ECLI:NL:RVS:2026:1924

ECLI:NL:RVS:2026:1924

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 08-04-2026
Datum publicatie 08-04-2026
Zaaknummer 202506203/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Bij beslissing van 14 augustus 2025 heeft de examencommissie van de School of Business and Economics van de VU het verzoek van [appellant] om een extra herkansing van het tentamen van het vak ‘Investments’ van de pre-master Finance afgewezen. [appellant] volgde de pre-master Finance van februari 2025 tot juli 2025. Om toegelaten te worden tot de masteropleiding Finance moest hij alle vakken van de pre-master behalen. Voor ieder vak van de pre-master zijn er twee tentamengelegenheden. [appellant] heeft beide tentamens van één vak niet behaald, namelijk het vak ‘Investments’. Voor zijn hertentamen van 30 juni 2025 is het cijfer 5,37 toegekend. De overige vakken van de pre-master heeft hij wel behaald. [appellant] heeft op 14 juli 2025 verzocht om een extra herkansing van het tentamen van het vak wegens persoonlijke omstandigheden. Hij heeft in de voorafgaande weken het nieuws gehad dat zijn stiefvader ongeneeslijk ziek is. Bij beslissing van 14 augustus 2025 heeft de examencommissie het verzoek van [appellant] om een extra herkansing afgewezen. Zij heeft daarbij het standpunt ingenomen dat er in een pre-master geen uitzonderingen mogelijk zijn op de regel dat studenten alle vakken moeten behalen en er geen extra herkansingen worden aangeboden.

Uitspraak

202506203/1/A2.

Datum uitspraak: 8 april 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend in [woonplaats],

appellant,

en

het college van beroep voor de examens van de Vrije Universiteit Amsterdam (het CBE),

verweerder.

Procesverloop

Bij beslissing van 14 augustus 2025 heeft de examencommissie van de School of Business and Economics van de VU het verzoek van [appellant] om een extra herkansing van het tentamen van het vak ‘Investments’ van de pre-master Finance afgewezen.

Tegen deze beslissing heeft [appellant] administratief beroep ingesteld.

Bij beslissing van 25 november 2025 heeft het CBE het administratief beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze beslissing heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 februari 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. R. Verspaandonk, en het CBE, vertegenwoordigd door mr. B. F. Donner en prof. dr. A.H. Siegmann, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellant] volgde de pre-master Finance van februari 2025 tot juli 2025. Om toegelaten te worden tot de masteropleiding Finance moest hij alle vakken van de pre-master behalen. Voor ieder vak van de pre-master zijn er twee tentamengelegenheden. [appellant] heeft beide tentamens van één vak niet behaald, namelijk het vak ‘Investments’. Voor zijn hertentamen van 30 juni 2025 is het cijfer 5,37 toegekend. De overige vakken van de pre-master heeft hij wel behaald.

2. De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

Beslissing van de examencommissie

3. [appellant] heeft op 14 juli 2025 verzocht om een extra herkansing van het tentamen van het vak wegens persoonlijke omstandigheden. Hij heeft in de voorafgaande weken het nieuws gehad dat zijn stiefvader ongeneeslijk ziek is. Bij beslissing van 14 augustus 2025 heeft de examencommissie het verzoek van [appellant] om een extra herkansing afgewezen. Zij heeft daarbij het standpunt ingenomen dat er in een pre-master geen uitzonderingen mogelijk zijn op de regel dat studenten alle vakken moeten behalen en er geen extra herkansingen worden aangeboden.

Beslissing van het CBE

4. Hangende het administratief beroep van [appellant] tegen de beslissing van de examencommissie, is [appellant] bij wijze van voorlopige voorziening van de voorzitter van het CBE toegelaten tot semester 1 van de master.

