ECLI:NL:RVS:2026:1918

ECLI:NL:RVS:2026:1918

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 08-04-2026
Datum publicatie 08-04-2026
Zaaknummer 202302980/3/R3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

Bij tussenuitspraak van 19 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1178, heeft de Afdeling de raad van de gemeente Kampen opgedragen om binnen zestien weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 23 maart 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan De Bakkerij" te herstellen. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opdracht gegeven om met inachtneming van wat is overwogen onder 27.5, 28.1 en 28.5 alsnog concreet te regelen wat hij heeft beoogd met artikel 6.1, aanhef en lid m, van de planregels. Daarnaast heeft de Afdeling de raad opdracht gegeven om met inachtneming van wat is overwogen onder 29.3 alsnog in de planregels op te nemen aan welke voorwaarden het materiaal waaruit het geluidscherm zal bestaan, moet voldoen.

Uitspraak

202302980/3/R3.

Datum uitspraak: 8 april 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend in IJsselmuiden, gemeente Kampen,

2. [appellante sub 2], gevestigd in IJsselmuiden, gemeente Kampen,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Kampen,

verweerder.

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 19 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1178, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen zestien weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 23 maart 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan De Bakkerij" te herstellen.

Bij besluit van 3 juni 2025 het bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan De Bakkerij" gewijzigd vastgesteld (het herstelbesluit).

[appellant sub 1] en [appellante sub 2] zijn in de gelegenheid gesteld om hun zienswijze naar voren te brengen over de wijze waarop volgens de raad de gebreken zijn hersteld. [appellante sub 2] heeft daarvan gebruik gemaakt.

De raad en [appellante sub 2] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.

Het ontwerpplan is op 23 maart 2022 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening en de Crisis- en herstelwet, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

De tussenuitspraak

2. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak onder 27.5, kort samengevat, geoordeeld dat de bedoeling van de raad over dove gevels niet voldoende volgt uit artikel 6.1, aanhef en lid m, van de planregels en ook niet uit de voorgestelde planregeling.

Daarnaast heeft de Afdeling in de tussenuitspraak onder 28.1 en 28.5 geoordeeld dat uit artikel 6.1, aanhef en lid m, van de planregels wel blijkt op welke locatie het voorziene geluidscherm moet zijn gesitueerd, maar dat onvoldoende duidelijk is hoe hoog het geluidscherm precies moet worden.

Verder heeft de Afdeling in de tussenuitspraak onder 29.3 geoordeeld dat uit de planregels niet volgt dat er voorwaarden gelden wat betreft het materiaal die bij het geluidscherm in acht moeten worden genomen. De bedoeling van de raad volgt daarom niet voldoende uit de planregels.

3. Gelet op wat in de tussenuitspraak is overwogen, is het plan in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De beroepen van [appellant sub 1] en [appellante sub 2] tegen het besluit van 23 maart 2023 zijn gegrond, zodat dit besluit dient te worden vernietigd.

Opdracht in de tussenuitspraak

4. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opdracht gegeven om met inachtneming van wat is overwogen onder 27.5, 28.1 en 28.5 alsnog concreet te regelen wat hij heeft beoogd met artikel 6.1, aanhef en lid m, van de planregels. Daarnaast heeft de Afdeling de raad opdracht gegeven om met inachtneming van wat is overwogen onder 29.3 alsnog in de planregels op te nemen aan welke voorwaarden het materiaal waaruit het geluidscherm zal bestaan, moet voldoen.

Het herstelbesluit

5. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad het bestemmingsplan gewijzigd vastgesteld. De raad heeft daarbij de volgende artikelen gewijzigd.

