202502705/1/V6.
Datum uitspraak: 8 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 maart 2025 in zaak nr. 24/10060 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Defensie.
Procesverloop
Bij besluit van 30 november 2021 heeft de minister een verzoek van [appellant] om op enige wijze zijn overkomst naar Nederland te faciliteren (het verzoek), afgewezen.
Bij besluit van 20 november 2024 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 27 maart 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 november 2025, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. V.M. Oliana, advocaat in Amsterdam, en [gemachtigde], en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat in Den Haag, en mr. A.J.M. Zwiep en mr. F.D. Eftekhari, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] heeft de Afghaanse nationaliteit en verblijft in Afghanistan. Op 17 september 2021 heeft hij de minister gevraagd om hem en zijn gezin naar Nederland over te brengen. [appellant] stelt dat hij in 2008 gedurende vijf maanden in dienst van Afghan Security Guard op Kamp Holland in Uruzgan, Afghanistan, heeft gewerkt als tolk. Volgens [appellant] loopt hij door deze werkzaamheden gevaar in Afghanistan.
2. De minister heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van de Werkafspraken tolken (de Tolkenregeling). Zij heeft het verzoek afgewezen, omdat [appellant] volgens haar niet voldoet aan de vereisten om naar Nederland te worden overgebracht.
3. De Tolkenregeling is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
De uitspraak van de rechtbank
4. De rechtbank heeft geoordeeld dat er drie groepen zijn die onder de Tolkenregeling vallen.
De rechtbank heeft overwogen dat de eerste groep lokale medewerkers, onder wie tolken, betreft die direct voor een Nederlandse militaire missie werkzaamheden hebben verricht.
Onder de tweede groep vallen lokale tolken die hebben gewerkt voor een Nederlandse missie of een Nederlandse functionaris. Bij een verzoek om overbrenging van een tolk volstaat dat de persoon in kwestie aannemelijk maakt dat hij als tolk voor een Nederlandse missie of een Nederlandse functionaris heeft gewerkt.
De derde groep bestaat uit andere lokale medewerkers die aannemelijk maken dat zij gedurende een substantiële periode voor een Nederlandse missie of Nederlandse functionaris hebben gewerkt en als gevolg daarvan op dit moment persoonlijk risico lopen en bescherming nodig hebben. Voor deze groep ligt de bewijsdrempel hoger dan voor de andere twee groepen, aldus de rechtbank.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister het verzoek van [appellant] heeft kunnen afwijzen.
Wie vallen er onder de Tolkenregeling?
5. In de eerste hogerberoepsgrond betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er drie groepen zijn die onder de Tolkenregeling vallen. Volgens [appellant] volgt uit de Tolkenregeling zelf dat er twee groepen zijn die onder deze regeling vallen, namelijk lokale tolken en chauffeurs en daarnaast andere lokale medewerkers. Volgens [appellant] doet de uitleg die verschillende ministers later aan de Tolkenregeling hebben gegeven het doel en nuttig effect van deze regeling wat betreft tolken teniet. Verder is de rechtbank volgens [appellant] ten onrechte niet kenbaar ingegaan op zijn betoog dat de situatie in Afghanistan sinds de machtsovername door de Taliban is verslechterd en dat daarom eerder moet worden aangenomen dat een persoon gevaar loopt.
De doelstelling en totstandkomingsgeschiedenis van de Tolkenregeling
5.1. De Tolkenregeling bestaat uit een set werkafspraken uit 2014 tussen de Ministeries van Defensie, Buitenlandse Zaken en Veiligheid en Justitie (nu: Justitie en Veiligheid). De Tolkenregeling vermeldt dat met deze werkafspraken wordt beoogd om de taakverdeling tussen deze ministeries vast te leggen. Deze werkafspraken zijn van toepassing op voormalige lokale medewerkers die een substantiële periode - dat wil zeggen niet op incidentele basis - ten behoeve van een Nederlandse militaire missie werkzaamheden hebben verricht, en die als gevolg hiervan aannemelijk kunnen maken dat zij persoonlijk risico lopen en bescherming nodig hebben. De aard van de werkzaamheden kan van invloed zijn op de aannemelijkheid dat iemand als gevolg daarvan bescherming nodig heeft. De kans dat iemand bescherming nodig heeft wordt in beginsel hoger geacht bij ‘hoog profiel werkzaamheden’ waarbij iemand zichtbaar en regelmatig met een Nederlandse missie in verband is gebracht, zoals bij tolk- en chauffeursdiensten. Elk verzoek wordt echter individueel beoordeeld. De juridische relatie van een verzoeker met de militaire missie is leidend, maar niet in alle gevallen bepalend. Zo zullen lokale medewerkers die zijn ingehuurd door een andere autoriteit (een internationale organisatie zoals de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (de NAVO) of de Verenigde Naties (de VN), of een ander land), maar primair voor de Nederlandse militaire missie zijn ingezet, in eerste instantie worden verwezen naar die andere autoriteit. Als die autoriteit het verzoek niet in behandeling neemt, dan zal Nederland het verzoek beoordelen. Een verzoek moet in elk geval de personalia (naam, geboortedatum en plaats) van de verzoeker bevatten, en ook een beschrijving van de aard van de bedreiging, aldus de Tolkenregeling.
