ECLI:NL:RVS:2026:191

ECLI:NL:RVS:2026:191, Raad van State, 14-01-2026, 202403248/1/R4

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 14-01-2026
Datum publicatie 14-01-2026
Zaaknummer 202403248/1/R4
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Bij besluit van 25 april 2024 heeft de raad van de gemeente Wijchen het bestemmingsplan "[locatie], Alverna" vastgesteld. Het plan voorziet in de bouw van een seniorenwoning op een perceel aan de Akkerweg, dat thans nog bestaat uit een weide met enkele bomen. [appellant] woont aan de Panhuisweg, direct ten oosten van het plangebied. Hij kan zich niet verenigen met het plan. [appellant] voert in de eerste plaats aan dat het bouwinitiatief, waarvoor het bestemmingsplan is bedoeld, niet voldoet aan de gemeentelijke toetsingscriteria voor kleinschalige particuliere woningbouwinitiatieven (hierna: de KPI). Naar zijn mening komt het bouwinitiatief niet in aanmerking voor het op grond van dat beleid vereiste puntenaantal, omdat het niet in een bebouwingscluster ligt en er geen sloop van agrarische bebouwing plaatsvindt. [appellant] stelt verder dat de raad bij de beoordeling van de vraag of de ontwikkeling past binnen de structuurvisie ten onrechte slechts het voorliggende plan in beschouwing heeft genomen. Naar zijn mening is de raad er daarbij aan voorbijgegaan dat er aan de Akkerweg sinds 2012 al elf andere woningen zijn gebouwd, en dat dit plan leidt tot onaanvaardbare verdere verstedelijking.

Uitspraak

202403248/1/R4.

Datum uitspraak: 14 januari 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend in Wijchen,

appellant,

en

de raad van de gemeente Wijchen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 april 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie], Alverna" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[partij] en [appellant] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 november 2025, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. M. Koevoet, is verschenen. Voorts is ter zitting [partij] als partij gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.

Het ontwerpplan is op 16 november 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Inleiding

2. Het plan voorziet in de bouw van een seniorenwoning op een perceel aan de Akkerweg, dat thans nog bestaat uit een weide met enkele bomen. [appellant] woont aan de Panhuisweg, direct ten oosten van het plangebied. Hij kan zich niet verenigen met het plan.

Toetsingskader

3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

Bespreking van het beroep

4. [appellant] voert in de eerste plaats aan dat het bouwinitiatief, waarvoor het bestemmingsplan is bedoeld, niet voldoet aan de gemeentelijke toetsingscriteria voor kleinschalige particuliere woningbouwinitiatieven (hierna: de KPI). Naar zijn mening komt het bouwinitiatief niet in aanmerking voor het op grond van dat beleid vereiste puntenaantal, omdat het niet in een bebouwingscluster ligt en er geen sloop van agrarische bebouwing plaatsvindt.

4.1. Zoals de Afdeling eerder in de uitspraak van 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3381, heeft overwogen, is de KPI geen beleid dat de raad toepast bij de vaststelling van het bestemmingsplan. De KPI bevat toetsingscriteria waarmee het college van burgemeester en wethouders beoordeelt of in principe medewerking kan worden verleend aan kleinschalige bouwinitiatieven die niet passen binnen een bestemmingsplan. De raad is niet aan deze criteria gebonden als hij met een bestemmingsplan een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk wil maken.

Het betoog slaagt niet.

5. [appellant] stelt verder dat de raad bij de beoordeling van de vraag of de ontwikkeling past binnen de structuurvisie ten onrechte slechts het voorliggende plan in beschouwing heeft genomen. Naar zijn mening is de raad er daarbij aan voorbijgegaan dat er aan de Akkerweg sinds 2012 al elf andere woningen zijn gebouwd, en dat dit plan leidt tot onaanvaardbare verdere verstedelijking.

5.1. In de plantoelichting is vermeld dat het plangebied in de Structuurvisie Wijchen is aangewezen als onderdeel van de zone 'Gemengde functies buitengebied / verbreden landbouw’. Weliswaar is de raad terughoudend met grootschalige stedelijke ontwikkelingen in dit gebied, maar er zijn ook kansen voor woningbouw. Het gaat hierbij om onder meer een aanpak van het tekort aan huisvesting voor ouderen op korte termijn. Omdat het plan voorziet in een seniorenwoning, levert het hieraan een bijdrage. Verder wordt rondom de woning landschappelijk groen gerealiseerd om het geheel in te passen in de omgeving. Daarnaast voorziet het plan in de toevoeging van een aantal gebiedseigen landschappelijke elementen op de locatie. Zo wordt zoveel mogelijk van de bestaande beplanting behouden en worden nieuwe singels en hagen aangeplant op de perceelsgrenzen. Het deel ten westen van het woonperceel wordt ingericht als kruidenrijk grasland. Hiermee blijven de doorzichten naar de daarachter gelegen gronden behouden, aldus de plantoelichting.