Artikel 4.3, aanhef en lid c, van de planregels luidt:

"Binnen deze bestemming mogen bouwwerken geen gebouwen zijnde ten dienste van deze bestemming worden gebouwd waarbij de volgende regels gelden:

[…]

c. de bouwhoogte van geluidwerende voorzieningen mag niet meer bedragen dan 3,5 m + NAP;

[…]"

Artikel 6.1, aanhef en lid m, van de planregels luidt:

De voor 'Woongebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor de volgende functies:

[…]

m. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - voorwaardelijke verplichting 1', wonen en hieraan ondergeschikte beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis, indien en voor zover wordt voldaan aan artikel 6.4;

[…]"

Artikel 6.4 van de planregels luidt:

"Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - voorwaardelijke verplichting 1', is het bouwen en gebruiken van woningen slechts toegestaan indien en voor zover:

1. de geluidwerende voorziening als bedoeld in artikel 4.1 aanhef en onder g, zoals ingetekend in Bijlage 2, is geplaatst en in stand wordt gehouden en deze geluidwerende voorziening voldoet aan de volgende criteria:

a. de hoogte is minimaal 3,45 m + NAP

b. de geluidabsorptie van de zuidwest en noordwestzijde (gericht op de percelen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie3] te IJsselmuiden) voldoet minimaal aan categorie A3 (absorberend scherm) van NEN-EN 1793-1:2012

c. het geluidscherm voldoet aan de criteria als gesteld in de Handreiking meten en rekenen industrielawaai 1999, module C, paragraaf 5.3.4 en

2. de gevels van de woningen worden uitgevoerd als "dove gevel" zoals bedoeld in artikel 1b lid 4 van de Wet geluidhinder, indien als gevolg van de bedrijfsactiviteiten van het transportbedrijf aan de [locatie 3] te IJsselmuiden op het betreffende geveldeel niet wordt voldaan aan de geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau of het maximale geluidniveau van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, voor zover de geluidbelasting van de hiervoor bedoelde bedrijfsactiviteiten niet afwijkt van de geluidsbelasting van de bedrijfsactiviteiten zoals omschreven in Bijlage 3 bij de planregels en waarbij de bepaling en beoordeling van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau wordt uitgevoerd overeenkomstig Bijlage 4 van de planregels."

Daarnaast is paragraaf 5.5.4 van de plantoelichting gewijzigd.

6. Artikel 6:19, eerste lid, van de Awb luidt: "Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben."

7. Het besluit van 3 juni 2025 is ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb mede onderwerp van dit geding. De beroepen van [appellant sub 1] en [appellante sub 2] zijn dus van rechtswege mede gericht tegen dit besluit.

Het beroep van rechtswege van [appellant sub 1]

8. [appellant sub 1] heeft geen zienswijze naar voren gebracht over de wijze waarop de raad de gebreken heeft hersteld. De Afdeling leidt hieruit af dat hij geen bezwaren heeft tegen het herstelbesluit. Gelet hierop is het van rechtswege ontstane beroep van [appellant sub 1] tegen het herstelbesluit ongegrond.

Het beroep van rechtswege van [appellante sub 2]

9. [appellante sub 2] kan zich niet verenigen met artikel 6.4, tweede lid, van de planregels van het herstelbesluit. Zij voert onder meer, kort samengevat, onder verwijzing naar een akoestische notitie van Tideman van 17 juli 2025, aan dat in de planregeling ten onrechte wordt uitgegaan van de geluidbelasting van de bedrijfsactiviteiten van [appellante sub 2] zoals omschreven in het akoestisch rapport van Buro Tideman van 12 februari 2021 (bijlage 3 bij de planregels) in plaats van het geluidonderzoek "Akoestisch onderzoek naar de invloed van [appellante sub 2]" van Alcedo van 20 januari 2022 (bijlage 4 bij de planregels).

10. Naar aanleiding van de zienswijze van [appellante sub 2] heeft de raad in zijn stuk van 22 januari 2026 erkend dat de planregeling niet duidelijk genoeg is. De raad doet een voorstel voor een gewijzigde formulering van de planregeling en verzoekt de Afdeling zelf in de zaak te voorzien. De voorgestelde tekst van artikel 6.4 van de planregels luidt als volgt:

"Ter plaatse van de aanduiding specifieke bouwaanduiding - voorwaardelijke verplichting 1’, is het bouwen en gebruiken van woningen slechts toegestaan indien en voor zover.

