ECLI:NL:RVS:2026:1840

ECLI:NL:RVS:2026:1840

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 01-04-2026
Datum publicatie 01-04-2026
Zaaknummer 202407543/1/R1
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 11 april 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas geweigerd om aan [bedrijf] een omgevingsvergunning te verlenen voor het realiseren van een 24-uurszorgaccomodatie op het perceel [locatie] te Sevenum (het perceel). [bedrijf] exploiteert meer dan 10 jaren een zorgboerderij op het perceel. Op het perceel staat ook nog een bedrijfswoning en er worden dagbestedingsactiviteiten aangeboden. Het perceel ligt in de directe nabijheid van agrarisch gebruikte gronden. [bedrijf] wil op het perceel naast de bestaande activiteiten een 24-uurs zorgaccommodatie, bedoeld voor ouderen met een zorgvraag, realiseren. Daarom heeft zij een aanvraag om een omgevingsvergunning gedaan. Het bouwplan betreft een nieuw gebouw met woonvoorzieningen voor 31 personen. Het gebouw heeft een oppervlakte van ongeveer 1.390 m2. Er zal ongeveer 800 m2 aan bestaande bebouwing worden gesloopt. Tot de aanvraag behoort het stuk "24-uurszorg [locatie] Sevenum gemeente Horst aan de Maas" van 31 januari 2022, dat een ruimtelijke onderbouwing van het project bevat (de Ruimtelijke onderbouwing).

Uitspraak

202407543/1/R1.

Datum uitspraak: 1 april 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 5 november 2024 in zaak nr. 23/994 in het geding tussen:

[wederpartij] te Sevenum, handelend onder de naam "[bedrijf]",

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 11 april 2023 heeft het college geweigerd om aan [bedrijf] een omgevingsvergunning te verlenen voor het realiseren van een 24-uurszorgaccomodatie op het perceel [locatie] te Sevenum (het perceel).

Bij uitspraak van 5 november 2024 heeft de rechtbank het door [bedrijf] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld. [bedrijf] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

[bedrijf] en het college hebben een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 januari 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. A.J.H.A. Verkooijen, mr. R.C.H. Schrömbges en K.J.L. Thissen, en [bedrijf], vertegenwoordigd door mr. J.C.M.G. Beusmans, bijgestaan door [gemachtigden], zijn verschenen.

Overwegingen

Overgangsoverweging inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo).

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 14 mei 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2. [bedrijf] exploiteert meer dan 10 jaren een zorgboerderij op het perceel. Op het perceel staat ook nog een bedrijfswoning en er worden dagbestedingsactiviteiten aangeboden. Het perceel ligt in de directe nabijheid van agrarisch gebruikte gronden. [bedrijf] wil op het perceel naast de bestaande activiteiten een 24-uurs zorgaccommodatie, bedoeld voor ouderen met een zorgvraag, realiseren. Daarom heeft zij een aanvraag om een omgevingsvergunning gedaan. Het bouwplan betreft een nieuw gebouw met woonvoorzieningen voor 31 personen. Het gebouw heeft een oppervlakte van ongeveer 1.390 m2. Er zal ongeveer 800 m2 aan bestaande bebouwing worden gesloopt. Tot de aanvraag behoort het stuk "24-uurszorg [locatie] Sevenum gemeente Horst aan de Maas" van 31 januari 2022, dat een ruimtelijke onderbouwing van het project bevat (de Ruimtelijke onderbouwing).

Op het perceel geldt ten tijde van het besluit het bestemmingsplan "Buitengebied Horst aan de Maas", zoals dat luidt na de herziening daarvan door het bestemmingsplan "Buitengebied Horst aan de Maas, herziening". Het perceel heeft de bestemming "Maatschappelijk" en de functieaanduidingen "specifieke vorm van maatschappelijk - gasterij" en "maximaal aantal wooneenheden is 1". Op het perceel is op grond van artikel 11.1, aanhef en onder a, van de planregels onder meer een zorgboerderij met een vloeroppervlakte van maximaal 588 m2 toegestaan. Het gebruik als 24-uurs zorgaccommodatie is vanwege de oppervlakte aan bebouwing in strijd met de bestemming. De oppervlakte en hoogte van het nieuwe gebouw zijn in strijd met artikel 11.2.2. van de planregels.

