202402899/1/R2.
Datum uitspraak: 1 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Veldhoven,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 29 maart 2024 in zaak nr. 23/1008 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Veldhoven.
Procesverloop
Bij besluit van 25 augustus 2022 heeft het college een verzoek om handhaving van [appellant] afgewezen.
Bij besluit van 23 februari 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 29 maart 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit op bezwaar van 22 februari 2023 (lees: 23 februari 2023) vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op de zitting behandeld van 29 januari 2026, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Evers-van der Smagt, vergezeld van [persoon], zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt.
Het verzoek om handhaving van de Wabo is gedaan op 8 februari 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Wettelijk kader
2. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Inleiding
3. [appellant] woont in blok 1 van het appartementencomplex Abdijtuinen in Veldhoven. Het college heeft voor de bouw van het complex op 18 oktober 2007 een bouwvergunning verleend. [appellant] heeft verzocht om handhaving, omdat blok 1 van het appartementencomplex volgens hem niet aan de eisen uit het Bouwbesluit 2003 voldoet ten aanzien van brandwerendheid en de eis van het aanwezig zijn van twee vluchtroutes.
Bij besluit van 25 augustus 2022, gehandhaafd bij het besluit op bezwaar, heeft het college het verzoek afgewezen. Het college stelt zich op het standpunt dat met de brandoverslagberekeningen in het rapport van Peutz is aangetoond dat wordt voldaan aan de eisen van brandwerendheid uit artikel 2.106, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003. Verder heeft het college geen onderzoek gedaan naar de vluchtroutes, omdat dit geen onderdeel van het handhavingsverzoek was.
Uitspraak van de rechtbank
4. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen overtreding is van artikel 2.106, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003. Met de brandoverslagberekeningen in het rapport van Peutz is aangetoond dat is voldaan aan de eisen van brandwerendheid, zodat het college geen nader onderzoek hoefde te verrichten.
De rechtbank heeft ook geoordeeld dat het college in het besluit op bezwaar ten onrechte niet is ingegaan op de eis van het aanwezig zijn van twee vluchtroutes, waardoor dit besluit een motiveringsgebrek bevat. Omdat het college op de zitting van de rechtbank alsnog toereikend heeft gemotiveerd waarom er geen overtreding is, heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde besluit in stand gelaten.
Het hoger beroep van [appellant]
De vluchtroutes
5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college alsnog voldoende heeft gemotiveerd waarom is voldaan aan de in het Bouwbesluit 2003 neergelegde eis van het beschikbaar hebben van tenminste twee afzonderlijke vluchtroutes. Hij voert hiertoe aan dat de kwalificatie van het appartementencomplex als brandcompartiment met meerdere subbrandcompartimenten onjuist is. Volgens [appellant] is zijn appartement, met op twee etages technische ruimtes en slaapkamers, een brandcompartiment en geen subbrandcompartiment en moeten er vanuit zijn appartement twee vluchtroutes aanwezig zijn.
5.1. Op het moment van het verlenen van de bouwvergunning was het Bouwbesluit 2003 van kracht. Tussen partijen is niet in geschil dat voor de beoordeling van het handhavingsverzoek moet worden uitgegaan van dat besluit. Naar het oordeel van de Afdeling moest het appartement van [appellant] op grond van het Bouwbesluit 2003 worden aangemerkt als een subbrandcompartiment als bedoeld in de artikelen 2.116 en 2.117 van het Bouwbesluit 2003. Bij dit appartement gaat het namelijk om de niet-gemeenschappelijke en met elkaar in verbinding staande ruimten van een woonfunctie in een woongebouw. In het betoog van [appellant] ziet de Afdeling, ook gelet op het verhandelde op de zitting, geen aanleiding voor een andersluidend oordeel.
Ingevolge artikel 2.153, eerste lid, heeft een te bouwen bouwwerk voldoende vluchtroutes waarlangs bij brand een veilige plaats kan worden bereikt. Uit artikel 2.157, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003, volgt dat er ter plaatse van een toegang van een subbrandcompartiment twee rookvrije vluchtroutes dienen te beginnen die behalve bij de toegang nergens samenvallen. Omdat is voldaan aan de voorwaarden in artikel 2.157, vijfde lid, onder a tot en met c, van het Bouwbesluit 2003, mogen deze vluchtroutes wel samenvallen en mag het samenvallende deel in afwijking van het bepaalde in artikel 2.157, derde lid, van het Bouwbesluit 20023 in het veiligheidstrappenhuis liggen. Niet in geschil is dat het appartementencomplex is voorzien in een veiligheidstrappenhuis, zodat de twee vluchtroutes mogen samenvallen. Gelet hierop is voldaan aan de in het Bouwbesluit 2003 neergelegde eis over het aanwezig hebben van voldoende vluchtroutes. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat er in zoverre geen overtreding is en het college in zoverre niet bevoegd was om handhavend op te treden.
Het betoog slaagt niet.