1. de geluidwerende voorziening als bedoeld in artikel 4.1 aanhef en onder g, zoals ingetekend in Bijlage 2, is geplaatst en in stand wordt gehouden en deze geluidwerende voorziening voldoet aan de volgende criteria:

a. de hoogte is minimaal 3,45 m + NAP

b. de geluidabsorptie van de zuidwest en noordwestzijde (gericht op de percelen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] te IJsselmuiden) voldoet minimaal aan categorie A3 (absorberend scherm) van NEN-EN 1793-1:2012

c. het geluidscherm voldoet aan de criteria als gesteld in de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999, module C, paragraaf 5.3.4 en

2. ter plaatse van de gevels van de woning zoals deze feitelijk wordt gepositioneerd, wordt voldaan aan de grenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer die gelden voor het transportbedrijf aan de [locatie 3] te IJsselmuiden, waarbij de bepaling van de geluidniveaus vanwege de bedrijfsactiviteiten van dit transportbedrijf plaatsvindt met toepassing van het rekenmodel als bedoeld in paragraaf 3.1 van het rapport dat bijlage 4 vormt bij de planregels, waarvan de belangrijkste invoergegevens zijn weergegeven in bijlage 2 van dit rapport, en de in paragraaf 3.1 van het rapport omschreven rekenmethode.

3. wanneer uit de bepaling van de geluidniveaus van een gevel op de wijze als omschreven onder 2 blijkt dat niet wordt voldaan aan de grenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en/of het maximale geluidniveau volgens artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, moet deze gevel worden uitgevoerd als "dove gevel" zoals bedoeld in artikel 1b lid 4 van de Wet geluidhinder."

11. Nu de raad heeft erkend dat de planregeling in het herstelbesluit niet juist is, is het herstelbesluit niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen. Gelet daarop is het van rechtswege ontstane beroep van [appellante sub 2] tegen het herstelbesluit gegrond. Het herstelbesluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Zelf in de zaak voorzien

12. De Afdeling zal, gelet op het verzoek van de raad, hierna bezien of er aanleiding bestaat om artikel 6.4 van de planregels zelf voorziend te wijzigen. De Afdeling constateert dat [appellante sub 2] heeft aangegeven het nog steeds niet eens te zijn met de voorgestelde tekst van artikel 6.4 van de planregels. De Afdeling zal hieronder ingaan op de door [appellante sub 2] naar voren gebrachte bezwaren.

- Onduidelijkheid over verwijzingen naar akoestische rapporten

13. [appellante sub 2] voert, kort samengevat, aan dat in de voorgestelde tekst van artikel 6.4, tweede lid, van de planregels voor het bepalen bij welke woningen dove gevels moeten worden uitgevoerd ten onrechte wordt uitgegaan van de geluidbelasting van de bedrijfsactiviteiten zoals omschreven in het akoestisch rapport van Buro Tideman (bijlage 3 bij de planregels) in plaats van het geluidonderzoek van Alcedo (bijlage 4 bij de planregels).

13.1. De Afdeling constateert dat in de voorgestelde formulering van artikel 6.4 van de planregels wordt verwezen naar het geluidsonderzoek van Alcedo in bijlage 4 van de planregels. De raad stelt dat met het voorschrijven dat de geluidsberekeningen met het rekenmodel van het geluidsonderzoek van Alcedo moeten plaatsvinden, ook is meegenomen dat moet worden uitgegaan van de representatieve bedrijfssituatie waarop dit rekenmodel is gebaseerd. Zo wordt ook aangegeven welke rekenmethode en welk rekenmodel op grond van het geluidsonderzoek van Alcedo moeten worden gehanteerd. De Afdeling ziet in het aangevoerde niet in dat de raad in zoverre niet van de voorgestelde formulering van artikel 6.4 van de planregels mocht uitgaan.

- Landtijdgemiddelde beoordelingsniveau

14. [appellante sub 2] voert aan dat in de voorgestelde tekst van artikel 6.4, tweede lid, van de planregels ten onrechte niet alleen het maximale geluidniveau, maar ook het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau bepalend is. Volgens haar zijn de dove gevels uitsluitend aangewezen omdat is geconstateerd dat in de representatieve bedrijfssituatie bij een aantal voorziene woningen niet aan het maximale geluidniveau wordt voldaan.

