202403312/1/R3.
Datum uitspraak: 8 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
en
de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 8 april 2022 heeft de staatssecretaris met toepassing van artikel 90 in samenhang met artikel 111b, derde lid, van de Wet geluidhinder (Wgh) voor de gevels van de te saneren woningen gelegen binnen de geluidszone langs de wegen "Nieuwe Zeeweg, Herenweg en Oude Zeeweg" in Noordwijk een ten hoogste toelaatbare waarde van de geluidbelasting vanwege die wegen vastgesteld en tevens maatregelen vastgesteld die strekken tot het terugbrengen van de geluidbelasting vanwege die wegen binnen de betrokken woningen, voor zover niet wordt voldaan aan de in artikel 111b, derde lid, van de Wgh genoemde binnenwaarde van 43 dB.
Bij besluit van 22 april 2024 heeft de staatssecretaris het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 2 februari 2026, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. W.A. Ganesh, J.W. Takkenberg en mr. A.M. van Tol, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet, de Aanvullingswet geluid Omgevingswet en het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet in samenhang gelezen met artikel XII van het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing op een besluit tot het vaststellen van de ten hoogste toelaatbare waarde van de geluidbelasting en maatregelen waarbij uitvoering wordt gegeven aan de Wgh voor saneringsprojecten waarvoor op 1 januari 2024 een subsidie is verleend als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Subsidieregeling sanering verkeerslawaai, tot het besluit onherroepelijk wordt.
De ten hoogste toelaatbare waarden van de geluidbelasting en maatregelen zijn vastgesteld voor het saneringsproject "Restant Noordwijk". Voor dit project was op 1 januari 2024 een subsidie als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Subsidieregeling sanering verkeerslawaai verleend. Dat betekent dat in dit geval het recht, waaronder de Wgh, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk (het college) heeft op 4 november 2021 bij de staatssecretaris ten behoeve van het project "Restant Noordwijk" een saneringsprogramma ingediend en de staatssecretaris verzocht om de hogere geluidwaarden vast te stellen die in bijlage 1 bij het saneringsprogramma per woning zijn genoemd.
[appellant] woont op de [locatie]. De staatssecretaris heeft bij besluit van 8 april 2022 voor de woning van [appellant] een ten hoogste toelaatbare waarde van 60 dB vastgesteld. Volgens [appellant] had de staatssecretaris dit besluit niet mogen nemen.
3. Het wettelijk kader is als bijlage aangehecht en maakt deel uit van deze uitspraak.
Beroep [appellant]
4. [appellant] betoogt dat het saneringsprogramma, op basis waarvan de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting is vastgesteld, onzorgvuldig tot stand is gekomen. De staatssecretaris heeft dat ten onrechte niet onderkend.
Ter onderbouwing hiervan betoogt [appellant] dat er voor het saneringsprogramma ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar de werkelijke geluidhinder die hij ondervindt vanwege de verkeersdrempel op 14 m van zijn woning. Op de zitting heeft [appellant] toegelicht dat hij met name hinder ervaart van het ‘geklapper’ van vrachtwagens en voertuigen met aanhangers en de lading daarvan, die over de verkeersdrempel rijden. Het college heeft aan het saneringsprogramma het rapport "Akoestisch onderzoek voor de bepaling van de toekomstige geluidbelastingen ten gevolge van het wegverkeerslawaai en het bepalen van de actuele status voor 76 saneringsobjecten en 11 aanvullende adressen in Noordwijk" van Raadgevend ingenieursbureau Metz B.V. van 21 juni 2021 (het akoestisch onderzoek) ten grondslag gelegd. Volgens [appellant] is dit akoestisch onderzoek echter niet representatief, omdat in het onderzoek gebruik wordt gemaakt van een rekenmethode en van verkeersgegevens die gebaseerd zijn op standaardgegevens en die geen rekening houden met de aanwezigheid van de verkeersdrempel. Daarbij zijn de invoergegevens volgens [appellant] zo ingewikkeld, dat het onmogelijk is om deze te weerleggen.