5.2. In het verweerschrift van 31 januari 2025 en tijdens de zitting bij de Afdeling heeft de minister toegelicht hoe de Tolkenregeling tot stand is gekomen en voor wie deze regeling is bedoeld. Zij heeft hierbij gewezen op Aanhangsel Handelingen II 2014/15, nr. 60, antwoord 7, Kamerstukken II 2014/15, 34 000 X, nr. 10, antwoorden 7, 8 en 11, Aanhangsel Handelingen II 2018/19, nr. 3278, antwoorden 4 en 5, Aanhangsel Handelingen II 2020/21, nr. 3805, antwoord 11, en Kamerstukken II 2024/25, 27 925, nr. 972, laatste antwoord. De Afdeling wijst verder op antwoorden 1 en 2 van dit laatste stuk en op Kamerstukken II 2014/15, 34 000 X, nr. 10, antwoord 1, Aanhangsel Handelingen II 2018/19, nr. 3278, antwoorden 6, 7 en 9, en Kamerstukken II 2020/21, 27 925, nr. 787.
5.2.1. De minister heeft toegelicht dat Nederland tijdens de verschillende internationale militaire missies en politiemissies in Afghanistan heeft gewerkt met medewerkers die lokaal werden ingehuurd - vaak via een internationale organisatie, een ander land of een privaat bedrijf. Voor veel activiteiten had Nederland tolken nodig. Ook werkte Nederland met mensen die anderszins een positie met een hoog profiel bekleedden.
Een belangrijk uitgangspunt van het Nederlandse asielbeleid is dat het niet mogelijk is om een asielaanvraag op afstand in te dienen. Dit betekent dat een persoon dat pas bij aankomst in Nederland kan doen. Dit leverde problemen op voor deze tolken en mensen die anderszins een positie met een hoog profiel bekleedden. Nadat enkelen van hen hadden gemeld dat zij als gevolg van hun werkzaamheden voor Nederland door de Taliban als doelwit werden beschouwd, heeft het kabinet voor deze groep verantwoordelijkheid willen nemen door hun de mogelijkheid te geven om met hun kerngezin naar Nederland te komen om hier asiel aan te vragen. Het kabinet heeft hierbij het oog gehad op personen die Nederland in een positie met een hoog profiel had geplaatst en die daardoor gevaar liepen. Om de taakverdeling tussen de betrokken ministeries duidelijk te maken, hebben ambtenaren van deze ministeries onderling werkafspraken opgesteld. Omdat het daarin met name om tolken ging, zijn deze werkafspraken in de praktijk de Tolkenregeling gaan heten. Op 14 februari 2022 heeft het Ministerie van Defensie deze werkafspraken openbaar gemaakt naar aanleiding van een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (nu: de Wet open overheid).
5.2.2. De minister heeft toegelicht dat de Tolkenregeling een open einde heeft en daarom nog steeds geldt. De regeling geldt voor Afghaanse lokale medewerkers die gedurende een substantiële periode hebben gewerkt ten behoeve van een Nederlandse militaire missie in Afghanistan of die gedurende een substantiële periode hebben gewerkt ten behoeve van een Nederlandse functionaris in het kader van een internationale militaire missie of politiemissie in Afghanistan. Als richtlijn wordt een periode van ten minste drie maanden gehanteerd. Een arbeidsovereenkomst of formele arbeidsverhouding met Nederland is daarbij niet vereist. Wel moeten de identiteit en nationaliteit van een verzoeker vaststaan. Na ontvangst van een verzoek om overbrenging kijkt Nederland eerst of een andere internationale organisatie of een ander land verantwoordelijk is. Als die het verzoek niet in behandeling nemen, dan doet Nederland dat. Wat betreft de Nederlandse militaire missies in Afghanistan is de minister van Defensie het bevoegde bestuursorgaan. Bij voormalige lokale medewerkers van de European Union Police Mission in Afghanistan (EUPOL) is dat de minister van Justitie en Veiligheid. Als een persoon heeft gewerkt ten behoeve van het ministerie van Buitenlandse Zaken, dan is die minister verantwoordelijk.