14.1. De raad stelt dat ter bescherming van de bedrijfsactiviteiten van [appellante sub 2] in de planregeling is opgenomen dat ook het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau bepalend is. Als een dove gevel alleen zou zijn aangewezen bij een overschrijding van de grenswaarden voor het maximale geluidniveau, zou [appellante sub 2] niet worden beschermd bij een overschrijding van de grenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau. Dat zou ertoe kunnen leiden dat een woning kan worden gebouwd met een te hoog langtijdgemiddeld beoordelingsniveau zonder een verplichting tot een dove gevel. In dat geval zou [appellante sub 2] zelf maatregelen moeten treffen om de geluiduitstraling van haar bedrijf te beperken. Juist om die situatie te voorkomen, is de regel breder geformuleerd, aldus de raad.

14.2. [appellante sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt waarom de raad hier niet van uit mocht gaan. De Afdeling ziet in het aangevoerde niet in dat de raad in zoverre niet van de voorgestelde formulering van artikel 6.4 van de planregels mocht uitgaan.

- NAP

15. [appellante sub 2] voert aan dat onduidelijk is of met de zinsnede "minimaal 3,45 m +NAP" de hoogte van het perceel van [appellante sub 2] of de hoogte van het plangebied wordt bedoeld.

15.1. De raad stelt dat met een hoogte van 3,45 m +NAP niet wordt bedoeld een hoogte ten opzichte van het peil van het perceel van [appellante sub 2] of het peil van het plangebied, maar een hoogte ten opzichte van Normaal Amsterdams Peil. Dat is een nulpunt dat wordt gebruikt om binnen Nederland hoogtes te kunnen vergelijken. De achterzijde van het perceel van [appellante sub 2] heeft een hoogte van 0,25 m ten opzichte van het NAP. Het geluidscherm is in het rekenmodel opgenomen als een scherm met een hoogte van 3,20 m ten opzichte van deze terreinhoogte. Het hoogste punt van het geluidscherm ligt dus op (3,20 + 0,25 =) 3,45 m +NAP. Voor het plangebied is in het rekenmodel uitgegaan van een hoogte van 1,00 m +NAP. Dat houdt in dat rekening wordt gehouden met een ophoging van het terrein ter hoogte van de voorziene woningen. Er wordt dus niet uitgegaan van de huidige, lager gelegen, situatie, aldus de raad.

15.2. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding om deze uitleg van de raad niet te volgen. De Afdeling ziet in het aangevoerde niet in dat de raad in zoverre niet van de voorgestelde formulering van artikel 6.4 van de planregels mocht uitgaan.

- Gevelopeningen

16. [appellante sub 2] voert kort samengevat aan dat in de nieuwe formulering van artikel 6.4, tweede lid, van de planregels niet staat dat de dove gevels ook in stand moeten worden gehouden. Er is onvoldoende geborgd dat later niet alsnog gevelopeningen kunnen worden aangebracht in de voorziene woningen.

16.1. De Afdeling stelt vast dat zij onder 27.4 van de tussenuitspraak er al op heeft gewezen dat, mits de voorwaardelijke verplichting op een juiste wijze is geformuleerd, de vrees dat er wijzigingen worden aangebracht aan dove gevels ongegrond is. De Afdeling constateert dat in de voorgestelde formulering van artikel 6.4 van de planregels niets staat over het in standhouden van de dove gevels. Uit de stukken blijkt dat dit wel de bedoeling is geweest van de raad. In zoverre slaagt het betoog van [appellante sub 2].

- Geluidscherm

17. [appellante sub 2] voert aan dat ten onrechte het geluidsscherm geen onderdeel uitmaakt van het rekenmodel in artikel 6.4 van de planregels.

17.1. De raad erkent dat dit niet blijkt uit de planregeling en verzoekt de Afdeling om artikel 6.4 van de planregels hierop aan te vullen zodat duidelijk is dat de bepaling van de geluidniveaus vanwege de bedrijfsactiviteiten van het transportbedrijf plaatsvindt inclusief het geluidscherm en waarbij verwijzingen worden opgenomen naar "paragraaf 4.4 en bijlage 4" van het geluidonderzoek van Alcedo (bijlage 4 bij de planregels). In zoverre slaagt het betoog van [appellante sub 2].

