202300076/1/A3.
Datum uitspraak: 1 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd in [plaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 november 2022 in zaken nrs. 21/2275, 21/2276, 21/2277 en 21/2278 in het geding tussen:
[appellante]
en
de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (voorheen: de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid), hierna: de staatssecretaris.
Procesverloop
Op 13 november 2020 is in de Staatscourant gepubliceerd de "Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 3 november 2020, 2020-0000138988, tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenregeling in verband met de eisen voor (her)registratie in het Register veilig werken met explosieve stoffen en de vervanging van bijlage XI en XII door een certificatieschema inzake opsporen van ontplofbare oorlogsresten" (hierna: de Regeling).
Op 13 november 2020 is in de Staatscourant gepubliceerd de "Bekendmaking van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 3 november 2020, nr. 2020-0000138632, houdende de publicatie van het Registratieschema voor het Register veilig werken met explosieve stoffen dat is vastgesteld door het bestuur van de Stichting Veilig Omgaan met Explosieve Stoffen" (hierna: het Registratieschema).
Op 13 november 2020 is in de Staatscourant gepubliceerd de "Bekendmaking van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 3 november 2020, nr. 2020-0000170973, houdende publicatie van het Certificatieschema voor het Opsporen van ontplofbare oorlogsresten dat is vastgesteld door de Stichting Veilig Omgaan met Explosieve Stoffen als bedoeld in artikel 1.5a, onderdeel c, van het Arbeidsomstandighedenbesluit" (hierna: het Certificatieschema).
Op 4 december 2020 is in de Staatscourant gepubliceerd het "Besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 26 november 2020, nr. 2020-0000158163, houdende aanwijzing van de Stichting Veilig Omgaan met Explosieve Stoffen (hierna: Stichting VOMES) als verwerker als bedoeld in artikel 28 van de Algemene verordening gegevensbescherming en verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de Stichting VOMES ter uitvoering van het beheer van het Register Veilig Werken met Explosieve Stoffen" (hierna: het Besluit aanwijzing).
Bij vier afzonderlijke besluiten van 16 april 2021 heeft de staatssecretaris de bezwaren van [appellante] tegen voornoemde bekendmakingen niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 22 november 2022 heeft de rechtbank de door [appellante] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 6 juni 2025, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en bijgestaan door mr. P.C. Adriaanse, advocaat in Middelburg, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. I.M. van der Heijden en mr. D.K. Jongkind, advocaten in Den Haag, zijn verschenen. Verder zijn op de zitting Stichting Veilig Omgaan met Explosieve Stoffen (hierna: Stichting VOMES) en Stichting Examinering Veilig Omgaan met Explosieve Stoffen (hierna: Stichting Examinering VOMES), beide vertegenwoordigd door [gemachtigde B] en bijgestaan door mr. J. Schrijnemaekers, advocaat in Den Bosch, als partij gehoord.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] is een onderneming mede gericht op advisering, opleiding, examinering en uitvoering op het gebied van opsporing en vernietiging van explosieven. Door de inwerkingtreding van de wijzigingen van de Regeling, het Registratieschema, het Certificatieschema en het Besluit aanwijzing kan [appellante] geen examens meer afnemen die bij een positief resultaat van de examenkandidaat kunnen leiden tot registratie van die persoon in het Register veilig werken met explosieve stoffen (hierna: het Register). [appellante] heeft bezwaar gemaakt tegen de bekendmakingen. De staatssecretaris heeft de bezwaren van [appellante] niet-ontvankelijk verklaard. Volgens de staatssecretaris is de Regeling een algemeen verbindend voorschrift waartegen op grond van artikel 7:1 en artikel 8:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) geen bezwaar en beroep kan worden ingesteld. De bekendmakingen van het Registratieschema en het Certificatieschema zijn volgens de staatssecretaris geen besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Awb dan wel beleidsregels waartegen geen bezwaar of beroep kan worden ingesteld. Ten aanzien van het Besluit aanwijzing is [appellante] volgens de staatssecretaris geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb heeft de staatssecretaris afgezien van het horen van [appellante].