5.2. De Afdeling stelt vast dat de directe omgeving van de Akkerweg zich ook zonder de recent gebouwde woningen reeds kenmerkt door een groot aantal burgerwoningen. Dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat de bouwlocatie onderdeel is van een bestaand bebouwingscluster acht de Afdeling dan ook niet onjuist. Gelet hierop ziet de Afdeling dan ook geen grond voor het oordeel dat het bestemmingsplan in strijd met het gemeentelijk beleid is vastgesteld. In hetgeen [appellant] overigens heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad de bouw van een seniorenwoning op deze locatie niet aanvaardbaar heeft mogen achten.

Het betoog slaagt niet.

6. [appellant] keert zich verder tegen de situering van het bouwvlak, midden op het perceel. Hij meent dat een natuurlijke rooilijn, aansluitend op de bestaande bebouwing aan de Akkerweg, had moeten worden aangehouden. Hij vreest dat de gekozen situering kan leiden tot de bouw van nog een woning.

6.1. De raad heeft erop gewezen dat de bebouwing aan de Akkerweg niet één vaste rooilijn kent. Omdat de nieuwe woning het dichtstbij de woning van [appellant] ligt, is de zijgevel van diens woning aangehouden voor de situering van de voorgevelrooilijn. De Afdeling acht dat uitgangspunt niet onredelijk. Voor zover [appellant] vreest dat dit plan kan leiden tot de bouw van een extra woning, stelt de Afdeling vast dat dit plan zich daartegen verzet. Zonder het volgen van een nieuwe plan- of afwijkingsprocedure kan dus geen tweede woning worden gebouwd.

Het betoog slaagt niet.

7. [appellant] stelt daarnaast dat het plangebied tot 2022 bestond uit een weide met een schaapskooi, omringd door een houtwal met bomen en begroeiing. Vooruitlopend op de vaststelling van het plan heeft al kaalslag plaatsgevonden, hetgeen ten koste is gegaan van bestaande populaties van nestvogels en zoogdieren.

7.1. De raad mag het plan niet vaststellen als en voor zover hij op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het wettelijke soortenbeschermingsregime aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

7.2. In de plantoelichting wordt verwezen naar de ‘Quickscan Wet natuurbescherming Akkerweg te Alverna’. In dat rapport is op basis van een bureaustudie en een veldonderzoek uit 2022 vastgesteld dat de beoogde ruimtelijke ingreep niet leidt tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie, dat geen nesten van jaarrond beschermde vogels aanwezig zijn, en dat de planlocatie geen essentiële betekenis heeft voor beschermde zoogdiersoorten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, haas, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn echter zodanig opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden, aldus het rapport.

7.3. [appellant] heeft die bevindingen niet bestreden maar stelt dat het plangebied voorafgaand aan de sloop van een schaapskooi begin 2022 wél belangrijke natuurwaarden kende. Verder heeft [appellant] nog betoogd dat de planlocatie van groot belang is voor de das. Hij heeft daarbij gewezen op een ecologisch onderzoek van Sweco uit 2025 waaruit blijkt de planlocatie precies in het midden tussen een aantal gevonden dassenburchten en primair foerageergebied van de das ligt.

7.4. De Afdeling stelt vast dat [appellant] zijn stellingen over de natuurwaarden van het plangebied vóór 2022 niet heeft onderbouwd. Reeds in verband daarmee hoefde de raad daarin geen aanleiding te zien om niet van de bevindingen van de quickscan uit te gaan.

7.5. Wat betreft de das geeft de quickscan aan dat op de planlocatie geen sporen van de das zijn aangetroffen. Ook zijn geen sporen van burchten aangetroffen op of rond de planlocatie. Volgens de quickscan is het weliswaar niet uit te sluiten dat de das de planlocatie bij tijd en wijle passeert maar, gezien de afwezigheid van een burcht in de directe omgeving van de planlocatie, de kleinschaligheid van het perceel, de afwezigheid van sporen en de aanwezigheid van voldoende alternatief foerageergebied in de omgeving, is echter geen sprake van aantasting van essentieel foerageergebied van de das.

7.6. De Afdeling stelt vast dat het Sweco-onderzoek niet specifiek is gericht op het plangebied maar op een voorgenomen project aan de Teersdijk. Bovendien worden in dit rapport de conclusies van de quickscan ten aanzien van het plangebied ook niet weersproken.

7.7. De Afdeling is dan ook van oordeel dat de raad zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat het wettelijke soortenbeschermingsregime op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

8. Het beroep is ongegrond.

9. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van J.M. Rijsdijk, griffier.

w.g. Besselink

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Rijsdijk

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?