- Binnenniveau voorziene woningen

18. Voor zover [appellante sub 2] wijst naar het binnenniveau voor het maximale geluidniveau van 45 dB(A) in de voorziene woningen, stelt de Afdeling vast dat onder 27.6 van de tussenuitspraak op dit aspect in is gegaan. Er is sprake van een herhaling van de beroepsgrond. Voor zover [appellante sub 2] zich keert tegen deze overweging van de tussenuitspraak, overweegt de Afdeling dat zij behalve in uitzonderlijke gevallen niet kan terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Een uitzonderlijk geval is hier niet aan de orde, zodat de Afdeling uitgaat van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel.

- Afwegingsmoment

19. [appellante sub 2] voert aan dat in de voorgestelde tekst van artikel 6.4 van de planregels ten onrechte een nader afwegingsmoment zit. Zo moet volgens haar bij iedere aanvraag betreffende het oprichten of wijzigen van een woning opnieuw akoestisch worden onderzocht of aan artikel 6.4, tweede lid, van de planregels wordt voldaan. Volgens haar moet op voorhand al vaststaan welke woningen moeten worden voorzien van een dove gevel.

19.1. In de tussenuitspraak van 19 maart 2025 heeft de Afdeling in overweging 27.4 al een oordeel gegeven of er sprake is van een onaanvaardbaar nader afwegingsmoment. Voor zover [appellante sub 2] zich keert tegen deze overweging van de tussenuitspraak, overweegt de Afdeling dat zij behalve in uitzonderlijke gevallen niet kan terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Een uitzonderlijk geval is hier niet aan de orde, zodat de Afdeling uitgaat van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel.

- Maximale planologische mogelijkheden

20. [appellante sub 2] voert aan dat in de aangepaste tekst van artikel 6.4 van de planregels enkel rekening is gehouden met haar bedrijfsactiviteiten en niet met het feit dat op grond van het planologische regime er ook andere bedrijven zijn toegestaan op haar perceel. Er is dus geen rekening gehouden met de maximale planologische mogelijkheden.

20.1. In de tussenuitspraak van 19 maart 2025 heeft de Afdeling in overweging 22.3 al een oordeel gegeven in hoeverre er rekening is gehouden met de maximale planologische mogelijkheden op het perceel van [appellante sub 2]. Voor zover [appellante sub 2] zich keert tegen deze overweging van de tussenuitspraak, overweegt de Afdeling dat zij behalve in uitzonderlijke gevallen niet kan terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Een uitzonderlijk geval is hier niet aan de orde, zodat de Afdeling uitgaat van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel.

Conclusie

21. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling, omdat niet aannemelijk is dat derdebelanghebbenden in hun belangen zouden kunnen worden geschaad, aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door artikel 6.4 van de planregels te wijzigen zoals beschreven onder 10 met de aanpassingen zoals beschreven onder 16.1 en 17.1 en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 3 juni 2025, voor zover dat wordt vernietigd.

22. Het besluit van 3 juni 2025 wijzigt artikel 4.3, aanhef en lid c, artikel 6.1, aanhef en lid m en artikel 6.4 van de planregels. Een gehele vernietiging van het besluit van 23 maart 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan De Bakkerij" zou ertoe leiden dat er geen volledige planregeling meer is. De Afdeling ziet daarom aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit van 23 maart 2023, voor zover niet gewijzigd, in stand blijven.

23. De Afdeling ziet aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening.

Proceskosten

24. De raad moet de proceskosten vergoeden. Daarbij wordt het volgende in aanmerking genomen. [appellante sub 2] heeft op het formulier proceskosten onder meer aangegeven dat haar deskundige kosten heeft gemaakt in verband met het bijwonen van de zitting. Wat betreft deze kosten, overweegt de Afdeling dat hiervoor een forfaitair aantal uren wordt gehanteerd. Dat betekent voor het bijwonen van de zitting een bedrag van (4 uur x € 140 het uurloon=) € 560,00 voor vergoeding in aanmerking komt. Ten aanzien van geclaimde reiskosten van de deskundige ziet de Afdeling geen aanleiding om een kilometervergoeding toe te kennen en gaat de Afdeling uit van een tarief waarvan de hoogte gelijk is aan de reiskosten per openbaar vervoer, tweede klasse.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] en [appellante sub 2] tegen het besluit van de raad van de gemeente Kampen van 23 maart 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan De Bakkerij" gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Kampen van 23 maart 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan De Bakkerij";

III. verklaart het beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit van de raad van de gemeente Kampen van 3 juni 2025 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan De Bakkerij" ongegrond.