De raad van de gemeente Sevenum heeft op 4 april 2023 geweigerd om een verklaring van geen bedenkingen als bedoeld in artikel 6.5, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) te verlenen. De raad heeft hieraan onder meer ten grondslag gelegd dat op het perceel geen acceptabel woon- en leefklimaat voor de bewoners van de 24-uurszorgaccomodatie kan worden gegarandeerd vanwege de korte afstand tot percelen waar gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. Aan het besluit ligt een zienswijzenrapport mede ten grondslag.

Het college heeft vervolgens geweigerd om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder 3°, van de Wabo de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen. Het college heeft in het besluit van 11 april 2023 verschillende redenen genoemd op grond waarvan het niet bereid is medewerking te verlenen aan afwijking van het bestemmingsplan. Op de zitting heeft het college toegelicht dat deze overwegingen niet dragend zijn voor het besluit. Het moest immers, gelet op artikel 2.20a van de Wabo de aangevraagde omgevingsvergunning weigeren, omdat de raad heeft geweigerd een verklaring van geen bedenkingen af te geven.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van [bedrijf] ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het college uitlatingen heeft gedaan, waaruit [bedrijf] mocht afleiden dat het college medewerking zou verlenen aan het project. Omdat het college de vergunning echter heeft mogen weigeren vanwege een zwaarder wegend belang is de rechtbank van oordeel dat het college het gewekte vertrouwen niet hoefde te honoreren. Volgens de rechtbank heeft het college zich namelijk op het standpunt mogen stellen dat een goed woon- en leefklimaat op het perceel niet kan worden gegarandeerd vanwege het (mogelijke) gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de aangrenzende agrarische percelen.

3. Het college kan zich niet verenigen met de uitspaak wat betreft het oordeel over het vertrouwensbeginsel. [bedrijf] is het niet eens met de uitspraak vanwege het daarin neergelegde oordeel over de zogenoemde spuitzoneproblematiek.

4. De Afdeling begrijpt de aangevallen uitspraak zo dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat de raad, gelet op de hem toekomende beleidsruimte en de betrokken belangen, heeft mogen weigeren een verklaring van geen bedenkingen te verstrekken en dat het college daarom terecht heeft geweigerd om de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen. De aangevoerde gronden zal de Afdeling in dit licht bezien en aan de hand daarvan beoordelen of de rechtbank op goede gronden tot die conclusie is gekomen.

Relevante wettelijke bepalingen

5. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Beoordelingskader

6. Uit artikel 6.5, eerste lid, van het Bor volgt dat het college de bevoegdheid toekomt om omgevingsvergunning te verlenen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo indien de gemeenteraad heeft verklaard dat hij geen bedenkingen tegen het project heeft.

Op grond van artikel 2.20a van de Wabo moet het college een omgevingsvergunning voor een activiteit weigeren als de gemeenteraad weigert een voor die activiteit benodigde verklaring van geen bedenkingen af te geven. Op grond van artikel 6.5, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht kan een verklaring van geen bedenkingen alleen worden geweigerd in het belang van een goede ruimtelijke ordening. De rechtmatigheid van het besluit van de gemeenteraad over de verklaring van geen bedenkingen wordt getoetst in het kader van het beroep tegen het besluit van het college over de omgevingsvergunning. De gemeenteraad komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om een verklaring van geen bedenkingen te geven, beleidsruimte toe en moet de betrokken belangen afwegen. Indien het besluit omtrent de verklaring van geen bedenkingen onrechtmatig moet worden geacht, heeft het college zich bij het weigeren van de omgevingsvergunning niet op het besluit van de raad mogen baseren.

De bestuursrechter oordeelt niet zelf of de besluitvorming in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.

Is een goed woon- en leefklimaat op het perceel gegarandeerd?

