202407187/1/R2.
Datum uitspraak: 1 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in Zeeland, gemeente Maashorst,
appellant,
en
de raad van de gemeente Maashorst,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 10 oktober 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "CHW-bestemmingsplan Repelakker III Zeeland" (het bestemmingsplan) vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
[partij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 18 maart 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. A.A. Alciyan, advocaat in Nijmegen, en de raad, vertegenwoordigd door mr. R.J.H. Minkhorst, advocaat in Nijmegen, en mr. ing. A.P.J. Timmermans, zijn verschenen. Voorts is op de zitting [partij], vertegenwoordigd door M.J.G.M. Geerts, als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
2. Het ontwerpplan is op 7 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Crisis- en herstelwet (Chw), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
3. Het bestemmingsplan voorziet in de mogelijkheid 200 woningen te realiseren in het noordwesten van het dorp Zeeland, grenzend aan het bestaande woongebied Repelakker en de weg Bergmaas. [partij] is de ontwikkelaar van de voorziene woningen.
4. Het bestemmingsplan is een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte. Dit betekent dat de raad gebruik heeft kunnen maken van extra mogelijkheden voor de inrichting van dit bestemmingsplan op basis van artikel 2.4 van de Chw in samenhang met artikel 7c van het Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet (BuChw).
5. [appellant] woont aan de [locatie] in Zeeland. De achtertuin van zijn woning, die een L-vorm heeft, grenst aan de zuidzijde van het plangebied. [appellant] kan zich niet verenigen met het bestemmingsplan en is daartegen opgekomen.
Toetsingskader
6. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
7. Omdat in dit geval sprake is van een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte kunnen verder op grond van artikel 7c, eerste lid, onder a en b, van het BuChw, in aanvulling op artikel 3.1, eerste lid, van de Wro, in het plan ook regels worden gesteld die strekken ten behoeve van het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke functies. De Afdeling zal daarom ook beoordelen of - voor zover dat aan de orde is - de raad voldoende heeft gemotiveerd dat hij het plan in overeenstemming met de in artikel 7c, eerste lid, onder a en b, van het BuChw, vermelde criteria heeft vastgesteld.
Beroep [appellant]
8. [appellant] stelt dat uit de planregels blijkt dat de enkelbestemming "Groen", die is toegekend aan de direct aan zijn achtertuin grenzende percelen [perceel 1] en [perceel 2], een zeer ruime variëteit aan bestemmingen bevat. Dit aantal is te ruim, waardoor omwonenden onvoldoende concreet kunnen herleiden wat ter plaatse te verwachten is. Dit geldt temeer nu enkele bestemmingen zeer uiteenlopend van aard zijn met betrekking tot gebruik, overlast of visuele uitstraling. Dit is in strijd met een goede ruimtelijke ordening, de rechtszekerheid en het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel, aldus [appellant].
[appellant] stelt verder dat uit een afbeelding in de voor het gebied vastgestelde Gebiedsvisie een waterpartij is ingetekend die direct aan zijn tuin grenst. In de toelichting van het bestemmingsplan wordt naar de Gebiedsvisie verwezen, maar in de verbeelding van het plan is geen waterpartij ingetekend. Daardoor is voor hem niet duidelijk waar de waterpartij concreet en exact beoogd is. Dit gaat in tegen zijn belangen, nu hij onder geen beding een sloot of watervoorziening wil die direct aan zijn perceel grenst. [appellant] heeft er in dit kader in het nadere stuk op gewezen dat hij in zijn achtertuin een mantelzorgwoning wil oprichten en dat hij, om die woning te kunnen bereiken, ook een achteruitgang op zijn perceel wil. Een sloot of watervoorziening staat hieraan volgens hem in de weg.
8.1. Aan de gronden die grenzen aan de tuin van [appellant] is de bestemming "Groen" met de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - geluidzone" toegekend.
In artikel 3.1.1 van de planregels is bepaald dat de voor "Groen" aangewezen gronden zijn bestemd voor:
"a. groenvoorzieningen;
b. natuurwaarden;
c. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
d. speel- en verblijfsvoorzieningen en beeldende kunst;
e. voorzieningen voor langzaam verkeer, inritten en uitritten;
f. ontsluitingswegen woningclusters;
g. ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'overige zone - verkeersverbinding', een verkeersverbinding vanaf de hoofdontsluiting van het woongebied naar Repelakker II-Vaandriglaan.
h. nutsvoorzieningen;
i. wonen met geclusterde parkeervoorzieningen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'wonen'.
j. alternatieve woonvormen met geclusterde parkeervoorzieningen; uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'wonen'."
In artikel 3.1.2 van de planregels is bepaald dat de voor "Groen" aangewezen gronden, zolang de onder 3.1.1 genoemde functies nog niet zijn gerealiseerd, bestemd zijn voor de volgende functies:
"a. agrarisch activiteiten;
b. wegen, straten en paden.
met aan de hierboven genoemde functies ondergeschikt:
c. groenvoorzieningen;
d. natuur;
e. bermen en beplanting;
f. waterhuishoudkundige voorzieningen en waterpartijen alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen;
g. nutsvoorzieningen."