IV. verklaart het beroep van [appellante sub 2] tegen het besluit van de raad van de gemeente Kampen van 3 juni 2025 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan De Bakkerij" gegrond.

V. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Kampen van 3 juni 2025 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan De Bakkerij", voor zover het betreft artikel 6.4 van de planregels;

VI. bepaalt dat artikel 6.4 van de planregels als volgt komt te luiden:

"Ter plaatse van de aanduiding specifieke bouwaanduiding - voorwaardelijke verplichting 1’, is het bouwen en gebruiken van woningen slechts toegestaan indien en voor zover:

1. de geluidwerende voorziening als bedoeld in artikel 4.1 aanhef en onder g, zoals ingetekend in Bijlage 2, is geplaatst en in stand wordt gehouden en deze geluidwerende voorziening voldoet aan de volgende criteria:

a. de hoogte is minimaal 3,45 m + NAP

b. de geluidabsorptie van de zuidwest en noordwestzijde (gericht op de percelen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] te IJsselmuiden) voldoet minimaal aan categorie A3 (absorberend scherm) van NEN-EN 1793-1:2012

c. het geluidscherm voldoet aan de criteria als gesteld in de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999, module C, paragraaf 5.3.4 en

2. ter plaatse van de gevels van de woning zoals deze feitelijk wordt gepositioneerd, wordt voldaan aan de grenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer die gelden voor het transportbedrijf aan de [locatie 3] te IJsselmuiden, waarbij de bepaling van de geluidniveaus vanwege de bedrijfsactiviteiten van dit transportbedrijf plaatsvindt inclusief het geluidscherm volgens het eerste lid met toepassing van het rekenmodel als bedoeld in paragraaf 3.1 en paragraaf 4.4 van het rapport dat bijlage 4 vormt bij de planregels, waarvan de belangrijkste invoergegevens zijn weergegeven in bijlage 2 en bijlage 4 van dit rapport, en de in paragraaf 3.1 van het rapport omschreven rekenmethode.

3. wanneer uit de bepaling van de geluidniveaus van een gevel op de wijze als omschreven onder 2 blijkt dat niet wordt voldaan aan de grenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en/of het maximale geluidniveau volgens artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, moet deze gevel worden uitgevoerd en in stand worden gehouden als "dove gevel" zoals bedoeld in artikel 1b lid 4 van de Wet geluidhinder.";

VII. bepaalt dat deze uitspraak, wat betreft onderdeel VI betreft, in de plaats treedt van het onder V genoemde besluit, voor zover vernietigd;

VIII. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 23 maart 2023 in stand blijven, behalve voor zover uit het besluit van de raad van de gemeente Kampen van 3 juni 2025 andere rechtsgevolgen voortvloeien dan uit het besluit van 23 maart 2023;

IX. draagt de raad van de gemeente Kampen op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde onderdelen V en VI, worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening;

X. veroordeelt de raad van de gemeente Kampen tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten tot een bedrag van:

a. € 1.868,00 aan [appellant sub 1], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

b. € 7.232,16 aan [appellante sub 2], waarvan € 2.335,00 toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en waarvan € 4.897,16 de kosten van een deskundige betreft;

XI. gelast dat de raad van de gemeente Kampen aan de hierna vermelde appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:

a. € 184,00 aan [appellant sub 1];

b. € 365,00 aan [appellante sub 2].

Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mr. H.J.M. Besselink en mr. M.M. Kaajan, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.M.W. van Ewijk, griffier.

w.g. Knol

voorzitter

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026

867

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. P.H.A. Knol
  • mr. H.J.M. Besselink
  • mr. M.M. Kaajan

Griffier

  • mr. S.M.W. van Ewijk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?