Daarnaast betoogt [appellant] dat het saneringsprogramma ten onrechte niet een maatregel bevat om de verkeersdrempel te verwijderen.
4.1. De Afdeling overweegt, onder verwijzing naar de uitspraak van 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:600, onder 6.2, dat uit het systeem van de wet, in het bijzonder de opbouw en bewoordingen van de artikelen 89 en 90 van de Wgh en de artikelen 3.7 en 3.8 van het Besluit geluidhinder (Bgh), kan worden afgeleid dat de staatssecretaris bij de vaststelling van maatregelen die strekken tot het terugbrengen van de geluidbelasting tot de waarde als bedoeld in het tweede lid van artikel 90 van de Wgh, is gebonden aan het aan hem voorgelegde saneringsprogramma. Dit brengt met zich dat de staatssecretaris niet bevoegd is zelf alternatieve maatregelen vast te stellen. Evenwel laat dit onverlet dat de staatssecretaris het ingediende saneringsprogramma moet beoordelen en, onder omstandigheden, wanneer hij niet kan instemmen met het saneringsprogramma of onderdelen hiervan, aanleiding moet zien het saneringsprogramma of onderdelen hiervan bij de indiener, in dit geval het college, terug te leggen.
De vraag is dus of de staatssecretaris redelijkerwijs aanleiding had moeten zien het saneringsprogramma terug te leggen bij het college, vanwege het ontbreken van een onderzoek naar de gemeten geluidbelasting op de gevel van de woning van [appellant] als gevolg van de verkeersdrempel en vanwege het ontbreken van de door [appellant] gewenste maatregel, te weten het verwijderen van de verkeersdrempel. De Afdeling zal dit hierna beoordelen.
4.2. De Afdeling stelt vast dat het college aan het saneringsprogramma een akoestisch onderzoek ten grondslag heeft gelegd, waarin onderzoek is gedaan naar de te verwachten jaargemiddelde geluidbelasting (Lden) op de gevel van de woning van [appellant] voor het jaar 2032.
Over de in het akoestisch onderzoek gehanteerde rekenmethode overweegt de Afdeling dat de staatssecretaris heeft toegelicht dat is gerekend overeenkomstig de wettelijk voorgeschreven Standaardrekenmethode 2 uit artikel 3.2, eerste lid, van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 (Rmg 2012). De Afdeling overweegt dat in de toelichting (Stcrt. 2012, 11810, blz. 139) op artikel 3.2 is opgemerkt dat deze methode zodanig is dat voor vrijwel alle situaties een betrouwbaar resultaat verkregen wordt. Alleen voor heel bijzondere situaties kan een andere of aanvullende methode noodzakelijk zijn voor een juiste bepaling van het geluidsniveau, aldus de toelichting. De Afdeling overweegt dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zich een zo bijzondere situatie voordoet dat die noopt tot het toepassen van een andere of aanvullende methode, zoals het doen van metingen. Daarbij overweegt de Afdeling dat voor zover het in het akoestisch onderzoek gaat over in de toekomst te verwachten geluidbelasting, die per definitie niet kan worden gemeten.