5. Bij beslissing van 25 november 2025 heeft het CBE het administratief beroep ongegrond verklaard. Volgens het CBE volgt uit artikel 7.4, zesde lid, onder d, van de Onderwijs- en Examenregeling van de School of Business and Economics Master’s programmes […] 2024-2025 (de OER) dat in vakken van de pre-master geen extra herkansing van een tentamen kan worden aangeboden. Dat kan onder bepaalde voorwaarden alleen in vakken van de reguliere bachelor- en masteropleiding. Verder is de beperkte hardheidsclausule die van toepassing is bij de pre-master in artikel 7.4, zesde lid, onder c, van de OER slechts zo ingevuld dat, als de pre-master is behaald maar de student niet kan deelnemen aan de masteropleiding in het daaropvolgende studiejaar, de resultaten van de pre-master met één jaar kunnen worden verlengd. Die situatie is hier niet aan de orde. De algemene hardheidsclausule in artikel 5.1 van de OER is verder uitgesloten van de pre-master in artikel 7.4, eerste lid, van de OER, aldus het CBE.

Beroep

Herinschrijving

6. [appellant] wijst erop dat de examencommissie en het CBE zich gedurende de procedure ook op het standpunt hebben gesteld dat hij zich niet opnieuw kan inschrijven voor de pre-master in een volgend studiejaar. [appellant] betoogt dat uit artikel 7.4, zesde lid, aanhef, van de OER echter niet duidelijk volgt dat hij uitgesloten is van herinschrijving voor de pre-master. Voor zover uit artikel 7.4, zesde lid, aanhef, van de OER volgt dat hij zich niet opnieuw mag inschrijven, is de bepaling in strijd met de in artikel 7.30e van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (Whw) voorgeschreven redelijke termijn om aan de toelatingseisen van de master te kunnen voldoen. De bepaling moet daarom onverbindend verklaard worden. De pre-master heeft verder een duur van slechts een halfjaar terwijl uit de wetsgeschiedenis volgt dat een redelijke termijn voor een pre-master één jaar bedraagt.

6.1. In deze procedure ligt het verzoek van [appellant] om een extra herkansing van een tentamen voor. De in artikel 7.4, zesde lid, aanhef, van de OER gestelde beperking van herinschrijving voor de pre-master ziet niet op het aanbieden van een extra herkansing in de pre-master. De bepaling is dan ook niet ten grondslag gelegd aan de afwijzing van het verzoek van [appellant]. Het betoog van [appellant] over deze bepaling valt daarom buiten de omvang van het geding en de Afdeling kan deze bepaling niet exceptief toetsen. Zij zal daarom niet ingaan op het betoog van [appellant] over de beperking van de herinschrijving.

Onevenredige gevolgen

7. [appellant] betoogt dat de algemene hardheidsclausule, die is opgenomen in artikel 5.1 van de OER, ook op de pre-master van toepassing is en hem op grond daarvan een extra herkansing aangeboden moet worden. In het geval dat de hardheidsclausule niet van toepassing is op de pre-master, blijft het CBE gehouden om te beoordelen of de afwijzing van zijn verzoek om een extra herkansing niet onredelijk of onbillijk uitpakt. Volgens hem is dat het geval, omdat de examencommissie en het CBE zijn persoonlijke omstandigheden en de onevenredige gevolgen van de beslissing niet hebben meegewogen. Verder wijst hij op een e-mail van 10 juli 2025 van een docent van het vak, waarin staat dat een extra herkansing kan worden aangeboden op grond van de hardheidsclausule.

7.1. De algemene hardheidsclausule is opgenomen in artikel 5.1, dat onderdeel is van sectie A, van de OER. In artikel 7.4, eerste lid, van de OER is bepaald dat bepalingen die zijn opgenomen in sectie A en sectie B alleen van toepassing zijn op de pre-master, voor zover die bepalingen zijn omschreven in artikel 7.4 van de OER. In artikel 7.4 van de OER is geen verwijzing naar de hardheidsclausule in artikel 5.1 van de OER opgenomen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het CBE zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat de algemene hardheidsclausule niet van toepassing is op de pre-master.