8.2. Naar het oordeel van de Afdeling blijkt uit de artikelen 3.1.1 en 3.1.2 van de planregels duidelijk voor welke activiteiten de gronden met de bestemming "Groen" gebruikt kunnen worden. Verder blijkt uit artikel 3.1.1 dat een deel van de daarin genoemde activiteiten alleen kan worden gerealiseerd als de gronden op de planverbeelding naast de bestemming "Groen" de aanduiding "wonen" of "overige zone - verkeersverbinding" hebben. Gelet hierop kan een ieder aan de hand van de planverbeelding nagaan welke activiteiten als bedoeld in artikel 3.1.1 mogelijk zijn op de gronden met de bestemming "Groen" en dus wat er te verwachten is. Dat het daarbij om uiteenlopende activiteiten kan gaan, maakt dit niet anders.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
8.3. Op de gronden van het plangebied die (direct) grenzen aan de achtertuin van [appellant] rust de bestemming "Groen" zonder de aanduiding "wonen" of "overige zone - verkeersverbinding". Dit betekent dat op deze gronden de activiteiten, genoemd in artikel 3.1.1, onder a tot en met f, en h, van de planregels kunnen worden gerealiseerd, waaronder water en waterhuishoudkundige voorzieningen, en dat [appellant] daarmee rekening moet houden.
Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich op het standpunt kunnen stellen dat [appellant] hierdoor niet onevenredig in zijn belangen wordt geraakt. In dit kader is allereerst van belang dat de raad in paragraaf 5.12.4 en verder van de plantoelichting heeft toegelicht dat vanwege de toename van verhard oppervlak in het gebied als gevolg van de 200 woningen ook extra waterbergingscapaciteit moet worden gerealiseerd en dat deze is voorzien in de zone met de bestemming "Groen". Verder is van belang dat de raad er terecht op heeft gewezen dat de gronden van [appellant] niet binnen het plangebied vallen en dat het bestemmingsplan de planologische mogelijkheden van [appellant] op die gronden dus niet beperkt. Ook heeft de raad erop gewezen dat geen van de percelen aan de Noordveld een toegang aan de achterzijde heeft en dat hij ook niet voornemens is om daar aan mee te werken. Gelet hierop heeft de raad meer belang aan het voorzien in waterbergingscapaciteit op de gronden met de bestemming "Groen" mogen hechten dan aan het belang van [appellant].
Het betoog van [appellant] slaagt ook in zoverre niet.
9. [appellant] betoogt dat in het bestemmingsplan onvoldoende planologisch is verankerd hoe met name fietspaden moeten lopen. Uit de in de toelichting weergegeven beoogde routes maakt [appellant] op dat de aansluiting van die routes zou moeten worden aangelegd op gronden die in eigendom zijn van private partijen, zoals hijzelf. De gemeente heeft op dit moment geen of onvoldoende zekerheid dat toestemming of recht bestaat op de aanleg van deze routes. Gelet hierop mist het bestemmingsplan een deugdelijke onderbouwing en is het in strijd met een goede ruimtelijke ordening, aldus [appellant].
9.1. De gronden van [appellant] zijn niet in het plangebied gelegen. Het plan voorziet er dus niet in dat op de gronden van [appellant] (mogelijk) een langzame verkeersroute wordt aangelegd. Verder heeft de raad op de zitting toegelicht dat de gronden van [appellant] ook niet nodig zijn om de langzame verkeersroutes uit het plangebied te verbinden met routes buiten het plangebied. De raad heeft er in dit kader op gewezen dat de gronden rondom de weg Bergmaas, anders dan de gronden van [appellant], een verkeersbestemming hebben en dat daar veel ruimte is om een dergelijke langzame verkeersroute te realiseren. [appellant] heeft dit niet betwist.
Het betoog slaagt niet.
10. [appellant] betoogt ten slotte dat de raad in het besluit van 10 oktober 2024 ten onrechte geen ontsluiting voor gemotoriseerd verkeer mogelijk heeft gemaakt tussen de bestaande en de voorziene nieuwe wijk. Daardoor is onduidelijk waar of op welke wijze die ontsluiting zal plaatsvinden. Uit de plantoelichting lijkt te kunnen worden afgeleid dat het plangebied alleen ontsloten zal worden via één enkele route. De belangen van de toekomstige bewoners van de te realiseren woonwijk zijn onvoldoende meegewogen. Zij worden geconfronteerd met verkeerskundige risico’s aangezien er slechts een enkele ontsluiting is beoogd. Ook is niet voldoende belicht dat de toekomstige bewoners enorm om zullen moeten rijden om bij de dorpskern en de zich daarin bevindende voorzieningen te kunnen komen. Gelet hierop is sprake van onzorgvuldige voorbereiding, schending van het motiveringsbeginsel, een onjuiste belangenafweging en is het bestemmingsplan in strijd met een goede ruimtelijke ordening, aldus [appellant].
10.1. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt.
10.2. Naar het oordeel van de Afdeling is bij dit betoog geen sprake van een belang dat [appellant] zelf raakt. Het betoog van [appellant] strekt namelijk ter bescherming van het belang van toekomstige bewoners van de voorziene woonwijk bij zowel de toegankelijkheid van die wijk zelf als de toegankelijkheid van de dorpskern en de zich daar bevindende voorzieningen, en niet ter bescherming van zijn eigen belang. Dat, naar [appellant] heeft gesteld, hij mogelijk ooit in de toekomst een woning in de nieuwe wijk zou willen kopen, maakt het voorgaande niet anders, nu niet is gebleken van concrete interesse in de koop van een woning in de nieuwe wijk. Gelet hierop, komt de Afdeling niet toe aan een inhoudelijke bespreking van de beroepsgrond.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond.
12. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Ouwehand, griffier.
w.g. Kaajan
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Ouwehand
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026
752