Onderzoeksplicht weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (WBDBO)
6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college geen nader onderzoek hoefde te verrichten naar de WBDBO. [appellant] stelt dat het rapport van Peutz niet representatief is, omdat volgens [appellant] is gebouwd in afwijking van de bouwvergunning. [appellant] voert hiertoe aan dat de afmetingen van de gevelopeningen zo afwijken ten opzichte van de afmetingen waarvan Peutz is uitgegaan, dat de door Peutz gemaakte brandoverslagberekeningen niet langer representatief zijn.
Volgens [appellant] is de rechtbank onterecht van een afwijking van enkele centimeters uitgegaan. [appellant] heeft verwezen naar een inspectierapport van Kenniscentrum Glas (KCG) waarin wordt geconcludeerd dat Peutz voor gevelopeningen in het appartementencomplex is uitgegaan van een hoogte van 2.100 mm, terwijl deze in werkelijkheid een hoogte van 2.380 mm heeft, en voor de hoogte van het schort en de borstwering van 860 mm, terwijl in werkelijkheid deze een hoogte hebben van 550 mm. Daardoor bedragen de afwijkingen respectievelijk 28 cm voor de hoogte en 31 cm voor het schort en de borstwering.
6.1. Op de zitting heeft het college erkend dat de verschillen die door KCG zijn geconstateerd, juist zijn. Het college heeft verder op de zitting toegelicht dat deze afwijkingen zo groot zijn ten opzichte van de afmetingen waarvan Peutz was uitgegaan, dat het onderzoek van Peutz niet zonder meer kan worden gevolgd. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat zonder nader onderzoek niet kan worden vastgesteld of blok 1 van het appartementencomplex Abdijtuinen voldoet aan de eisen van brandwerendheid die gelden op grond van artikel 2.106 van het Bouwbesluit 2003. De rechtbank heeft dan ook achteraf bezien ten onrechte geoordeeld dat er geen nader onderzoek nodig was.
Het betoog slaagt.
Conclusie
7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 23 februari 2023 in stand heeft gelaten. Het college moet, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuw besluit op het bezwaar van [appellant] nemen. Het college moet daartoe alsnog, uitgaande van de juiste afmetingen genoemd in r.o. 6, brandoverslagberekeningen laten uitvoeren en aan de hand van die berekeningen controleren en motiveren of blok 1 van het appartementencomplex voldoet aan de eisen van artikel 2.106, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003.
Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2645, blijft op een nieuw te nemen besluit het recht, zoals dat gold onmiddellijk vóór 1 januari 2024, van toepassing. Maar dit geldt alleen als onder het recht zoals dat geldt op het moment van het nemen van dit nieuwe besluit, nog steeds sprake is van dezelfde overtreding. Als dat niet zo is, dan moet het college het nieuwe recht toepassen.
8. Het college hoeft de proceskosten niet te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van [appellant] gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 29 maart 2024 in zaak nr. 23/1008, voor zover de rechtbank daarin de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 23 februari 2023 in stand heeft gelaten;
III. draagt het college van burgemeester en wethouders van Veldhoven op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen;
IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Veldhoven het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 279,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J. Gundelach, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F. Nales, griffier.
w.g. Gundelach
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Nales
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026
680-1191
BIJLAGE
Bouwbesluit 2003
Artikel 2.106 luidt:
"1. De volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment, een besloten ruimte waardoor een van rook en van brand gevrijwaarde vluchtroute voert, en een niet besloten veiligheidstrappenhuis is niet lager dan 60 minuten.
2. In afwijking van het eerste lid, kan worden volstaan met 30 minuten, indien de volgens NEN 6090 bepaalde permanente vuurbelasting van het brandcompartiment niet groter is dan 500 MJ/m2. Dit geldt niet voor de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag naar een veiligheidstrappenhuis.
3. In afwijking van het eerste lid, kan worden volstaan met 30 minuten, indien:
a. het brandcompartiment en de besloten ruimte op hetzelfde perceel liggen, en
b. in een gebouw geen vloer van een verblijfsgebied hoger boven het meetniveau ligt dan de in tabel 2.103 aangegeven grenswaarde.
Dit geldt niet voor de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag naar een veiligheidstrappenhuis.
4. In afwijking van het eerste lid, kan tussen een brandcompartiment en een besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, worden volstaan met 30 minuten. Dit geldt niet voor de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag naar een veiligheidstrappenhuis.
5. Bij het bepalen van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment van de gebruiksfunctie naar een brandcompartiment, een besloten ruimte waardoor een van brand en van rook gevrijwaarde vluchtroute voert, en een niet besloten veiligheidstrappenhuis van een gebouw op een aangrenzend perceel, wordt voor het gebouw op het aangrenzende perceel uitgegaan van een identiek doch spiegelsymmetrisch ten opzichte van de perceelsgrens gelegen gebouw. Deze spiegeling heeft plaats ten opzichte van het hart van de openbare weg, het openbaar water of het openbaar groen indien het perceel grenst aan die weg, dat water of dat groen.
