202500938/1/A2.
Datum uitspraak: 14 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Rotterdam,
appellante,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) van 5 februari 2025 in zaak nrs. 24/10453 en 25/721 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college).
Procesverloop
Bij besluit van 5 juni 2024 heeft de Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond (hierna: de SUWR) de urgentieverklaring van [appellante], die verleend was op sociale gronden, stopgezet.
Bij besluit van 17 oktober 2024 heeft de SUWR het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 5 februari 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 23 december 2025, waar het college, vertegenwoordigd door mr. A.M.H. Dellaert, is verschenen.
Overwegingen
1. Bij besluit van 18 januari 2024 heeft de SUWR aan [appellante] een urgentieverklaring verleend op grond van artikel 5.4, eerste lid, van Bijlage 1 van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2020 (hierna: de huisvestingsverordening). Dit betreft een urgentieverklaring die wordt verleend in het geval dat iemand als gevolg van bedreiging, ernstig psychisch of fysiek geweld niet meer in de huidige woonruimte kan blijven wonen. Aanleiding voor de aanvraag was een incident met haar buurman.
2. Na het verkrijgen van een urgentieverklaring begint in de regio Rotterdam fase 1. Dit is de zogeheten ‘zelf-zoek-periode’ die drie maanden duurt. Op grond van artikel 2.4, eerste lid, aanhef en onder a, van Bijlage 1 van de huisvestingsverordening is het bestuursorgaan bevoegd om de urgentieverklaring in te trekken als de houder van de urgentieverklaring na afloop van de eerste fase niet ten minste twaalf keer heeft gereageerd op woningen die voldoen aan het zoekprofiel in de urgentieverklaring. Bij besluit van 5 juni 2024 heeft de SUWR vastgesteld dat [appellante] onvoldoende heeft gereageerd op woningen die passen binnen het zoekprofiel van de urgentieverklaring en daarom besloten de urgentieverklaring van [appellante] in te trekken. Bij besluit van 17 oktober 2024 heeft de SUWR dit besluit gehandhaafd.
Aangevallen uitspraak
3. De rechtbank heeft het beroep van [appellante] ongegrond verklaard. In de zoekperiode zijn 58 woningen aangeboden die voldoen aan het zoekprofiel. [appellante] heeft slechts op vijf van deze woningen gereageerd. De door [appellante] aangevoerde omstandigheid dat zij alleen op woningen heeft gereageerd die voor haar persoonlijke situatie geschikt zijn, volgt de rechtbank niet. [appellante] heeft de urgentieverklaring gekregen om zo snel mogelijk uit haar huidige woning te kunnen vertrekken. Daarbij past niet dat zij zelf strengere eisen gaat stellen aan de nieuwe woning. Dat [appellante] niet meer met voorrang kan reageren op woningen, is dan ook een situatie die door haarzelf is gecreëerd. Hoewel het vervelend is voor [appellante] dat zij haar urgentieverklaring kwijt is en dat zij en haar kinderen hier negatieve gevolgen van ondervinden, acht de rechtbank dit geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan de hardheidsclausule zou moeten worden toegepast. Het college heeft daarom kunnen besluiten om de urgentieverklaring in te trekken.
Beoordeling van het hoger beroep
Bevoegdheid SUWR
4. In paragraaf 2 van Bijlage I van de huisvestingsverordening, zoals deze luidde ten tijde van de besluitvorming, had het college de bevoegdheid om te beslissen op urgentieaanvragen en de daaruit volgende procedures, waaronder ook intrekkingen van de urgentieverklaring, gedelegeerd aan de SUWR. In haar uitspraak van 17 december 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:6141, r.o. 5-7) heeft de Afdeling geconstateerd dat het ontbreekt aan een wettelijke grondslag om deze bevoegdheid te delegeren. Dit betekent dat de besluiten van 5 juni en 17 oktober 2024 onbevoegd zijn genomen.
5. Bij brief van 24 november 2025 heeft het college een bekrachtigingsbesluit van 30 september 2025 overgelegd waarin het de besluiten van 5 juni en 17 oktober 2024 bekrachtigt. Omdat uit het besluit van 30 september 2025 blijkt dat het college met de intrekking van de urgentieverklaring instemt, is het niet aannemelijk dat het college, als het nu opnieuw een besluit zou nemen, een besluit met een andere inhoud zou nemen. Het is daarom ook niet aannemelijk dat [appellante] door het bevoegdheidsgebrek is benadeeld. Gelet daarop ziet de Afdeling aanleiding om het bevoegdheidsgebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht.
Het oordeel van de Afdeling
6. De gronden die [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 12 opgenomen overweging, waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling voegt daar nog het volgende aan toe.
7. In hoger beroep heeft [appellante] de vrees uitgesproken dat de huidige woonsituatie op de lange termijn negatieve gevolgen zal hebben voor het mentale welzijn van haar kinderen en dat dit de ontwikkeling en schoolprestaties van haar kinderen negatief zal beïnvloeden. Hierbij betrekt [appellante] ook het gegeven dat zij vanwege de intrekking de komende twee jaar niet in aanmerking komt voor een nieuwe urgentieverklaring, gelet op artikel 2.3, tweede lid, aanhef en onder d, van Bijlage 1 van de huisvestingsverordening. Dit tezamen maakt volgens [appellante] dat het besluit om de urgentieverklaring in te trekken onevenredig is.
7.1. De Afdeling heeft oog voor de belangen van de minderjarige kinderen van [appellante]. De Afdeling ziet in wat [appellante] heeft aangevoerd echter onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de door het college gemaakte belangenafweging, mede bezien in het licht van de belangen van de minderjarige kinderen, onjuist is. Hierbij merkt de Afdeling op dat [appellante] in beroep of hoger beroep geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt welke invloed de huidige woonsituatie heeft op de mentale en/of fysieke gezondheid van haar en haar kinderen. Dat sprake is van een onhoudbare situatie, zoals [appellante] betoogt, is de Afdeling dan ook niet gebleken. Daarbij merkt de Afdeling op dat [appellante], als de huidige woonsituatie volgens haar onhoudbaar is, een nieuwe aanvraag kan doen. Op de zitting heeft het college toegelicht dat het, ook in gevallen waarin de aanvraag binnen de termijn van twee jaar is gedaan, aan de hand van de actuele feiten en omstandigheden beoordeelt of er aanleiding bestaat om opnieuw een urgentieverklaring te verlenen, al dan niet door toepassing te geven aan de hardheidsclausule
Conclusie
8. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
9. Het college moet de proceskosten voor het hoger beroep vergoeden. De reden daarvoor is dat de Afdeling het onder 4 beschreven bevoegdheidsgebrek passeert met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam tot vergoeding van de bij [appellante] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te reken aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III. gelast dat het college van burgemeester en wethouders aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 289,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. A.B. Blomberg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Rietveld, griffier.
w.g. Blomberg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Rietveld
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026
1064