Daarnaast overweegt de Afdeling dat de staatssecretaris heeft toegelicht dat in de gehanteerde rekenmethode rekening wordt gehouden met obstakels, zoals verkeersdrempels. Zo volgt uit paragraaf 2.5 van bijlage III bij het Rmg 2012 dat voor obstakels in de geluidberekening een optrekcorrectie moet worden toegepast. De optrekcorrectie wordt bepaald door de hoogste waarde van twee correctietermen, te weten de kruispuntcorrectie en de obstakelcorrectie. Op grond van paragraaf 2.5 van bijlage III bij het Rmg 2012 mag de optrekcorrectie alleen worden toegepast als de snelheid van het verkeer, als gevolg van het obstakel, ten minste wordt gehalveerd. De Afdeling overweegt dat de staatssecretaris heeft toegelicht dat aan de hand van de fysieke kenmerken van de verkeersdrempel wordt bepaald of de drempel zal leiden tot een halvering van de snelheid van het verkeer en of er dus voor de drempel een optrekcorrectie moet worden toegepast in de berekening. Over de verkeersdrempel voor de woning van [appellant] heeft de staatssecretaris toegelicht dat deze een zeer flauwe helling heeft, waar het verkeer niet voor hoeft af te remmen. Ook [appellant] heeft op de zitting erkend dat de verkeersdrempel niet leidt tot een vermindering van de snelheid van het verkeer. De toelichting van de staatssecretaris dat de verkeersdrempel niet als obstakel ingevoerd kan worden in het rekenmodel omdat deze niet leidt tot een halvering van de snelheid van het verkeer, kan de Afdeling dan ook volgen. De Afdeling overweegt daarnaast dat de staatssecretaris heeft toegelicht dat een incidentele toename van geluid door het rijgedrag van weggebruikers en het geklapper van vrachtwagens en voertuigen met aanhangers of hun lading geen aspecten zijn die op grond van de voorgeschreven rekenmethode kunnen worden meegenomen bij de berekening van de geluidproductie. [appellant] heeft niet toegelicht op grond waarvan deze aspecten volgens hem wel betrokken hadden kunnen en moeten worden in de berekening. Daarbij heeft de staatssecretaris toegelicht dat uit artikel 110d, eerste lid, van de Wgh in combinatie met paragraaf 2.2 van bijlage III bij het Rmg 2012 volgt dat met de voorgeschreven rekenmethode het equivalente geluidsniveau wordt berekend. Met de rekenmethode wordt dus het gemiddelde geluidsniveau berekend en niet de piekgeluiden waar [appellant] vooral hinder van lijkt te ervaren.
Over de in het akoestisch onderzoek gehanteerde verkeersgegevens overweegt de Afdeling dat de staatssecretaris heeft toegelicht dat gebruik is gemaakt van verkeersgegevens die zijn gebaseerd op het verkeersmodel van de Regionale verkeers- en milieukaart Holland Rijnland (RVMK). De staatssecretaris heeft toegelicht dat dit verkeersmodel wordt gekalibreerd op basis van verkeerstellingen. De op basis van dit verkeersmodel berekende verkeersgegevens zullen dus (in grote mate) overeenkomen met de werkelijke situatie. De Afdeling kan de toelichting van de staatssecretaris dat de in het akoestisch onderzoek gehanteerde verkeersgegevens daarom representatief zijn, dan ook volgen. Daarbij overweegt de Afdeling dat [appellant] niet heeft toegelicht welke verkeersgegevens volgens hem onjuist zijn.
Gelet op het bovenstaande ziet de Afdeling geen reden om te twijfelen aan de juistheid van het aan het saneringsprogramma ten grondslag gelegde akoestisch onderzoek en de daarin opgenomen uitkomst dat de jaargemiddelde geluidbelasting (Lden) op de gevel van de woning van [appellant] 60 dB zal bedragen. De Afdeling is dan ook van oordeel dat de staatssecretaris in zoverre redelijkerwijs geen aanleiding had hoeven zien om het saneringsprogramma terug te leggen bij het college.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
4.3. Over het betoog van [appellant] dat het saneringsprogramma ten onrechte geen maatregel bevat om de verkeersdrempel te verwijderen, overweegt de Afdeling als volgt. De Afdeling overweegt dat in een saneringsprogramma de in artikel 3.7, eerste lid, van het Bgh genoemde maatregelen kunnen worden opgenomen. In de nota van toelichting (Besluit van 20 oktober 2006 tot ontwerp van een algemene maatregel van bestuur houdende regels ter uitvoering van de Wet geluidhinder (Besluit geluidhinder), Stb. 2006, 532, nota van toelichting, p. 36) is bij artikel 3.7 vermeld dat het verminderen van het geluid, veroorzaakt door de weg, kan gebeuren door het treffen van voorzieningen op of aan de aanwezige weg (bronmaatregelen) waardoor de geluidbelasting op de woning afneemt. Uit de toelichting volgt dat de te treffen voorziening in de concrete situatie wel rechtstreeks moet leiden tot een verlaging van de geluidbelasting. Zoals de Afdeling in overweging 4.2 heeft overwogen, gaat het bij de verkeersdrempel voor de woning van [appellant] om een drempel met een zeer flauwe helling. Onder die omstandigheden heeft de staatssecretaris zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt mogen stellen dat de verkeersdrempel geen wezenlijke invloed heeft op de snelheid van het verkeer, zodat voor deze drempel geen optrekcorrectie hoeft te worden toegepast. De Afdeling overweegt dat het verwijderen van de verkeersdrempel dan ook geen verschil zal maken in de berekende jaargemiddelde geluidbelasting, zodat het verwijderen van de verkeersdrempel geen maatregel is die in het saneringsprogramma kan worden opgenomen.
Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de staatssecretaris in zoverre redelijkerwijs geen aanleiding had hoeven zien om het saneringsprogramma terug te leggen bij het college.
Het betoog slaagt in zoverre ook niet.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond.
6. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J.M.A. Wolvers-Poppelaars, griffier.
w.g. Hoekstra
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Wolvers-Poppelaars
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026
780-1116
BIJLAGE
Wet geluidhinder
Artikel 89
1. Burgemeester en wethouders of indien toepassing wordt gegeven aan artikel 98 burgemeester en wethouders of de wegaanlegger stellen uitsluitend ten aanzien van de woningen die op grond van artikel 88, eerste lid, zoals dat luidde voor 1 januari 2007 aan Onze Minister zijn gemeld, met inachtneming van de regels, gegeven krachtens het tweede lid, een programma op van maatregelen die naar hun oordeel in aanmerking komen om de geluidsbelasting, vanwege de weg, van de gevels van de op grond van artikel 88, zoals dat luidde voor 1 januari 2007 gemelde woningen zoveel mogelijk te beperken tot 48 dB en om zo nodig te voldoen aan artikel 111b, derde lid.
2. Met betrekking tot gevallen als bedoeld in het eerste lid worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gegeven omtrent de aard van de maatregelen die in aanmerking komen, en de omstandigheden waaronder dit het geval is, alsmede omtrent de opzet en het tijdstip van vaststelling van een programma.
Artikel 90
1. Burgemeester en wethouders of indien toepassing wordt gegeven aan artikel 98 burgemeester en wethouders of de wegaanlegger leggen het ingevolge artikel 89, eerste lid, vastgestelde programma van maatregelen onverwijld voor aan Onze Minister.
2. Behoudens het derde lid stelt Onze Minister na ontvangst van zodanig programma voor de woningen waarop het betrekking heeft, als de ten hoogste toelaatbare waarde van de geluidsbelasting, vanwege de weg, van de gevels een waarde van 48 dB vast. Onze Minister doet van zijn besluit mededeling aan burgemeester en wethouders en de wegbeheerder.
3. In bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen en volgens daarbij te stellen regels kan bij een besluit als bedoeld in het tweede lid voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting een hogere dan de in dat lid genoemde waarde worden vastgesteld, met dien verstande dat deze waarde 68 dB niet te boven mag gaan.
4. In afwijking van het derde lid kan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen en volgens daarbij te stellen regels voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting een hogere dan de in dat lid genoemde waarde worden vastgesteld.
5. Onze Minister stelt ten aanzien van elk van de daarvoor in aanmerking komende gevallen maatregelen vast die strekken tot het terugbrengen van de geluidsbelasting, vanwege de weg, van de gevels van de betrokken woningen tot de bij het besluit, bedoeld in het tweede lid, vastgestelde waarde. Deze maatregelen strekken tevens, afhankelijk van de hoogte van deze waarde, tot het terugbrengen van de geluidsbelasting, vanwege de weg, binnen de woning. Op de door Onze Minister vastgestelde maatregelen is hoofdstuk X van toepassing. Hij doet van zijn besluit, houdende vaststelling van maatregelen, mededeling aan burgemeester en wethouders en aan de wegbeheerder of wegaanlegger.