De twee groepen in de Tolkenregeling
5.2.3. De minister heeft verder toegelicht dat er twee groepen zijn die onder de Tolkenregeling vallen, namelijk personen die ‘hoog profiel werkzaamheden’ hebben verricht en daardoor gevaar lopen (de eerste groep) en anderen die werkzaamheden hebben verricht ten behoeve van een Nederlandse militaire missie in Afghanistan of ten behoeve van een Nederlandse functionaris in het kader van een internationale militaire missie of politiemissie in Afghanistan en daardoor gevaar lopen (de tweede groep). Het is aan een verzoeker om aannemelijk te maken dat hij zulke werkzaamheden heeft verricht en als gevolg daarvan gevaar loopt.
5.2.4. Bij personen die ‘hoog profiel werkzaamheden’ hebben verricht, neemt het bevoegde bestuursorgaan wegens de aard van hun werkzaamheden eerder aan dat zij als gevolg daarvan gevaar lopen. Het gaat hierbij om werkzaamheden waarbij Nederland een persoon op individuele basis in een specifieke positie heeft geplaatst waarin hij extra zichtbaar was en werd vereenzelvigd met de Nederlandse missie. In deze positie zullen deze personen veelal ook op de hoogte zijn gebracht of gekomen van operationele informatie, geheime inlichtingen of andere vertrouwelijke of gevoelige informatie over militaire of bestuurlijke aangelegenheden. Daardoor staan deze personen in het bijzonder in de belangstelling van de Taliban. Veelal hebben deze personen Nederlandse militairen of functionarissen vergezeld op patrouilles of tijdens ontmoetingen of overleggen met Afghaanse burgers of Afghaanse overheidsfunctionarissen.
De minister heeft toegelicht dat bij ‘hoog profiel werkzaamheden’ moet worden gedacht aan genderspecialisten, persoonlijke bewakers of persoonlijke chauffeurs, maar vooral aan tolken. Tolken vergezelden Nederlandse militairen of functionarissen op patrouilles of tijdens ontmoetingen of overleggen en dienden daarbij als spreekbuis voor die Nederlanders in hun contacten met Afghaanse burgers of Afghaanse overheidsfunctionarissen. Tolken werden zo vereenzelvigd met de Nederlanders en kwamen zo ook op de hoogte van vertrouwelijke of gevoelige informatie. De minister heeft verder toegelicht dat tolken binnen de eerste groep een aparte categorie vormen. Sinds 16 augustus 2021 gelden voor tolken namelijk alleen nog de vereisten dat zij en hun kerngezinsleden over een geldig identiteitsbewijs beschikken en dat Defensie bevestigt dat de hoofdpersoon daadwerkelijk als tolk voor Nederland heeft gewerkt. In dat geval neemt het bevoegde bestuursorgaan aan dat zij als gevolg van hun werkzaamheden gevaar lopen.
Over voormalige bewakers van Afghan Security Guard (ASG) heeft de minister toegelicht dat zij over het algemeen geen ‘hoog profiel werkzaamheden’ hebben verricht, omdat Nederland hen niet op individuele basis in een specifieke positie heeft geplaatst waarin zij vertrouwelijke of gevoelige informatie hebben gekregen.
5.2.5. Anderen dan personen die ‘hoog profiel werkzaamheden’ hebben verricht, moeten aannemelijk maken dat zij werkzaamheden hebben verricht ten behoeve van een Nederlandse militaire missie in Afghanistan of ten behoeve van een Nederlandse functionaris in het kader van een internationale militaire missie of politiemissie in Afghanistan, dat zij gevaar lopen en dat dit gevaar het gevolg is van die werkzaamheden. Anders dan bij ‘hoog profiel werkzaamheden’, neemt het bevoegde bestuursorgaan bij deze groep niet eerder aan dat iemand als gevolg van zijn werkzaamheden gevaar loopt.
