202503859/1/A2.
Datum uitspraak: 8 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 12 mei 2025 in zaak nr. 24/5310 in het geding tussen:
[appellant]
en
de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Procesverloop
Bij besluit van 12 januari 2024 heeft de staatssecretaris de aan [appellant] verleende subsidie vastgesteld op nihil.
Bij besluit van 27 juni 2024 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 12 mei 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 27 juni 2024 vernietigd en de rechtsgevolgen daarvan in stand gelaten.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 6 januari 2026, waar [appellant] en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. L.J. Tigelaar, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
Inleiding
2. [appellant] is eigenaar van [pand] in Loosdrecht, rijksmonumentnummer 506228 (het monument). Hij heeft in het kader van de Subsidieregeling instandhouding monumenten (Sim) een aanvraag ingediend voor een instandhoudingssubsidie. De staatssecretaris heeft de aanvraag bij besluit van 30 augustus 2016 toegewezen tot een bedrag van € 40.614,00.
Besluitvorming
3. De staatssecretaris heeft na afloop van de subsidieperiode op grond van artikel 4:46, tweede lid, onder a en b, van de Algemene wet bestuursrecht de subsidie vastgesteld op nihil. [appellant] heeft volgens de staatssecretaris de subsidie niet verantwoord met het overleggen van een prestatieverklaring en inspectierapport van de gesubsidieerde werkzaamheden. Daarbij komt dat de door [appellant] gestelde verbouwingswerkzaamheden zijn uitgevoerd in 2015 en andere werkzaamheden zijn dan die in het instandhoudingsplan zijn opgenomen. Die kosten zijn daarom niet subsidiabel in het kader van de Sim.
Uitspraak van de rechtbank
4. De rechtbank heeft geoordeeld dat de staatssecretaris ten onrechte niet de door [appellant] ingebrachte glasfacturen heeft beoordeeld bij de besluitvorming, terwijl die wel in bezwaar zijn aangevoerd. Daarmee heeft de staatssecretaris in strijd gehandeld met het motiveringsbeginsel.
5. De subsidie is volgens de rechtbank evenwel terecht op nihil vastgesteld. De subsidie is verleend voor werkzaamheden in de periode van 2017-2022. De door [appellant] aangevoerde verbouwingswerkzaamheden zijn echter uitgevoerd in 2015 en daarom niet subsidiabel. Daarnaast valt het vervangen van het glas niet onder de werkzaamheden die in het instandhoudingsplan staan vermeld. [appellant] heeft verder geen andere facturen overgelegd waaruit blijkt dat er onderhoudswerkzaamheden zijn verricht in de periode 2017-2022.
Beoordeling van het hoger beroep
6. [appellant] betoogt dat de subsidie ten onrechte is vastgesteld op nihil. De werkzaamheden waarvoor subsidie is verleend zijn wel uitgevoerd. Daarbij komt dat hij hoge kosten heeft gemaakt om het monument in stand te houden. [appellant] betoogt dat geen rekening is gehouden met de menselijke maat.
7. Op grond van artikel 2 van de Sim, in samenhang gelezen met de subsidievoorwaarden in de verleningsbeschikking - en zoals ook blijkt uit de subsidieaanvraag - is de instandhoudingssubsidie verleend voor werkzaamheden die worden uitgevoerd in de periode 2017-2022 en die betrekking hebben op het normale onderhoud van het monument. In de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten, opgenomen in de bijlage bij de Sim, staat welke kosten van werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen subsidiabel zijn.