7.2. Verder heeft het CBE in zijn beslissing volstaan met de conclusie dat de algemene hardheidsclausule niet van toepassing is en het om die reden niet mogelijk zou zijn om een uitzondering te maken voor [appellant]. Gelet op het betoog van [appellant] in administratief beroep over zijn persoonlijke omstandigheden en de volgens hem onevenredige gevolgen van de afwijzing van zijn verzoek, had het echter op de weg van het CBE gelegen om in zijn beslissing een evenredigheidstoets uit te voeren (vergelijk de uitspraak van 18 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:853, onder 8.2.). Het CBE heeft in zijn verweerschrift gesteld dat het de persoonlijke omstandigheden van [appellant] heeft betrokken en heeft bezien of het aangewezen is om een uitzondering te maken. De Afdeling begrijpt hieruit dat het CBE, ook al is de algemene hardheidsclausule niet van toepassing, heeft beoordeeld of de afwijzing van het verzoek in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Dat heeft het CBE echter niet gemotiveerd in zijn beslissing. De Afdeling constateert daarom een motiveringsgebrek in de beslissing.

7.3. Het betoog slaagt. Reeds hierom is het beroep gegrond en moet de beslissing van het CBE worden vernietigd.

Afdoening

8. Met het oog op een definitieve beslechting van het geschil, zal de Afdeling bezien of zij met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van de beslissing van het CBE in stand kan laten.

Toelichting van het CBE

9. Het CBE heeft in beroep zijn standpunt dat de examencommissie het verzoek om een extra herkansing mocht afwijzen gehandhaafd en heeft dit in zijn verweerschrift en op de zitting bij de Afdeling nader toegelicht. De toelichting is ter zitting van de Afdeling besproken en [appellant] is in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren.

9.1. In artikel 7.4, zesde lid, onder d, van de OER is de in artikel 3.5, vierde lid, van de OER opgenomen bevoegdheid van de examencommissie om een extra herkansing aan te bieden, uitgesloten van de pre-master. Het CBE heeft toegelicht dat het heeft beoordeeld of het aangewezen is om hierop een uitzondering te maken en [appellant] een extra herkansing aan te bieden. Volgens het CBE zijn de persoonlijke omstandigheden van [appellant] echter niet van dien aard dat hij niet naar het hertentamen kon komen en daarnaast heeft hij zijn persoonlijke omstandigheden niet van tevoren gemeld bij de studieadviseur. Het CBE heeft er verder op gewezen dat het aanbieden van onderwijs in een pre-master, wegens het bijzondere karakter daarvan en de in artikel 7.49b van de Whw voorgeschreven vergoeding zonder aanvullende bekostiging, niet kostendekkend is voor de instelling. Verder heeft het CBE erop gewezen dat voor ieder vak twee tentamengelegenheden zijn geboden, wat het CBE relatief coulant acht bij een pre-master. Het achteraf aanbieden van nog een herkansing in een pre-master levert, vergeleken met een reguliere bachelor- of masteropleiding, relatief grote organisatorische en financiële lasten op voor de VU. Als [appellant] voorafgaand aan het hertentamen zijn persoonlijke omstandigheden had gemeld, had de studieadviseur volgens het CBE voorzieningen voor het afronden van de pre-master met hem kunnen bespreken. De lasten van de VU hadden daarmee beperkt kunnen worden. Op de zitting is verder gebleken dat [appellant] het vak ‘Investments’, dat ook onderdeel is van de bacheloropleiding, opnieuw zal volgen vanaf mei 2026. Als hij het vak alsnog behaalt, kan [appellant] de toelatingscommissie verzoeken om hem toe te laten tot de masteropleiding. Het CBE heeft verklaard dat de toelatingscommissie dat verzoek welwillend zal beoordelen.

Beoordeling evenredigheid

10. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het CBE in zijn verweerschrift en ter zitting alsnog deugdelijk gemotiveerd dat de gevolgen van de weigering om [appellant] een extra herkansing aan te bieden, niet onevenredig zijn in verhouding tot de door het CBE aangevoerde belangen die worden gediend met het toepassen van artikel 7.4, zesde lid, onder d, van de OER. Het CBE mocht daarbij voorop stellen dat [appellant] het hertentamen heeft gemaakt zonder zijn persoonlijke omstandigheden van tevoren te melden en, gelet op de daardoor vergrote lasten aan de zijde van de VU, de examencommissie niet gehouden is om hem achteraf een extra herkansing aan te bieden. Verder is [appellant] niet definitief uitgesloten van de masteropleiding Finance. Als hij het vak ‘Investments’ in dit studiejaar behaalt, kan de toelatingscommissie hem, met inachtneming van de overige behaalde resultaten van de pre-master van vorig studiejaar, alsnog toelaten tot de masteropleiding Finance. Hiermee kunnen de nadelige gevolgen van de beslissing van de examencommissie worden beperkt.