7. [bedrijf] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de gemeenteraad niet vanwege de zogenoemde spuitzoneproblematiek mocht weigeren een verklaring van geen bedenkingen af te geven. Zij voert aan dat een goed woon- en leefklimaat op het perceel kan worden gegarandeerd, ook al grenst het perceel aan agrarische gronden. Volgens haar zal er ook in het slechtst mogelijke geval geen sprake zijn van een onaanvaardbare gezondheidssituatie. [bedrijf] wijst erop dat op het perceel direct ten zuiden van haar perceel al sinds 2019 geen teelt van gewassen meer plaatsvindt. In de toekomst zal daar een paardenhouderij komen.

Ook betoogt zij dat het mogelijke gebruik van de agrarische percelen al aanzienlijk is beperkt, omdat op grond van artikel 3.5.1, aanhef en onder b, van de planregels van het bestemmingsplan op een afstand van 30 meter van het perceel geen (fruit)bomenteelt meer plaats kan vinden.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 12 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4036, wijst [bedrijf] erop dat zij op het perceel een zorgboerderij mag exploiteren en gebruik mag maken van de uitbreidingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Het gaat op het perceel om een historisch gegroeide situatie, zodat de spuitzoneproblematiek om die reden niet aan uitbreiding van de activiteiten op het perceel in de weg hoeft te staan. Verder volgt uit het stuk "Uitvoeringsprogramma Toekomstvisie gewasbescherming 2030" dat de landelijke doelstelling is dat in 2023 nagenoeg geen gewasbeschermingsmiddelen zullen worden gebruikt en dat als die wel worden gebruikt door precisielandbouw de verspreiding daarvan wordt beperkt. Door de combinatie van verminderd gebruik en nagenoeg geen emissies, ervaren omwonenden van land- en tuinbouwbedrijven hun woonomgeving als veilig.

Volgens [bedrijf] zal de situatie op het perceel verder juist verbeteren als het project wordt gerealiseerd. Daarbij wijst zij erop dat in de bestaande situatie zorgbehoevenden en het personeel van het gehele perceel gebruik maken, terwijl in de door haar gewenste situatie mensen binnen kunnen zijn als er onverhoopt ooit nog gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt op het aangrenzende percelen.

Aan de omgevingsvergunning kan een voorschrift worden verbonden dat een driftreducerende haag moet worden geplaatst. [bedrijf] wijst nog op de uitspraak van de Afdeling van 25 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:269, waarin bepaalde omstandigheden relevant worden geacht.

Tot slot voert [bedrijf] aan dat het in acht nemen van een spuitzone van 50 meter te ingrijpend is vanwege de financiële gevolgen daarvan voor haar.

7.1. Vaststaat dat het perceel van [bedrijf] ten oosten, zuiden en zuidwesten grenst aan percelen met de bestemming "Agrarisch met waarden". Het woonzorggebouw is voorzien op een afstand van ongeveer 18 meter tot de zuidgrens van het perceel. Vast staat dat dit gebouw als een voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functie is te beschouwen.

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat bij open teelt in het algemeen een afstand van 50 m als spuitvrije zone tussen een gevoelige functie, zoals wonen, en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, acceptabel wordt geacht om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te waarborgen. Uit een deugdelijke motivering kan volgen dat in een concrete situatie met een kortere afstand kan worden volstaan. Die motivering moet gebaseerd zijn op een zorgvuldig op de locatie toegesneden onderzoek (vgl. de uitspraak van 27 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4134).

De rechtbank heeft terecht overwogen dat het planologisch toegestane gebruik op de aangrenzende percelen het telen van gewassen betreft. Op die percelen met de agrarische bestemming zijn op grond van artikel 3.1 van de planregels van het bestemmingsplan onder meer toegestaan agrarisch bedrijfsmatig grondgebruik en grondgebonden agrarische bedrijven, niet zijnde grondgebonden veehouderijen. In artikel 1.8 staat dat een agrarisch bedrijf een bedrijf is dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen, waaronder mede begrepen houtteelt.