De minister heeft toegelicht dat de Tolkenregeling voor de tweede groep inmiddels feitelijk is uitgewerkt. Door het tijdsverloop in combinatie met de complexe Afghaanse samenleving zal het in de praktijk voor veel verzoekers namelijk niet meer mogelijk blijken om concreet te maken dat zij gevaar lopen en dat dit komt door hun werkzaamheden voor Nederland. De minister heeft hierbij toegelicht dat Nederland sinds de machtsovername door de Taliban in 2021 ook niet meer de inlichtingenpositie heeft om verklaringen van verzoekers ter plaatse te verifiëren.
Over voormalige bewakers van ASG heeft de minister toegelicht dat de Nederlandse militairen Kamp Holland en Kamp Hadrian in 2010 hebben verlaten en Nederland sindsdien geen zicht meer heeft gehad op de activiteiten van de voormalige bewakers van die kampen.
5.2.6. Tot slot heeft de minister toegelicht dat de Tolkenregeling op de onder 5.2.4 weergegeven wijziging voor tolken na, inhoudelijk niet is gewijzigd, maar dat de afhandeling van ingewilligde verzoeken sinds de machtsovername door de Taliban wel enigszins anders verloopt dan daarvoor. Als het bevoegde bestuursorgaan een verzoek op grond van de Tolkenregeling inwilligt en als de verzoeker erin slaagt om Afghanistan zelfstandig te verlaten en zich in een van de buurlanden tot een Nederlandse vertegenwoordiging te wenden, dan zal de minister van Buitenlandse Zaken verantwoordelijk zijn voor de visumverlening op die locatie. Net zoals voor de machtsovername, zal die verzoeker vervolgens in Nederland een asielaanvraag moeten doen en de reguliere asielprocedure moeten doorlopen. Hiervoor zal de minister van Asiel en Migratie verantwoordelijk zijn.
Het oordeel van de Afdeling over de Tolkenregeling
5.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraken van 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1500 en ECLI:NL:RVS:2024:1505, onder 4.1), gaat het bij de Tolkenregeling om personen en hun familieleden die Nederland op de een of andere manier hebben ondersteund bij de missies in Afghanistan en daardoor gevaar lopen. Nederland voelt zich daarom verantwoordelijk voor die personen en hun familieleden. Met het maken van de interne werkafspraken waar de Tolkenregeling uit bestaat, hebben de betrokken bestuursorganen de publieke taak aan zich getrokken om zich in te spannen voor de veiligheid van die personen en hun familieleden.
In aanvulling hierop overweegt de Afdeling nu als volgt. De inspanningsverplichting die de betrokken bestuursorganen zichzelf hebben opgelegd heeft geen wettelijke grondslag. Het gaat om buitenwettelijk en begunstigend beleid. Bij het opstellen van zulk beleid hebben bestuursorganen veel beleidsruimte. Aan personen die buiten dit beleid vallen, wordt niets onthouden waar zij anders wel recht op zouden hebben. De betrokken bestuursorganen hebben er daarom voor mogen kiezen om het onder 5.1 tot en met 5.2.6 weergegeven beleid zo vast te stellen en af te bakenen. Dit beleid is niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Ook zijn er geen aanwijzingen dat de minister dit beleid inconsistent toepast.
Verder overweegt de Afdeling dat de Tolkenregeling geen beleidsregel is als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat het bevoegde bestuursorgaan in een voorkomend geval voor zijn motivering ingevolge artikel 4:82 van de Awb niet mag volstaan met een verwijzing naar deze regeling. In plaats daarvan moet dat bestuursorgaan kenbaar ingaan op de feiten die een verzoeker aan zijn hulpverzoek ten grondslag heeft gelegd.