Artikel 110d
1. Ten behoeve van de vaststelling van de geluidsbelasting vanwege een industrieterrein, weg of spoorweg wordt voor het bepalen van het equivalente geluidsniveau bij ministeriële regeling aangegeven:
a. op welke wijze en met inachtneming van welke bestaande of te verwachten omstandigheden, de afwisselende niveaus van het ter plaatse optredende geluid worden vastgesteld, en
b. op welke wijze uit de over een bepaalde periode verkregen uitkomsten het in vorengenoemde omschrijving bedoelde gemiddelde wordt afgeleid.
2. Het eerste lid is niet van toepassing met betrekking tot de vaststelling van de geluidsbelasting vanwege een weg of spoorweg die is aangegeven op de geluidplafondkaart.
Artikel 111b
[…]
3. Indien met betrekking tot de gevels van woningen waarvan de geluidsbelasting vanwege de weg op 1 maart 1986 hoger was dan 55 dB(A) en met toepassing van artikel 90, tweede lid, een hogere geluidsbelasting dan 48 dB, vanwege de weg als de ten hoogste toelaatbare is vastgesteld, treffen burgemeester en wethouders met betrekking tot de geluidwering van die gevels maatregelen om te bevorderen dat de geluidsbelasting binnen de woning bij gesloten ramen ten hoogste 43 dB bedraagt.
Besluit geluidhinder
Artikel 3.7
1. Een saneringsprogramma als bedoeld in artikel 89, eerste lid, van de wet kan uitsluitend maatregelen bevatten die strekken tot:
a. vermindering van het geluid, veroorzaakt door het verkeer op de weg;
b. vermindering van de geluidsoverdracht van de weg naar de betrokken woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen;
c. het aanbrengen van geluidwerende maatregelen aan de betrokken woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen, of
d. onttrekking aan de bestemming van een of meer van de betrokken woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen.
2. Maatregelen als bedoeld in het eerste lid, onder b, onder c, onderscheidenlijk onder d, komen eerst in aanmerking voor opneming in het saneringsprogramma, voor zover de toepassing van de in het eerste lid, onder a, onder a en b, onderscheidenlijk onder a, b en c genoemde maatregelen onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard.
Reken- en meetvoorschrift geluid 2012
Artikel 3.2
1. Het equivalent geluidsniveau wordt bepaald volgens de in hoofdstuk 2 van bijlage III bij deze regeling beschreven Standaardrekenmethode 2.
[…].
Bijlage III Reken- en meetvoorschrift geluid 2012
Paragraaf 2.2
Het equivalente geluidsniveau in dB(A), het LAeq, wordt als volgt berekend:
[…].
Paragraaf 2.5
De optrekcorrectie Lop is een correctieterm ten gevolge van het afremmen en optrekken van het verkeer door de aanwezigheid van een kruispunt of een situatie die de gemiddelde snelheid van het verkeer sterk beperkt. De optrekcorrectie ten gevolge van deze snelheidsbeperkende maatregelen mag alleen toegepast worden als ten gevolge van die obstakels de gemiddelde snelheid van de voertuigen ten minste wordt gehalveerd. De correctieterm geeft een toeslag weer ten opzichte van verkeer dat rijdt met een constante snelheid van 50 km/h. De optrekcorrectie is het maximum van twee correctietermen, volgens:
-op, m = max(Lkruispunt, m; Lobstakel, m)
met:
-kruispunt, m: de toeslag vanwege een kruispunt;
-obstakel, m: de toeslag vanwege een situatie die de gemiddelde snelheid sterk beperkt.
Bij ‘modelleringsnelheden’ die afwijken van 50 km/h moet nader onderzoek plaatsvinden naar de hoogte van de optrekcorrectie.