ECLI:NL:RVS:2026:186

ECLI:NL:RVS:2026:186, Raad van State, 14-01-2026, 202407127/1/A2

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 14-01-2026
Datum publicatie 14-01-2026
Zaaknummer 202407127/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 22 september 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oss de aanvraag van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen. [appellant] is eigenaar van de woning aan de [locatie 1] te Geffen. Hij heeft op 19 oktober 2022 een tegemoetkoming in planschade aangevraagd. Volgens hem is de woning als gevolg van het bestemmingsplan Kom Geffen en het bestemmingsplan Uitbreiding bedrijf [locatie 2] Geffen in waarde verminderd. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college terecht de gevolgen van het bestemmingsplan vanwege verjaring niet heeft betrokken bij de bepaling van de planschade. Omdat geen beroep is ingesteld tegen de vaststelling van het bestemmingsplan, is het bestemmingsplan op 10 augustus 2017 onherroepelijk geworden. De aanvraag van [appellant] is op 19 oktober 2022 ingediend. Dit is meer dan vijf jaar na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het college het advies van SAOZ aan zijn besluitvorming ten grondslag mocht leggen.

Uitspraak

202407127/1/A2.

Datum uitspraak: 14 januari 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Geffen, gemeente Oss,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost­Brabant van 29 oktober 2024 in zaak nr. 24/325 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Oss.

Procesverloop

Bij besluit van 22 september 2023 heeft het college de aanvraag van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 18 december 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 oktober 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college en [partij] hebben elk een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] en het college hebben elk nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 22 december 2025, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.E.W.J. Quax en mr. S.H.E.W. van Loon, zijn verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat in dit geval de Wet ruimtelijke ordening (Wro), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing is.

Aanvraag

2. [appellant] is eigenaar van de woning aan de [locatie 1] te Geffen (hierna: de woning). Hij heeft op 19 oktober 2022 een tegemoetkoming in planschade aangevraagd. Volgens hem is de woning als gevolg van het bestemmingsplan Kom Geffen (hierna: het bestemmingsplan) en het bestemmingsplan Uitbreiding bedrijf [locatie 2] Geffen (hierna: het uitbreidingsplan) in waarde verminderd.

Besluitvorming

3. Het college heeft onder verwijzing naar een advies van de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: SAOZ) van augustus 2023 de tegemoetkoming in planschade geweigerd.

4. SAOZ heeft vastgesteld dat het bestemmingsplan op 10 augustus 2017 onherroepelijk is geworden. Aangezien de aanvraag op 19 oktober 2022, en daarmee meer dan vijf jaar later, is ingediend, is de mogelijkheid om op grond van het bestemmingsplan planschade te claimen verjaard. SAOZ concludeert daarom dat de aanvraag om tegemoetkoming in planschade op grond van artikel 6.1, vierde lid, van de Wro voor dit deel moet worden afgewezen.

5. De mogelijkheid om op grond van het uitbreidingsplan planschade te claimen is volgens SAOZ niet verjaard. In het advies maakt SAOZ hiervoor een vergelijking tussen de voor [appellant] meest ongunstige invulling van de planologische mogelijkheden van het plangebied onder het regime van het uitbreidingsplan en het daaraan voorafgaande regime. Zij concludeert dat de inwerkingtreding van het uitbreidingsplan voor [appellant] per saldo leidt tot een zeer beperkte planologische verslechtering. Dit nadeel bestaat uit een beperkte toename van hinder.

Onder verwijzing naar het taxatierapport waardeert SAOZ de woning onmiddellijk vóór het ontstaan van de schade op € 790.000,00. De waardedaling van de woning op de peildatum is op basis van de planvergelijking getaxeerd op € 15.000,00. Uitgaand van een normaal maatschappelijk risico van ten minste 2% van € 790.000,00, moet volgens SAOZ een bedrag van minstens € 15.800,00 voor rekening blijven van [appellant].

Het minimumforfait is daarmee al groter dan de waardedaling. SAOZ concludeert daarom dat er geen uit te keren tegemoetkoming overblijft.

6. Het college heeft in bezwaar de weigering om een tegemoetkoming in planschade toe te kennen onder verwijzing naar een advies van de Commissie bezwaarschiften van 6 december 2023 gehandhaafd.

Uitspraak van de rechtbank

7. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college terecht de gevolgen van het bestemmingsplan vanwege verjaring niet heeft betrokken bij de bepaling van de planschade. Omdat geen beroep is ingesteld tegen de vaststelling van het bestemmingsplan, is het bestemmingsplan op 10 augustus 2017 onherroepelijk geworden. De aanvraag van [appellant] is op 19 oktober 2022 ingediend. Dit is meer dan vijf jaar na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan.

8. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het college het advies van SAOZ aan zijn besluitvorming ten grondslag mocht leggen. De WOZ-beschikking en het door [appellant] in beroep overgelegde taxatierapport bieden onvoldoende aanknopingspunten voor twijfel aan het advies van SAOZ.