5.4. Gelet op wat de Afdeling hiervoor heeft overwogen, betoogt [appellant] terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er drie groepen zijn die onder de Tolkenregeling vallen. [appellant] betoogt echter tevergeefs dat de twee groepen die onder deze regeling vallen lokale tolken en chauffeurs en daarnaast andere lokale medewerkers zijn, en dat de uitleg die verschillende ministers later hebben gegeven het doel en nuttig effect van deze regeling wat betreft tolken tenietdoet. Uit de tekst van de Tolkenregeling (zie onder 5.1), gelezen in combinatie met de doelstelling en totstandkomingsgeschiedenis (zie onder 5.2 tot en met 5.2.2) en de inhoudelijke toelichting van de minister (zie onder 5.2.3 tot en met 5.2.6), volgt dat de betrokken bestuursorganen altijd hebben beoogd om alleen verantwoordelijkheid te nemen voor twee groepen, namelijk personen die ‘hoog profiel werkzaamheden’ hebben verricht en daardoor gevaar lopen (zie onder 5.2.4) en anderen die werkzaamheden hebben verricht ten behoeve van een Nederlandse militaire missie in Afghanistan of ten behoeve van een Nederlandse functionaris in het kader van een internationale militaire missie of politiemissie in Afghanistan en daardoor gevaar lopen (zie onder 5.2.5). Of [appellant] valt onder een van deze groepen, zal de Afdeling hierna onder 6 bespreken.
Verder voert [appellant] op zichzelf terecht aan dat de rechtbank niet kenbaar is ingegaan op zijn betoog dat de situatie in Afghanistan sinds de machtsovername door de Taliban is verslechterd. Dit leidt echter niet tot het door hem beoogde resultaat. Anders dan hij betoogt, maakt de huidige situatie in Afghanistan niet dat het bevoegde bestuursorgaan eerder moet aannemen dat een persoon gevaar loopt. Zoals de minister heeft toegelicht, is de Tolkenregeling inhoudelijk niet gewijzigd. Dit betekent dat het aan een verzoeker blijft om aannemelijk te maken dat hij de in de Tolkenregeling bedoelde werkzaamheden heeft verricht en als gevolg daarvan gevaar loopt. Dat sinds 16 augustus 2021 wordt aangenomen dat tolken als gevolg van hun werkzaamheden gevaar lopen, leidt niet tot een ander oordeel. Omdat het gaat om buitenwettelijk en begunstigend beleid, is het niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel dat de minister alleen tolken extra begunstigt. Ook zijn er geen aanwijzingen dat de minister deze begunstiging inconsistent toepast.
5.5. Het betoog slaagt niet.
Valt [appellant] onder de Tolkenregeling?
6. In de tweede hogerberoepsgrond betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister zijn verzoek terecht heeft afgewezen.
[appellant] betoogt primair dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij geen tolk was als bedoeld in de Tolkenregeling. Volgens [appellant] heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de werkzaamheden die hij heeft verricht anders van aard waren. Volgens [appellant] bestonden zijn werkzaamheden hoofdzakelijk uit tolkwerkzaamheden. Daarbij is volgens [appellant] niet vereist dat hij uitsluitend en direct voor een Nederlandse commandant of een Nederlandse functionaris heeft gewerkt. Volgens [appellant] waren zijn werkzaamheden ook zichtbaar voor de lokale bevolking en van zo’n aard dat anderen hem met de Nederlandse missie associeerden. Verder is de rechtbank volgens [appellant] ten onrechte niet kenbaar ingegaan op zijn betoog dat luitenant-kolonel [persoon A] heeft verklaard dat hij heeft gewerkt als tolk en dat medewerkers van ASG en hun familieleden op dit moment in een onzekere en onveilige situatie verkeren. Ook is de rechtbank ten onrechte niet kenbaar op zijn betoog ingegaan dat hij al aannemelijk heeft gemaakt dat hij als gevolg van zijn werkzaamheden bescherming nodig heeft, aangezien de minister van Asiel en Migratie volgens paragraaf C7/2.3.1 van de Vc 2000 groepsvervolging aanneemt voor tolken die voor internationale militaire of politiemissies in Afghanistan hebben gewerkt.
[appellant] betoogt subsidiair dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als gevolg van zijn werkzaamheden ten behoeve van een Nederlandse militaire missie in Afghanistan gevaar loopt. Volgens [appellant] heeft de rechtbank niet onderkend dat het gevaar is ontstaan na de machtsovername door de Taliban en dat hij zich sinds de machtsovername heeft moeten schuilhouden op onderduikadressen.