6. De volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een woonwagen naar een andere woonwagen is niet lager dan 30 minuten. Bij de bepaling van deze weerstand wordt uitgegaan van een identieke, doch spiegelsymmetrisch op een afstand van 5 m geplaatste woonwagen.
7. Het derde geldt niet voor een brandcompartiment bestemd voor de opslag van bij ministeriële regeling aangegeven brandbare, brandbevorderende of bij brand gevaar opleverende stoffen."
Art. 2.116 luidt:
"1. Een niet-gemeenschappelijke ruimte ligt in een subbrandcompartiment. Dit geldt niet voor een toiletruimte, een badruimte, een meterruimte, en een opstelplaats voor een verbrandingstoestel niet gelegen in een stookruimte als bedoeld in artikel 4.88, vierde en vijfde lid.
2. Een gemeenschappelijk verblijfsgebied ligt in een subbrandcompartiment.
3. Een verblijfsruimte ligt in een subbrandcompartiment.
3. Een verblijfsruimte waarin wordt geslapen ligt in een subbrandcompartiment.
5. Een subbrandcompartiment ligt in een brandcompartiment."
Art. 2.117 luidt:
"1. Een subbrandcompartiment strekt zich uit over niet meer dan een brandcompartiment.
2. Een subbrandcompartiment als bedoeld in artikel 2.116, eerste lid, omvat in afwijking van artikel 2.105, tweede lid, uitsluitend niet-gemeenschappelijke ruimten van niet meer dan een gebruiksfunctie en nevenfuncties van die gebruiksfunctie.
3. Een subbrandcompartiment heeft een gebruiksoppervlakte die niet groter is dan 500 m2.
4. Een subbrandcompartiment waarin een verblijfsruimte ligt, omvat uitsluitend:
a. een of meer met elkaar in verbinding staande ruimten met een totale gebruiksoppervlakte van niet meer dan 40 m2, of
b. die verblijfsruimte, indien de vloeroppervlakte van die verblijfsruimte groter is dan 40 m2.
5. Een gemeenschappelijk verblijfsgebied is een subbrandcompartiment.
6. Een subbrandcompartiment met een verblijfsruimte waarin wordt geslapen is bestemd voor niet meer dan 40 personen en heeft een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 200 m2.
7. Een subbrandcompartiment omvat uitsluitend een of meer verblijfsruimten voor aan bed gebonden patiënten en ruimten die ten dienste staan van die verblijfsruimten met een totale gebruiksoppervlakte van:
a. niet meer dan 50 m2, indien die verblijfsruimten niet permanent worden bewaakt, of
b. niet meer dan 500 m2, indien die verblijfsruimten permanent worden bewaakt."
Artikel 2.153 luidt:
"1. Een te bouwen bouwwerk heeft voldoende vluchtroutes waarlangs bij brand een veilige plaats kan worden bereikt.
[…]"
Artikel 2.157 luidt:
"1. Ter plaatse van een toegang van een subbrandcompartiment beginnen ten minste twee rookvrije vluchtroutes die nergens samenvallen.
2. In afwijking van het eerste lid, kan worden volstaan met één rookvrije vluchtroute, indien het subbrandcompartiment meer dan een toegang heeft en ten minste twee van de ter plaatse van die toegangen beginnende rookvrije vluchtroutes nergens samenvallen.
3. In afwijking van het eerste lid, kunnen de twee rookvrije vluchtroutes geheel of gedeeltelijk samenvallen, als het samenvallende gedeelte niet in een trappenhuis ligt en niet aan een ander subbrandcompartiment grenst.
4. In afwijking van het derde lid, kan het samenvallende gedeelte aan een ander subbrandcompartiment grenzen, indien:
a. het samenvallende gedeelte aan niet meer dan één ander subbrandcompartiment grenst,
b. de toegang van het subbrandcompartiment en de toegang van het andere subbrandcompartiment recht tegenover elkaar liggen en
c. het samenvallende gedeelte niet langs een beweegbaar constructie-onderdeel voert, tenzij dit deel uitmaakt van de toegang van het andere subbrandcompartiment.
5. In afwijking van het derde lid, kan het samenvallende gedeelte in een trappenhuis liggen en aan een ander subbrandcompartiment grenzen, indien:
a. de totale gebruiksoppervlakte van de woonfuncties die zijn aangewezen op dat trappenhuis niet groter is dan 800 m2, geen vloer van een verblijfsgebied van die woonfuncties hoger ligt dan 12,5 m boven het meetniveau en geen van de woonfuncties een gebruiksoppervlakte heeft van meer dan 150 m2,
b. op dat trappenhuis niet meer dan zes woonfuncties zijn aangewezen, waarvan geen vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 6 m boven het meetniveau, of
c. dat trappenhuis een veiligheidstrappenhuis is.
6. Een vluchtroute kan een gemeenschappelijke vluchtroute zijn."