2. [appellante] heeft, kort samengevat, betoogd dat de Regeling een beschikking is voor zover de Regeling verwijst naar het Registratieschema dat op zichzelf, net als het Certificatieschema, volgens [appellante] een voor bezwaar vatbaar besluit is. Verder stelt [appellante] belanghebbende te zijn bij het Besluit aanwijzing. [appellante] is deze procedure gestart omdat zij stelt door de aanwijzing van Stichting VOMES en Stichting Examinering VOMES schade te lijden. [appellante] is, zo stelt zij ook, de kans ontnomen de leidende positie van [appellante] binnen de branche te behouden en te laten groeien.
Wettelijk kader
3. De voor deze zaak van belang zijnde bepalingen zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Beoordeling
4. De Afdeling zal hierna per onderdeel het oordeel van de rechtbank weergeven, de gronden die [appellante] daartegen in hoger beroep heeft aangevoerd en het oordeel van de Afdeling.
De Regeling
5. De rechtbank heeft over de Regeling geoordeeld dat de statische verwijzing in artikel 4.16 van de Arbeidsomstandighedenregeling, die met de Regeling wordt gewijzigd, niet betekent dat artikel 4.16 daarmee de aanwijzing van Stichting VOMES als registratie-instelling en Stichting Examinering VOMES als exameninstelling inhoudt. De verwijzing strekt volgens de rechtbank niet verder dan dat volgens het Registratieschema moet worden geregistreerd, zonder dat de staatssecretaris de registratie-eisen daarmee tot de zijne heeft gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is artikel 4.16 van de Regeling een algemeen verbindend voorschrift.
5.1. [appellante] betoogt in hoger beroep dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de Regeling een appellabele beschikking is. Volgens [appellante] bevat artikel 4.16 van de Regeling een statische verwijzing naar het Registratieschema, waarmee het Registratieschema wettelijk verbindend is geworden. Uit de uitspraak van de Afdeling van 1 juni 1999, ECLI:NL:RVS:1999:AH6757, volgt volgens [appellante] dat een onderdeel van een algemeen verbindend voorschrift waarin een private stichting wordt aangewezen om examens af te nemen moet worden aangemerkt als een beschikking. De aanwijzingen van Stichting VOMES als registratie-instelling en Stichting Examinering VOMES als exameninstelling zijn daarmee volgens [appellante] appellabele beschikkingen.
5.2. De Afdeling is van oordeel dat de Regeling, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ2498, moet worden gekwalificeerd als een algemeen verbindend voorschrift. Zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld bevat artikel 4.16, eerste lid, van de Regeling geen aanwijzing van een exameninstelling of registratie-instelling. De statische verwijzing in de Regeling regelt alleen dat overeenkomstig het Registratieschema moet worden geregistreerd. Daarmee verschilt deze zaak van de zaak waarop de uitspraak van 1 juni 1999 ziet, waarin wel een instantie expliciet was aangewezen als exameninstelling.
5.3. Bovenstaande betekent dat geen bezwaar en beroep tegen de Regeling openstaat. Het betoog van [appellante] slaagt niet.
Het Registratieschema en het Certificatieschema
6. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Registratieschema en het Certificatieschema zijn vastgesteld door Stichting VOMES. Dat de staatssecretaris de bekendmakingen hiervan heeft gepubliceerd, betekent volgens de rechtbank niet dat de staatssecretaris ook het Registratieschema en het Certificatieschema heeft vastgesteld. Stichting VOMES is geen bestuursorgaan en er is dan ook naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van door de staatssecretaris als bestuursorgaan genomen voor beroep vatbare besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Awb.
6.1. [appellante] betoogt dat de bekendmakingen van het Registratieschema en het Certificatieschema concretiserende besluiten van algemene strekking zijn. Volgens [appellante] onderkent de rechtbank niet dat de staatssecretaris verantwoordelijk is voor het vaststellen van de eisen voor (her)registratie en niet Stichting VOMES. Volgens [appellante] is de rol van Stichting VOMES beperkt tot het geven van advies. [appellante] verwijst ter onderbouwing naar de Nota van Toelichting bij het "Besluit van 28 november 2019 tot wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit in verband met de inrichting van registers en in samenhang daarmee het vaststellen van eisen aan de professionele uitoefening voor diverse beroepen".