6.1. Op 10 juli 2024 heeft [appellant] tijdens een hoorzitting bij de Commissie advisering bezwaarschriften Defensie verklaard over de werkzaamheden die hij heeft verricht. Hij heeft verklaard dat hij in 2008 in dienst was bij ASG en daar verschillende functies heeft vervuld. Hij fungeerde als tolk tussen de Afghaanse commandant van ASG voor Kamp Holland en de Nederlandse commandant van dat kamp en zorgde ervoor dat alles goed werd "doorgecommuniceerd". Ook woonde hij de ‘briefings’ bij tussen de Nederlandse en de Afghaanse commandant. Daarnaast verrichtte hij administratieve taken zoals het opstellen van roosters en gaf hij lessen Engels aan medewerkers van ASG. Verder werd hij aan de poort van het kamp ingezet als tolk voor bezoekers en hield hij buiten het kamp de lokale bevolking uit de buurt als er in de omgeving van het kamp een explosie had plaatsgevonden. Ook reed hij met de Nederlandse commandant van het kamp langs de verschillende wachttorens. Hij is niet met Nederlandse militairen op patrouille geweest, aldus zijn verklaring.
Onder verwijzing naar deze verklaring heeft de minister zich, anders dan [appellant] betoogt, terecht op het standpunt gesteld dat hij geen tolk was als bedoeld in de Tolkenregeling. Uit de verklaring van [appellant] volgt weliswaar dat hij onder meer tolkwerkzaamheden heeft verricht binnen en rondom Kamp Holland, maar niet dat Nederland hem op individuele basis in een specifieke positie heeft geplaatst waarin hij als tolk Nederlandse militairen of functionarissen heeft vergezeld op patrouilles of tijdens ontmoetingen of overleggen en daarbij diende als spreekbuis voor die Nederlanders in hun contacten met Afghaanse burgers of Afghaanse overheidsfunctionarissen, zoals weergegeven onder 5.2.4. De Afdeling neemt bij het voorgaande in aanmerking dat de minister tijdens de zitting heeft toegelicht dat [appellant] werkzaamheden heeft verricht voor de Afghaanse commandant van ASG voor Kamp Holland en dat hij door die commandant in zijn functies is geplaatst.
Hoewel [appellant] terecht betoogt dat de rechtbank niet kenbaar is ingegaan op de verklaring van [persoon A], kan dit hem niet baten. [persoon A] heeft namelijk verklaard dat [appellant] in 2008 werkzaam was als tolk tussen de Nederlandse militairen in Kamp Holland en de medewerkers van ASG. Met deze verklaring heeft [appellant] niet onderbouwd dat Nederland hem op individuele basis in een specifieke positie heeft geplaatst waarin hij als tolk Nederlandse militairen of functionarissen heeft vergezeld, zoals weergegeven onder 5.2.4. Op zichzelf betoogt [appellant] ook terecht dat de rechtbank niet kenbaar is ingegaan op zijn betoog dat de minister van Asiel en Migratie groepsvervolging aanneemt voor tolken die voor internationale militaire of politiemissies in Afghanistan hebben gewerkt. Dit kan [appellant] echter niet baten, omdat paragraaf C7/2.3.1 van de Vc 2000 gaat over tolken als bedoeld in de Tolkenregeling. De Afdeling wijst op Kamerstukken II 2019/20, 19 637, nr. 2573, en Stcrt. 2020/23490.
6.2. Verder zijn partijen het erover eens dat [appellant] in 2008 gedurende vijf maanden in dienst van ASG werkzaamheden heeft verricht op Kamp Holland. De minister heeft zich echter, anders dan [appellant] betoogt, terecht op het standpunt gesteld dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij gevaar loopt en ook niet dat dat gevaar verband zou houden met de werkzaamheden die hij toen op Kamp Holland heeft verricht. [appellant] heeft namelijk, ook op de zitting bij de Afdeling, niet geconcretiseerd waaruit het gestelde gevaar bestaat. Zijn betoog dat dit komt doordat hij is ondergedoken, leidt niet tot het door hem beoogde resultaat, omdat het aan hem is om aannemelijk te maken dat hij gevaar loopt. Dat hij gevaar loopt heeft hij ook niet aannemelijk gemaakt met zijn stelling dat de Taliban in de periode dat hij op Kamp Holland heeft gewerkt een broer van hem hebben mishandeld en bedreigd en een neef van hem hebben vermoord. De minister heeft hierbij niet ten onrechte betrokken dat in Afghanistan veel mogelijke oorzaken van gevaar bestaan. Het betoog van [appellant] dat het gevaar is ontstaan na de machtsovername door de Taliban, leidt evenmin tot het door hem beoogde resultaat, omdat het aan hem is om aannemelijk te maken dat het gevaar verband houdt met de werkzaamheden die hij op Kamp Holland heeft verricht.