[bedrijf] heeft op zich terecht naar voren gebracht dat in dit geval op de agrarische percelen tot 30 meter van haar perceel geen fruit- en boomteelt mogelijk is. De aangrenzende percelen werden ten tijde van het besluit en de datum van vaststelling van het herzieningsplan niet voor fruit- en boomteelt gebruikt. Het gebruik als fruitteelt of boomteelt met gewasbeschermingsmiddelen is daarom op grond van artikel 3.5.1, aanhef en onder b, van de planregels niet toegestaan binnen een afstand van 30 meter tot (bedrijfs)woningen, inclusief tuinen en erven en maatschappelijke voorzieningen.

Dat binnen 30 meter van het perceel geen fruitteelt of boomteelt met gewasbeschermingsmiddelen mag plaatsvinden, betekent echter nog niet dat op de aan het perceel grenzende gronden geen gewasbeschermingsmiddelen kunnen en mogen worden gebruikt.

Aan de door [bedrijf] gestelde omstandigheid dat ten tijde van het besluit van de gemeenteraad op de agrarische percelen geen gebruik van beschermingsmiddelen plaats zou hebben plaatsgevonden, heeft de gemeenteraad terecht geen betekenis toegekend. Zoals het college ook te kennen heeft gegeven, laat dit immers onverlet dat andere vormen van gewasteelt, zoals bloembollenteelt, waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, zonder meer mogen plaatsvinden op de agrarische percelen die direct grenzen aan het perceel. Het bestemmingsplan laat dat toe. Dat de percelen in de toekomst wellicht voor een paardenhouderij gebruikt zullen worden, doet ook niet af aan de planologisch toegestane gebruiksmogelijkheden van die gronden met gewasbeschermingsmiddelen. Dat betekent dus dat het bestemmingsplan het mogelijk maakt dat binnen een afstand van 50 m van het perceel gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt.

De uitspraak van 25 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:269, baat [bedrijf] niet. In die uitspraak ging het om de vraag of de bestaande activiteiten van naastgelegen bedrijven konden worden voortgezet bij de vergunde woningbouw nabij die bedrijven. Ook verder kunnen de feitelijke situatie en de aangevoerde beroepsgronden in die zaak niet op een lijn worden gesteld met de situatie en hoger beroepsgronden in deze zaak..

De rechtbank is terecht niet meegegaan met de stelling van [bedrijf] dat het project, waarvoor de omgevingsvergunning is aangevraagd, een historische gegroeide situatie betreft. De aangevraagde activiteiten betreffen immers een intensivering van het op grond van het bestemmingsplan toegestane maatschappelijke gebruik. De verwijzing van [bedrijf] naar de uitspraak van 12 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4036, gaat niet op, alleen al omdat het daar wel gaat om een historisch gegroeide situatie. Mede gezien de intensivering van het gebruik door de woonfunctie, kan [bedrijf] verder niet worden gevolgd in haar stelling dat door de afschermende werking van het woonzorggebouw, de woon- en leefsituatie op het perceel niet verslechtert. Daarbij is ook nog van belang dat het perceel tussen het gesteld afschermende woonzorggebouw en de perceelsgrens wordt ingericht als tuin. In de uitspraak van 10 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:276, onder 7.6, overwoog de Afdeling, onder verwijzing naar de uitspraak van 2 juni 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AP0392, onder 2.3.6, dat de functie "tuinen" is aan te merken als een voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functie. Dat woongebouw schermt dus niet alle gevoelige functies af.

In opdracht van [bedrijf] heeft adviesbureau "Adromi B.V." onderzoek verricht naar te treffen maatregelen. In het rapport van Adromi van 12 december 2021 staat dat voor een goed woon- en leeklimaat op het perceel kan worden volstaan met een driftreducerende haag met een hoogte van minimaal 50 cm boven de gewashoogte. Hieraan komt echter geen betekenis toe. In het onderzoek, dat aan dat rapport ten grondslag ligt, heeft Adromi gebruik gemaakt van het verspreidingsmodel van de European Food Safety Authority (EFSA-model). In de uitspraak van 6 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4523, heeft de Afdeling overwogen dat zonder nader wetenschappelijk onderzoek of landelijke wetgeving dan wel richtlijnen over spuitzonering, het EFSA-model niet kan worden toegepast als onderbouwing om een kortere afstand dan 50 m te hanteren. Dit onderzoek kan dus niet gelden als een deugdelijke motivering dat in dit geval met een kortere afstand dan 50 m kan worden volstaan.