6.2. De Afdeling is van oordeel dat het Registratieschema en het Certificatieschema moeten worden aangemerkt als beleid van de staatssecretaris ter invulling van artikel 4.16, eerste lid, en artikel 4.17e van de Regeling. Hoewel hieruit volgt dat het Stichting VOMES is die de schema’s heeft vastgesteld en Stichting VOMES geen bestuursorgaan is, zoals bedoeld in artikel 1:1 van de Awb, maakt de publicatie door de staatssecretaris in de Staatscourant dat moet worden gesproken van beleid. Het is, zoals [appellante] terecht stelt, de staatssecretaris die met een publieke taak belast is en uit dien hoofde verantwoordelijk is voor het vaststellen van de eisen voor (her)registratie. Met de bekendmaking van de door Stichting VOMES vastgestelde schema’s voert de staatssecretaris die publieke taak uit. Er is niet aan Stichting VOMES een regelgevende bevoegdheid verleend waardoor niet kan worden gesproken van een algemeen verbindend voorschrift. Het beleid is een beleidsregel zoals bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Awb. Op grond van artikel 8:3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb, is het beleid daarom niet vatbaar voor bezwaar en beroep. Het Registratieschema en het Certificatieschema zijn dan ook geen appellabele besluiten.
6.3. De Afdeling ziet dit anders voor zover in het Registratieschema Stichting Examinering VOMES is aangewezen als exameninstelling. In artikel 3.1 van het Registratieschema is bepaald dat examens worden afgenomen door de exameninstelling. Op grond van artikel 2 van het Registratieschema is Stichting Examinering VOMES de exameninstelling. Nergens anders is geregeld welke instantie in het geval van werken met explosieve stoffen de exameninstelling is. Nu het gaat om één organisatie die is aangewezen als exameninstelling is dat onderdeel van het Registratieschema, analoog aan de uitspraak van de Afdeling van 1 juni 1999, ECLI:NL:RVS:1999:AH6757, in zoverre een beschikking als bedoeld in artikel 1:3, tweede lid, van de Awb. Dat betekent dat dit onderdeel wel voor bezwaar en beroep vatbaar is en dat [appellante] hierbij een belang kan hebben. Het besluit van 16 april 2021, met kenmerk WBJA/SVIA/3.2021.0038.001, bevat daarmee een motiveringsgebrek en is genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De Afdeling ziet hierin overigens geen belemmering dat van rechtszoekenden zou worden verwacht zelf te onderzoeken of een onderdeel van beleid mogelijk een beschikking is en hiertegen tijdig rechtsmiddelen in te zetten, voordat de beschikking formele rechtskracht krijgt. Er zal uiteindelijk namelijk door het bestuursorgaan moeten worden beoordeeld of sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.
6.4. Het betoog slaagt.
Het Besluit aanwijzing
7. De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellante] door het Besluit aanwijzing niet wordt geraakt in haar positie als concurrerende exameninstelling, omdat het Besluit aanwijzing niet gaat over de aanwijzing van een exameninstelling. Volgens de rechtbank is verder niet gebleken van een reële mogelijkheid dat [appellante] als gevolg van het Besluit aanwijzing geschaad zal worden in een aan een fundamenteel recht ontleend belang. Naar het oordeel van de rechtbank is [appellante] dan ook geen belanghebbende bij het Besluit aanwijzing.
7.1. Volgens [appellante] heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat [appellante] geen belanghebbende is bij het Besluit aanwijzing. Volgens [appellante] onderkent de rechtbank niet dat het Besluit aanwijzing gaat over Stichting VOMES die als registratie-instelling verantwoordelijk wordt voor de examinering. Als exameninstelling heeft [appellante] daarom een rechtstreeks belang. Het belang van [appellante] is ook breder omdat aan haar niet de gelegenheid is geboden op gelijke voet mee te dingen naar de schaarse rechten die aan Stichting VOMES en Stichting Examinering VOMES zijn toegekend. [appellante] is nu volledig aangewezen op Stichting VOMES en is de kans ontnomen de leidende positie van [appellante] binnen de branche te behouden en te laten groeien. [appellante] heeft geïnvesteerd in verdere ontwikkeling van haar opleidingscentrum en heeft door het Besluit aanwijzing schade geleden. Ook wordt de vrijheid van ondernemerschap volgens [appellante] aangetast en is [appellante] daarmee reëel geschaad in een fundamenteel recht.