In hoger beroep heeft [appellant] verschillende stukken overgelegd om te onderbouwen dat voormalige medewerkers van ASG als gevolg van hun werkzaamheden gevaar lopen. Het gaat om een verklaring van [persoon B] van 13 november 2025, een verklaring van [persoon C] en [persoon D] van 14 november 2025, een samenvatting van een interview op 19 januari 2023 van twee medewerkers van Vluchtelingenwerk Nederland met de voormalig commandant van ASG voor Kamp Holland, het ‘Country of Origin Information Report’ van het European Asylum Support Office (EASO, nu: European Union Agency for Asylum, EUAA) van juni 2019, de ‘Country Guidance: Afghanistan’ van het EUAA van mei 2024, de ‘Country Policy and Information Note’ van de UK Home Office van augustus 2025, de ‘Guidance Note on Afghanistan’ van UNHCR van september 2025 en WBV 2022/19. Deze stukken kunnen [appellant] niet baten, omdat deze niet over hem persoonlijk gaan. Hij heeft hiermee dus niet geconcretiseerd dat hij gevaar loopt en ook niet dat dat gevaar verband houdt met de werkzaamheden die hij in 2008 op Kamp Holland heeft verricht.
6.3. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de minister het verzoek terecht heeft afgewezen.
6.4. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
7. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank met verbetering van de gronden waarop deze rust, gelet op wat zij onder 5.4 heeft overwogen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. J. Luijendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.R. van Ark, griffier.
w.g. Wissels
voorzitter
w.g. Van Ark
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026
861
BIJLAGE
Werkafspraken tolken (de Tolkenregeling)
Inleiding
Deze werkafspraken geven uitvoering aan het kabinetsstandpunt dat lokale medewerkers die ten behoeve van een Nederlandse militaire missie werkzaamheden hebben verricht en als gevolg hiervan gevaar lopen, op steun kunnen rekenen. Dit is ook als zodanig verwoord door de bewindspersonen van Defensie en V&J tijdens het debat over de bescherming van tolken van 14 oktober 2014. Elk beschermingsverzoek in dit kader wordt op eigen merites beoordeeld; er is geen sprake van een collectieve regeling. Met deze werkafspraken wordt beoogd de taakverdeling tussen de ministeries van Defensie, BZ en V&J (waaronder de IND) vast te leggen zodat een zorgvuldige en voorspoedige afhandeling van de beschermingsverzoeken kan worden gerealiseerd.
Afspraken
• De doelgroep op wie deze werkafspraken van toepassing zijn, betreft: (voormalig) lokale medewerkers die voor een substantiële periode, d.w.z. niet op incidentele basis, ten behoeve van een Nederlandse militaire missie werkzaamheden hebben verricht, en die als gevolg hiervan aannemelijk kunnen maken dat zij persoonlijk risico lopen en bescherming nodig hebben. Hierbij wordt opgemerkt dat de aard van de werkzaamheden van invloed kan zijn op de aannemelijkheid dat iemand als gevolg daarvan bescherming nodig heeft. In beginsel wordt die kans hoger geacht bij ‘hoog profiel werkzaamheden’ waarbij verzoeker zichtbaar en regelmatig met een Nederlandse missie in verband is gebracht zoals bij tolk en chauffeursdiensten. Elk beschermingsverzoek wordt echter individueel beoordeeld. De juridische relatie van verzoeker met de militaire missie is leidend, maar niet in alle gevallen bepalend. Zo zullen lokale medewerkers die zijn ingehuurd door een andere autoriteit (een internationale organisatie (Navo, VN) of door een ander land), maar primair voor de Nederlandse militaire missie worden of zijn ingezet, bij een verzoek voor bescherming in eerste instantie worden verwezen naar deze autoriteiten. Wanneer deze autoriteiten het beschermingsverzoek niet in behandeling nemen zal Nederland het verzoek beoordelen.
• Alle verzoeken die bij BZ via het posten netwerk of bij Defensie via de militaire missieleiding, of eventueel op andere wijze binnenkomen, worden door het ontvangend departement geregistreerd en zo snel mogelijk op ambtelijk niveau gedeeld met de betrokken ministeries (Def, BZ, V&J/IND).