Oordeel van de Afdeling

9. De Afdeling bespreekt hieronder de hogerberoepsgronden van [appellant]. Zij merkt vooraf op dat de gronden van [appellant] die zien op de rechtmatigheid van het bestemmingsplan of uitbreidingsplan in deze procedure over planschade niet aan de orde kunnen komen en daarom buiten beschouwing blijven. Dit geldt onder meer voor het betoog dat het bestemmingsplan in strijd met een provinciaal besluit een bedrijf van een zwaardere categorie toestaat.

Verjaring

10. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de mogelijkheid tot indiening van een aanvraag om tegemoetkoming in planschade die het gevolg is van het bestemmingsplan is verjaard. Daarbij wijst hij erop dat er geen besluit is met handtekeningen van 10 augustus 2017.

10.1. In artikel 6.1, vierde lid, van de Wro is bepaald dat een aanvraag voor een tegemoetkoming in schade ten gevolge van een oorzaak als bedoeld in het tweede lid, onder a, b, c, e, f of g, moet worden ingediend binnen vijf jaar na het moment waarop die oorzaak onherroepelijk is geworden.

10.2. Het bestemmingsplan is door de raad van de gemeente Oss (hierna: de raad) op 1 juni 2017 in de openbare raadsvergadering vastgesteld. Daarvan bestaat ook een vaststellingsbesluit. Vervolgens is dit besluit in de Staatscourant van 28 juni 2017 gepubliceerd. Daarmee is in dit geval ook de mogelijkheid om rechtsmiddelen aan te wenden tegen de vaststelling van het bestemmingsplan aangevangen. De datum van 10 augustus 2017, waar [appellant] naar verwijst, is echter niet de datum waarop een (nader vaststellings)besluit wordt genomen. Dat is immers niet vereist voor het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan. 10 augustus 2017 is de dag waarop (de vaststelling van) het bestemmingsplan van rechtswege onherroepelijk is geworden, doordat er geen rechtsmiddelen tegen zijn aangewend. Daarmee vangt de dag erna de verjaringstermijn aan. Omdat [appellant] de aanvraag meer dan vijf jaar daarna heeft ingediend, komt planschade als gevolg van het bestemmingsplan niet voor een tegemoetkoming in aanmerking. De Afdeling is dus met de rechtbank van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de mogelijkheid tot het indienen van een aanvraag om tegemoetkoming in planschade die het gevolg is van het bestemmingsplan is verjaard.

10.3. Het betoog slaagt niet.

Waardevermindering

11. [appellant] betoogt verder dat SAOZ de waardevermindering van € 15.000,00 niet heeft onderbouwd. Volgens hem bedraagt de planschade als gevolg van het uitbreidingsplan € 235.000,00.

11.1. Niet in geschil is dat SAOZ uitgegaan is van een juiste invulling van het oude planologische regime en het wel in de planvergelijking betrokken uitbreidingsplan. Evenmin is in geschil dat SAOZ een juiste planologische vergelijking heeft gemaakt.

12. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar overzichtsuitspraak van 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3690, onder 153, is het van belang dat de deskundige zich in zijn advies rekenschap geeft van de verschillende factoren die hij bij zijn beoordeling heeft betrokken, zodat kan worden nagegaan of er geen factoren zijn die hij ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten. Het begroten van planologisch nadeel is echter geen exacte wetenschap. Net als bij het taxeren van onroerende zaken, spelen ook bij de begroting van planschade kennis, ervaring en intuïtie van de deskundige een rol. Van een deskundige kan daarom niet worden verlangd dat hij elke schadefactor op geld waardeert en de bedragen die de verschillende factoren zouden vertegenwoordigen bij elkaar optelt of van elkaar aftrekt.

13. Uit wat [appellant] naar voren heeft gebracht, is niet gebleken dat het oordeel van de rechtbank op dit punt onjuist is. In dit geval heeft SAOZ de verschillende schadefactoren in haar advies uiteengezet. Daarbij heeft zij geconcludeerd dat er een beperkte toename is van hinder. Het effect van de planologische wijziging op de factoren uitzicht, schaduwhinder, karakter en privacy is volgens SAOZ neutraal. Zij heeft daarmee inzichtelijk gemaakt hoe zij tot het bedrag van de waardevermindering komt. In het door [appellant] overgelegde taxatierapport wordt slechts de marktwaarde van de woning op 18 maart 2024 getaxeerd en wordt dus niet de woning op basis van een planologische vergelijking op de peildatum, die voor het uitbreidingsplan op 23 december 2020 lag, gewaardeerd.

14. Het betoog slaagt niet.

Conclusie

15. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

16. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Kouidar, griffier.

w.g. De Groot

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Kouidar

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026

1120

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. C. Kouidar

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Module Ruimtelijke Ordening 2026/8808
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?