Ook de gestelde mogelijkheid dat in de toekomst steeds minder gewasbeschermingsmiddelen zullen worden gebruikt, waarvan wordt uitgegaan in het Uitvoeringsprogramma Toekomstvisie Gewasbescherming 2030, waarop [bedrijf] heeft gewezen, is niet afdoende om nu al met een kortere afstand te volstaan.

Tot slot overweegt de Afdeling dat bij de beoordeling of op het perceel een aanvaardbaar woon- en leefklimaat mogelijk is, de financiële positie van [bedrijf] geen rol kan spelen.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat op het perceel een aanvaardbaar woon- en leefklimaat niet is gewaarborgd.

Het betoog treft geen doel.

Heeft het college uitlatingen gedaan waaraan de gemeenteraad is gebonden?

8. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het uitlatingen heeft gedaan waaraan [bedrijf] het vertrouwen heeft mogen ontlenen dat de omgevingsvergunning zou worden verleend. Weliswaar heeft het college uitlatingen gedaan, maar om een omgevingsvergunning te kunnen verlenen is een verklaring van geen bedenkingen vereist van de raad van de gemeente en die heeft de raad niet afgegeven. De raad is niet is gebonden aan die uitlatingen van het college. Het college heeft verder geen uitlatingen gedaan over dat de vereiste verklaring zou worden verleend. [bedrijf] mocht er alleen al daarom niet op vertrouwen dat als de verklaring niet zou worden verstrekt toch omgevingsvergunning zou worden verleend. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst het college naar de uitspraken van de Afdeling van 11 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:387, en 6 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3276.

Nu er geen vertrouwen is gewekt dat de omgevingsvergunning zou worden verleend, bestaat er ook geen verplichting om door [bedrijf] geleden schade te vergoeden. De rechtbank heeft daarom ten onrechte overwogen dat het college de afwikkelingen van de geleden schade buiten het besluit zal moeten beoordelen, aldus het college.

8.1. Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij/zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe.

Vereist is dat de toezegging, andere uitlating of gedraging afkomstig is van het bevoegde bestuursorgaan of aan het bevoegde bestuursorgaan moet worden toegerekend. Om te voorkomen dat afbreuk wordt gedaan aan de ruimte van de (democratisch gekozen) gemeenteraad om een eigen belangenafweging te maken, kunnen handelingen van het college de raad alleen binden als hij daarmee instemt.

Dat sprake is van gerechtvaardigde verwachtingen betekent niet dat daaraan altijd moet worden voldaan. Andere belangen, zoals het algemeen belang of de belangen van derden, kunnen zwaarder wegen.

Wanneer er andere belangen in de weg staan aan honorering van het gewekte vertrouwen kan voor het bestuursorgaan de verplichting ontstaan om de geleden schade te vergoeden als onderdeel van de besluitvorming.

8.2. Het college heeft gedurende een periode van vier jaren naar aanleiding van een verzoek daartoe van [bedrijf], driemaal expliciet een positief principestandpunt ingenomen over een woonzorgcentrum op het perceel. In brieven van 17 september 2018, 16 januari 2019 en 22 februari 2021 heeft het college te kennen gegeven onder voorwaarden bereid te zijn daaraan mee te werken. Daarna heeft [bedrijf] de aanvraag ingediend. Het college heeft vervolgens te kennen gegeven niet meer te willen meewerken aan een woonzorgcentrum op het perceel. Het college heeft daarover op 13 april 2022 een gesprek gehad met [bedrijf]. Het college heeft daarna de raad op 14 maart 2023 het voorstel gedaan om de voor het project vereiste verklaring van geen bedenkingen niet af te geven. De raad heeft op inhoudelijke gronden besloten de verklaring niet af te geven. De raad heeft in zijn besluit overwegingen besteed aan de principebesluiten van het college. De principebesluiten hebben de raad er niet toe gebracht de verklaring af te geven.