• Een beschermingsverzoek dient in elk geval de personalia (naam, geboortedatum en plaats) van de indiener te bevatten, alsmede een beschrijving van de aard van de bedreiging. Indien nodig vraagt de ambassade of Defensie de verzoeker deze gegevens aan te leveren, alvorens het verzoek door te geleiden naar de betrokken ministeries.
• Defensie streeft ernaar binnen tien werkdagen na ontvangst van het verzoek, uitsluitsel te geven of verzoeker heeft gewerkt voor de Nederlandse missie en welke Juridische relatie hierbij van toepassing was. Tevens worden de aard, tijd, en de frequentie van de aangegeven werkzaamheden gecontroleerd en de hieraan gerelateerde (publieke) blootstelling. Ook de eventuele reden voor ontslag wordt —voor zover mogelijk — geverifieerd.
• Indien Defensie aangeeft dat verzoeker voor een Nederlandse militaire missie heeft gewerkt, zal door zorg van BZ aan hem/haar worden gevraagd een door de IND opgestelde gestandaardiseerde vragenlijst in te vullen. De antwoorden worden gedeeld met de betrokken ministeries en betrokken bij de nadere beoordeling van het beschermingsverzoek.
• BZ toetst de geclaimde persoonlijke gevaarzetting aan de hand van de bij BZ en Defensie bekende algemene dreigingsinschatting voor lokaal (militair) missiepersoneel in het betreffende land en stelt in overleg met Defensie een advies op. De toetsing gebeurt binnen de mogelijkheden van de lokale (veiligheids)context en de ter beschikking staande onderzoeksmiddelen.
• Een interdepartementaal directeurenoverleg (op afroep), bestaande uit directeuren van Defensie, BZ en V&J (IND), besluit op grond van het door BZ en Defensie opgestelde advies per afzonderlijk ingediend beschermingsverzoek, of dit moet worden doorgezet naar V&J/IND voor verdere behandeling.
• De beschermingsverzoeken die niet van voldoende substantie worden geacht, worden niet doorgestuurd aan de IND. Het ministerie (Defensie of BZ) waarbij het verzoek is ingediend stelt de verzoeker op de hoogte dat het verzoek niet voor verdere behandeling in aanmerking komt.
• De beschermingsverzoeken die door de directeuren van voldoende substantie worden geacht, worden door BZ en Defensie per brief voorgelegd aan de Hoofddirecteur van de IND in afschrift aan de Directeur Migratiebeleid van V&J. Daarbij wordt tenminste ingegaan op de verzoeker zijn/haar dienstverband, aard, tijd, en de frequentie van de aangegeven werkzaamheden en de hieraan gerelateerde (publieke) blootstelling. Tevens wordt een inschatting gegeven van de actuele gevaarzetting van de verzoeker door BZ. De door of namens verzoeker ingevulde vragenlijst wordt als bijlage meegestuurd.
• Indien de IND daartoe aanleiding ziet is er de mogelijkheid om in aanvulling op de reeds ingevulde vragenlijst via de post nadere vragen te stellen aan de verzoeker.
• Elk door Defensie en BZ voorgedragen beschermingsverzoek wordt door de IND voorzien van een advies en per nota voorgelegd aan de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
• Indien een zaak positief wordt beoordeeld, machtigt de IND de post tot verstrekking van een inreisvisum (MVV humanitair of visum kort verblijf ‘territoriaal beperkt’). De verzoeker kan vervolgens in Nederland een asielaanvraag indienen volgens de daarvoor geldende procedure. De verzoeker dient er in beginsel zelf voor zorg te dragen dat hij/zij over een geldig reis- en identiteitsdocument beschikt als voorwaarde om in te kunnen reizen.
• De daadwerkelijke overbrenging van de verzoeker naar Nederland en de hiermee gemoeide kosten vallen onder de verantwoordelijkheid van het ministerie waarvoor de verzoeker de werkzaamheden heeft verricht. Na aankomst in Nederland wordt zoveel mogelijk het reguliere asielproces gevolgd. Hiervoor zal de IND in overleg met de betrokken ketenpartners een procesbeschrijving opstellen.
• De doorlooptijd die wordt nagestreefd voor afhandeling van deze beschermingsverzoeken bedraagt maximaal tien weken vanaf de ontvangst van het beschermingsverzoek van verzoeker. Deze termijn is exclusief de tijd die verzoeker zelf gebruikt om benodigde aanvullende informatie aan te leveren en de vragenlijst in te vullen.