8. Op de zitting bij de Afdeling is besproken dat de door [appellant] gestelde werkzaamheden, met uitzondering van de beglazing, niet zijn uitgevoerd in de periode 2017-2022. Zo was onder meer het schilderwerk al in 2015 afgerond. Deze werkzaamheden waren op grond van hoofdstuk 1.1, onder f, van de bijlage bij de Sim dus niet subsidiabel. Verder is besproken dat de beglazing weliswaar is gezet binnen voornoemde subsidieperiode, maar dat dit geen werkzaamheden zijn die technisch noodzakelijk waren voor instandhouding van het monument. Daarom zijn dit geen subsidiabele kosten, gelet op hoofdstuk 1.1, onder a, onder 3, van de bijlage bij de Sim. [appellant] heeft met het plaatsen van isolerend (monument)glas beoogd het monument te verduurzamen. Voor zover die kosten subsidiabel zouden moeten zijn, omdat het glas voor de instandhouding van het monument toch moest worden vervangen, is niet gebleken dat de minister daarvan vooraf in kennis is gesteld, zodat hij daaraan zijn goedkeuring kon verlenen. Ook deze kosten waren dus niet subsidiabel. Gelet op het voorgaande is niet gebleken dat [appellant] werkzaamheden heeft uitgevoerd waarvoor de subsidie is verleend.
9. [appellant] heeft geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden aangenomen dat het op nihil vaststellen van de subsidie voor hem onevenredige gevolgen heeft. De enkele omstandigheid dat de door [appellant] uitgevoerde werkzaamheden hem veel hebben gekost, is daartoe onvoldoende. Verder is op de zitting bij de Afdeling gebleken dat de omstandigheid dat onzorgvuldig met [appellant] is gecommuniceerd over de verrichte werkzaamheden in 2015, samenhangt met (verwarring over) een in 2011 verleende subsidie voor het monument.
10. Gelet hierop is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat de staatssecretaris de subsidie van [appellant] op nihil mocht vaststellen. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
11. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
12. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.T.J. van de Voort, griffier.
w.g. De Moor-van Vugt
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Voort
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026
1062
BIJLAGE
WETTELIJK KADER
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:46
1. Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, stelt het bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.
2. De subsidie kan lager worden vastgesteld indien:
a. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden;
b. de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;
[…].
Subsidieregeling instandhouding monumenten
Artikel 2. Reikwijdte
De minister kan jaarlijks aan de eigenaar van een rijksmonument of zelfstandig onderdeel op aanvraag voor een periode van zes kalenderjaren subsidie voor het normale onderhoud van dat monument verstrekken.
Artikel 4. Subsidiabele kosten
Subsidiabel zijn de kosten van werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen die als zodanig zijn aangemerkt in de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten die als bijlage bij deze regeling is opgenomen.
Bijlage als bedoeld in artikel 4 van de Subsidieregeling instandhouding monumenten
Hoofdstuk 1.1. Algemene bepalingen subsidiabele kosten
Subsidiabel zijn de kosten van werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen ten behoeve van de instandhouding van rijksmonumenten of zelfstandige onderdelen, voor zover dat is bepaald in deze bijlage, met dien verstande dat:
a. kosten uitsluitend subsidiabel zijn voor zover de werkzaamheden:
1º. strekken tot instandhouding van het rijksmonument en zijn monumentale waarden;
2º. sober en doelmatig zijn;
3º. technisch noodzakelijk zijn; en
4º. zijn gericht op maximaal behoud van aanwezige monumentale waarden, in het bijzonder historische materialen en constructies;
b. kosten voor werkzaamheden gericht op het voorkomen van verval of het voorkomen van vervolgschade subsidiabel zijn;
c. kosten voor werkzaamheden gericht op vervanging van materialen die hun functie niet meer kunnen vervullen subsidiabel zijn;
d. kosten voor werkzaamheden gericht op reconstructie niet subsidiabel zijn, tenzij deze in uitzonderlijke gevallen naar het oordeel van de minister ter versterking van de monumentale waarden gewenst zijn;
e. kosten voor werkzaamheden die voortvloeien uit veranderd gebruik, alsmede kosten voor werkzaamheden die zijn gericht op comfortverbetering of verfraaiing niet subsidiabel zijn; en
f. kosten voor werkzaamheden voor zover die reeds aangevangen of voltooid zijn voor de subsidieverlening niet subsidiabel zijn.