202501447/3/R2.
Datum uitspraak: 15 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in Alphen, gemeente Alphen-Chaam,
appellant,
en
de raad van de gemeente Alphen-Chaam,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 6 februari 2025 heeft de raad het bestemmingsplan "Paraplubestemmingsplan Alphen-Chaam 2023" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft onder meer [appellant] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 maart 2026, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. N.E. Snel, is verschenen.
Overwegingen
1. De bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht die in deze zaak van toepassing zijn, luiden:
Artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d: "Het bezwaar- of beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
[…].
d. de gronden van het bezwaar of beroep."
Artikel 6:6: "Het bezwaar of beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard, indien:
a. niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, of
[…]
mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn."
2. De termijn voor het indienen van beroep is ingegaan op 26 februari 2025 en geëindigd op 8 april 2025. [appellant] heeft bij brief van 4 april 2025 beroep ingesteld, maar de gronden van zijn beroep niet vermeld. In de brief van de Afdeling van 8 april 2025, waarin de ontvangst van het beroepschrift is bevestigd, is [appellant] erop gewezen dat hij geen gronden heeft aangevoerd en dat hij tot en met 20 mei 2025 de tijd krijgt om dat alsnog te doen. [appellant] heeft vervolgens bij een bij de Afdeling op 19 mei 2025 binnengekomen brief verzocht om uitstel voor het indienen van de gronden, in verband met een lopend mediationtraject met de gemeente. Bij brief van 22 juli 2025 heeft de Afdeling [appellant] een nadere termijn tot 1 december 2025 gegeven om de gronden in te dienen. Bij brief van 25 november 2025 heeft [appellant] wederom verzocht om uitstel voor het indienen van de gronden in verband met het lopende mediationtraject. Bij brief van 16 december 2025 heeft de Afdeling [appellant] medegedeeld dat de termijn is verlengd tot en met 27 januari 2026, en dat, als van deze verlengde termijn geen gebruik wordt gemaakt, [appellant] ervan moet uitgaan dat niet-ontvankelijkheid zal volgen. Verder is [appellant] er in deze brief op gewezen dat de gegeven termijn niet zal worden verlengd. Bij brief van 23 januari 2026 heeft [appellant] opnieuw verzocht om uitstel voor het indienen van de gronden tot aan het einde van het mediationtraject. De Afdeling heeft daarop partijen uitgenodigd voor een zitting op 26 maart 2026. [appellant] is niet verschenen.
3. Gelet op het voorgaande overweegt de Afdeling dat [appellant] geen gronden heeft ingediend. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat [appellant] in verzuim is geweest. Gelet daarop is het beroep niet-ontvankelijk.
4. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.C. van Engelen, griffier.
w.g. Kaajan
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Engelen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026
842