomstig deze verordening.
2. De vergunningen en ontheffingen die zijn verleend krachtens de Verordening als bedoeld in artikel 6:1, worden geacht te zijn verleend krachtens deze verordening.