Gelet op de in de brieven ingenomen principestandpunten mocht [bedrijf] redelijkerwijs de verwachting hebben dat het college mee zou werken aan het project., In de brieven is niet het voorbehoud gemaakt dat voor de verlening van een omgevingsvergunning voor het project een verklaring van geen bedenkingen van de raad is vereist. Dat een dergelijke verklaring is vereist, maakt niet, zoals het college heeft aangevoerd, dat de uitlatingen anders opgevat moesten worden dan [bedrijf] heeft gedaan. Dat betekent echter nog niet dat [bedrijf] uit deze uitlatingen van het college mocht afleiden dat de raad een verklaring van geen bedenkingen zou afgegeven.

Het college heeft in dat kader terecht betoogd dat uitlatingen van een college niet zonder meer toerekenbaar zijn aan de raad van een gemeente. Het staat een raad immers vrij om over een project een eigen ruimtelijke afweging te maken en een verklaring van geen bedenkingen al dan niet af te geven. Om deze reden komt aan de stelling van [bedrijf] dat zij erop mocht vertrouwen dat het college in dit geval aan de raad het voorstel zou doen tot verlening van een verklaring van geen bedenkingen, net zoals het college heeft gedaan bij een soortgelijk woonzorgcomplex in Broekhuizenvorst, niet de betekenis toe die zij daaraan toekent. De raad is namelijk niet gebonden aan de door het college gedane (ontwerp)voorstellen.

De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad heeft ingestemd met de positieve uitlatingen van het college en dat de raad bij [bedrijf] verwachtingen heeft gewekt dat de verklaring van geen bedenkingen zou worden verleend. Dat [bedrijf] op ambtelijk niveau steeds medewerking stelt te hebben ervaren, zoals door de instemming met de Ruimtelijke onderbouwing, is daarvoor onvoldoende. Nu [bedrijf] geen andere omstandigheden heeft gesteld, zijn de uitlatingen van het college niet toe te rekenen aan de raad. Dit betekent dat [bedrijf] aan de positieve uitlatingen van het college niet de gerechtvaardigde verwachting mocht ontlenen dat de raad de verklaring van geen bedenking zou verlenen. Het college heeft zich daarom in het besluit op bezwaar terecht op het standpunt gesteld dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Het college is daarom ook terecht bij zijn besluitvorming over vergunningverlening niet toegekomen aan de vraag of andere belangen aan het nakomen van de principebesluiten in de weg staan, zoals het belang van een goed woon- en leefklimaat op het perceel, en zo ja, of voor het college de verplichting is ontstaan om de geleden schade te vergoeden als onderdeel van de besluitvorming. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

Het betoog van het college slaagt.

Conclusie en proceskosten

9. Het incidenteel hoger beroep van [bedrijf] is ongegrond. Het hoger beroep van het college is gegrond. De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, wordt bevestigd.

10. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van het college gegrond;

II. verklaart het hoger beroep van [bedrijf] ongegrond;

III. bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, voorzitter, en mr. J.J.W.P. van Gastel en mr. J.A.W. Huijben, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.

w.g. Besselink

voorzitter

w.g. Van Heusden

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026

163

BIJLAGE

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk;

[…];

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan […];

[…].

Artikel 2.12

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;

[…].

Artikel 2.20a

Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit waarvoor voor het verlenen van de omgevingsvergunning een verklaring vereist is als bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, wordt de omgevingsvergunning voor die activiteit geweigerd indien de verklaring is geweigerd.

Artikel 2.27, eerste lid, luidt:

In bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen wordt een omgevingsvergunning niet verleend dan nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft. […]

Besluit omgevingsrecht

Artikel 6.5

1. Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, wordt de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, niet verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft […].

2 De verklaring kan slechts worden geweigerd in het belang van een goede ruimtelijke ordening. […]

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?