11. Het voorgaande brengt mee dat de afwijzing van het verzoek van [appellant] om een extra herkansing niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De Afdeling zal daarom de rechtsgevolgen van de beslissing van het CBE van 25 november 2025 in stand laten.

Proceskosten

12. Het CBE moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt de beslissing van het college van beroep voor de examens van de Vrije Universiteit Amsterdam van 25 november 2025, kenmerk 2025/46/1241;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van die beslissing geheel in stand blijven;

IV. veroordeelt het college van beroep voor de examens van de Vrije Universiteit Amsterdam in de vergoeding van de proceskosten van [appellant] tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat het college van beroep voor de examens van de Vrije Universiteit Amsterdam het door [appellant] betaalde griffierecht van € 53,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Schuurman, griffier.

w.g. Daalder

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Schuurman

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026

1100

Bijlage

Relevante regelgeving

Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek

Artikel 7.30e. Pre-masters

Indien de betrokkene niet voldoet aan de toelatingseisen, bedoeld in de artikelen 7.30b of 7.30c, en van hem redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij daaraan binnen een redelijke termijn alsnog kan voldoen, wordt hem de mogelijkheid geboden, de tekortkoming weg te nemen en alsnog aan de toelatingseisen te voldoen.

Teaching and Examination Regulations School of Business and Economics Master’s programmes in […] Finance […] 2024-2025

[De Onderwijs- en Examenregeling van de School of Business and Economics Master’s programmes in […] Finance […] 2024-2025]

Section A: Faculty section

[…]

Article 3.5 Examination opportunities

[…]

4. The Examination Board may allow a student an extra opportunity to sit an

examination if:

a. that student lacks only those credits to qualify for their degree; and

b. that student has failed the examination during all the previously offered attempts unless participation in an examination was not possible for compelling reasons; and

c. there is no regular opportunity to take the examination within 6 months.

The extra opportunity can only be offered if it concerns a written examination, a paper or a take home examination. This provision excludes (other) practical exercises and the Master's thesis. If necessary, the method of examination may deviate from the provisions in the study guide.

Article 5.1 Hardship clause

In instances not regulated by the Teaching and Examination Regulations or in the event of demonstrable extreme unreasonableness and unfairness, the faculty board responsible for the study programme will decide, unless the matter concerned is the responsibility of the Examination Board.

Section B1: Programme specific - general provisions

[…]

Article 7.4 Pre-Master’s programme

1. Applicants with a Bachelor's degree of a university of applied science (HBO) or a Bachelor's degree from an institution of academic higher education who wish to enter the programme but do not fulfil the admission requirements as stipulated in Article 7.2 and the selection criteria as stipulated in Article 7.3 can request admission to the pre-Master's programme. Article 2 of these regulations does not apply to admission

to a bridging or pre-Master's programme. The provisions of sections A and B only apply to the extent that they are described in Article 7.4. Information about the programme from part B2 applies, insofar as it concerns the units of education from the pre-Master's programme. The pre-master's programme Accounting and Control has its own Teaching and Examination Regulations, separate from the TERs outlined here.

[…]

4. The programmes, their units of education and the examination format used in each unit are listed in the Study Guide.

5. The Pre-Master's programmes have a study load of 30 credits.

6. A Pre-master's programme of the same name can only be registered for once.

a. Successfully completed units of education of the pre-Master's programmes are valid until 31 August of the academic year in which the results were issued.

b. A Pre-Master's programme is only successfully completed when all individual units of education are passed.

c. Notwithstanding the provisions stated in paragraph a, the Examination board can extend a period of validity of a successfully completed unit of education in special cases.

d. Article 3.5.4 does not apply to pre-Master's students.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?