7.2. De Afdeling volgt het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd. Het Besluit aanwijzing ziet niet op de aanwijzing van een exameninstelling of registratie-instelling. Het gaat hier om de aanwijzing van Stichting VOMES als verwerker in de zin van de AVG en om de verlening van mandaat, volmacht en machtiging om het Register Veilig Werken met Explosieve Stoffen te beheren. Er is niet gebleken dat [appellante] concrete plannen heeft om het register te beheren of te worden aangemerkt als gegevensverwerker in de zin van de AVG. Daarmee heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt dat de aanwijzing van Stichting VOMES in dit kader haar belangen heeft geschaad.
Horen in bezwaar
8. Volgens de rechtbank heeft de staatssecretaris ten onrechte afgezien van het horen van [appellante]. De rechtbank heeft dit gebrek gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat [appellante] naar het oordeel van de rechtbank niet in haar belangen is geschaad, omdat [appellante] bij de behandeling van haar beroepen in de gelegenheid is geweest haar standpunten toe te lichten.
8.1. [appellante] betoogt dat door haar niet te horen het Unierechtelijke beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging geschonden is. Volgens [appellante] is het inzagerecht van artikel 7:4, tweede lid, van de Awb, een fundamentele waarborg voor een goed verlopende bezwaarprocedure en hadden op de zaak betrekking hebbende stukken moeten worden overgelegd als [appellante] wel was gehoord. Volgens [appellante] heeft de rechtbank dan ook ten onrechte dit gebrek gepasseerd en geoordeeld dat zij door het niet-horen niet is benadeeld.
8.2. Gelet op wat onder 6.3 is overwogen, heeft de staatssecretaris [appellante] ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wat betreft het onder 6.3 genoemde onderdeel van het Registratieschema en heeft de rechtbank dit gebrek niet op grond van artikel 6:22 van de Awb kunnen passeren. Het is nodig dat [appellante] over haar bezwaar over het Registratieschema wordt gehoord, omdat zij mogelijk een specifiek belang kan hebben bij dit onderdeel van het Registratieschema en dit onvoldoende aan bod is gekomen in de beroepsprocedure. De rechtbank heeft het gebrek naar het oordeel van de Afdeling wel kunnen passeren ten aanzien van de Regeling, het Certificatieschema en het Besluit aanwijzing, omdat het aannemelijk is dat het horen ten aanzien van deze onderdelen niet tot een ander besluit zou hebben geleid en [appellante] hierdoor niet is benadeeld, omdat zij tijdens de beroepsprocedure hierover in de gelegenheid is geweest haar standpunten toe te lichten.
Conclusie
9. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd, voor zover de rechtbank het beroep ongegrond heeft verklaard ten aanzien van het Registratieschema. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep voor zover het is gericht tegen het Registratieschema gegrond verklaren. De uitspraak zal voor het overige worden bevestigd. De Afdeling vernietigt het besluit van 16 april 2021, met kenmerk WBJA/SVIA/3.2021.0038.001 en draagt de staatssecretaris op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak opnieuw te beslissen op het bezwaar van [appellante] tegen het Registratieschema. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat het tegen het nog te nemen nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.
9.1. Bovenstaande betekent dat de oordelen van de rechtbank over de Regeling, het Certificatieschema en het Besluit aanwijzing in stand blijven. Alleen voor het Registratieschema zal opnieuw de bezwaarprocedure moeten worden doorlopen.
10. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Overschrijding redelijke termijn
11. [appellante] heeft de Afdeling verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
11.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188, is de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), overschreden, als de duur van de totale procedure te lang is. In zaken met een voorafgaande bezwaarschriftprocedure vangt de termijn aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. De termijn eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd, waarbij de behandeling van het bezwaar ten hoogste zes maanden, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren.
11.2. De staatssecretaris heeft het bezwaarschrift van [appellante] ontvangen op 23 december 2020. Bij uitspraak van heden beslist de Afdeling op het hoger beroep. Sinds 23 december 2020 en de uitspraak van heden zijn vijf jaar, drie maanden en 9 dagen verstreken. Dit betekent dat de procedure meer dan een jaar te lang heeft geduurd.
11.3. De behandeling van het bezwaar heeft drie maanden en 23 dagen geduurd. De behandeling van het beroep bij de rechtbank heeft een jaar en zes maanden geduurd. De behandeling van het hoger beroep heeft iets meer dan drie jaar en drie maanden geduurd. Dit betekent dat de overschrijding van de redelijke termijn geheel wordt toegerekend aan de Afdeling.
11.4. Uitgaande van een forfaitair tarief van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt het aan [appellante] toe te kennen bedrag € 1.500,00. De vergoeding van de schade wordt uitgesproken ten laste van de Staat (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties).
11.5. De Staat moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 november 2022 in zaken nrs. 21/2275, 21/2276, 21/2277 en 21/2278, voor zover de rechtbank het beroep tegen het Registratieschema ongegrond heeft verklaard;
III. verklaart het beroep gegrond, wat betreft het Registratieschema;
IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 april 2021, met kenmerk WBJA/SVIA/3.2021.0038.001;
V. draagt de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar tegen het Registratieschema te beslissen;
VI. bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;
VII. veroordeelt de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.736,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
VIII. gelast dat de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 908,00 vergoedt.
IX. veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [appellante] een schadevergoeding van € 1.500,00 te betalen;
X. veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. J. Th. Drop en mr. C.C.W. Lange, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.W.M.J. Bossmann, griffier.
w.g. Scholten-Hinloopen
voorzitter
w.g. Bossmann
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026
314-1104
BIJLAGE
Arbeidsomstandighedenbesluit
Artikel 4.10. Ontplofbare oorlogsresten
[…]
5. Het opsporen van ontplofbare oorlogsresten wordt uitsluitend verricht door:
a. een bedrijf dat voor de te verrichten arbeid in het bezit is van een certificaat opsporen ontplofbare oorlogsresten dat is afgegeven door Onze Minister of een door hem aangewezen certificerende instelling; of
[…]
10. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van het tweede tot en met zesde lid.
Arbeidsomstandighedenregeling
Artikel 4.16. Registratie of herregistratie van personen die werken met explosieve stoffen
1. Een persoon is in het bezit van een bewijs van registratie of herregistratie in het Register veilig werken met explosieve stoffen, en is geregistreerd op basis van het Registratieschema veilig werken met explosieve stoffen, zoals vastgesteld door het bestuur van de Stichting Veilig Omgaan met Explosieve Stoffen (VOMES) op 12 november 2024, en door de minister is gepubliceerd in de Staatscourant van 12 december [Red: 2024] (Stcrt. 2024-39688), op het competentieniveau:
[…]
Artikel 4.17e. Eisen voor de aanwijzing als certificerende instelling op het werkveld opsporen van ontplofbare oorlogsresten
Een aanwijzing als certificerende instelling als bedoeld in artikel 4.10, vijfde lid, van het besluit, kan geschieden indien de aanvragende instelling voldoet aan de criteria, vastgelegd in hoofdstuk 6 van het Certificatieschema voor het Opsporen van ontplofbare oorlogsresten, dat is vastgesteld door de Stichting Veilig Omgaan met Explosieve Stoffen op 15 oktober 2020 en door de minister is gepubliceerd in de Staatscourant van 13 november 2020, (Stcrt. 2020, 58198).
Registratieschema voor het Register veilig werken met explosieve stoffen
Artikel 2 Definities
[…]
Examen-instelling: Stichting Examinering Vomes.
[…]
Artikel 3.1 Examinering
De kandidaat legt een examen af op basis van de eisen die gelden voor een competentieniveau als uitgewerkt in één van de bijlagen 1 tot en met X. De examens worden afgenomen door de examen-instelling. De examinering door de examen-instelling vindt plaats onder verantwoordelijkheid van de registratie-instelling en volgens de eisen in dit registratieschema, de overige aan en door de registratie-instelling gestelde eisen en het examenreglement. […]