ECLI:NL:RVS:2026:1926

ECLI:NL:RVS:2026:1926

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 08-04-2026
Datum publicatie 08-04-2026
Zaaknummer 202401891/1/A3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 12 april 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren, voor zover voor deze zaak van belang, aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 2:10 van de Algemene Plaatselijke Verordening Wijdemeren 2018 (APV). De last is opgelegd naar aanleiding van een verzoek om handhaving van [partij A] en [partij B] (hierna tezamen in enkelvoud: [partij]). [appellant] is eigenaar van de weg en de berm over een lengte van 31 meter voor de woning van [partij] aan [locatie] in Nederhorst den Berg. [partij] eigende zich volgens [appellant] tijdens de bouw van zijn woning de berm toe, onder meer door graafwerkzaamheden en het willen aanleggen van een inrit. Daarom wilde [appellant] zijn eigendom afbakenen en voorkomen dat de berm opnieuw door [partij] ten onrechte wordt gebruikt. [appellant] heeft daarvoor in de berm, langs de erfgrens met [locatie], stalen palen in de grond aangebracht en liggend daarvoor betonnen balken geplaatst. Het college stelt dat de palen en balken de bruikbaarheid van de weg aantasten, omdat de situatie verkeersonveilig is.

Uitspraak

202401891/1/A3.

Datum uitspraak: 8 april 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Weesp, gemeente Amsterdam,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-­Nederland van 15 maart 2024 in zaak nr. 22/5285 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren.

Procesverloop

Bij besluit van 12 april 2022 heeft het college, voor zover voor deze zaak van belang, aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 2:10 van de Algemene Plaatselijke Verordening Wijdemeren 2018 (APV). De last is opgelegd naar aanleiding van een verzoek om handhaving van [partij A] en [partij B] (hierna tezamen in enkelvoud: [partij]).

Bij besluit van 28 oktober 2022 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het college heeft de last herroepen wat betreft de palen 1, 2 en 18 tot en met 25.

Bij uitspraak van 15 maart 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] en [partij] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 11 november 2025, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], en het college, vertegenwoordigd door mr. J.A.L. van den Puttelaar, zijn verschenen. Verder is op de zitting [partij] als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellant] is eigenaar van de weg en de berm over een lengte van 31 meter voor de woning van [partij] aan [locatie] in Nederhorst den Berg. [partij] eigende zich volgens [appellant] tijdens de bouw van zijn woning de berm toe, onder meer door graafwerkzaamheden en het willen aanleggen van een inrit. Daarom wilde [appellant] zijn eigendom afbakenen en voorkomen dat de berm opnieuw door [partij] ten onrechte wordt gebruikt. [appellant] heeft daarvoor in de berm, langs de erfgrens met [locatie], stalen palen in de grond aangebracht en liggend daarvoor betonnen balken geplaatst. Het college stelt dat de palen en balken de bruikbaarheid van de weg aantasten, omdat de situatie verkeersonveilig is. Het college heeft daarom een last onder dwangsom opgelegd aan [appellant], ertoe strekkend dat de palen en balken worden verwijderd en die verwijderd te houden, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.500 per week, met een maximum van € 15.000. Tegen dat besluit heeft [appellant] bezwaar gemaakt. Het college heeft dat bezwaar ongegrond verklaard en de last herroepen wat betreft de palen 1, 2 en 18 tot en met 25. Vervolgens heeft [appellant] beroep ingesteld. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college handhavend mocht optreden en het beroep ongegrond verklaard.

2. In dit geding gaat het nog om de in het constateringsrapport van 10 februari 2022 genoemde palen met nrs. 3, 4, 6, 7, 9, 10, 11, 13, 15 en 17 en de balken met nrs. 5, 8, 12 en 14. De stalen palen hebben een lengte van maximaal 6 meter, steken ongeveer 1 meter boven het maaiveld uit en hebben een diameter van 175 tot 280 millimeter. De betonbalken zijn tussen de 3,9 en 7 meter lang, en hebben een breedte en hoogte van 400 of 500 millimeter.

Is de strook grond onderdeel van de berm van de openbare weg?

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de strook grond waarop de palen en balken zich bevinden onderdeel zijn van (de berm van) de openbare Eilandseweg. [appellant] voert daartoe onder meer aan dat het college de strook grond niet onderhoudt, dat het college geen eigenaar van die strook is en dat voor die strook niet de bestemming ‘verkeer’ geldt. Om die reden was er volgens [appellant] geen sprake van overtreding van artikel 2:10 van de APV en kon het college alleen al daarom niet handhavend optreden.

3.1. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat het begrip ‘berm’ niet is gedefinieerd in wetgeving. Zij heeft daarom terecht aansluiting gezocht bij de inhoud die aan het begrip ‘berm’ in het dagelijks taalgebruik wordt gegeven. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspaak van 15 juni 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ7944, is daarbij voor het antwoord op de vraag of en in hoeverre een stuk grond gelegen naast de aardebaan van een weg kan worden aangemerkt als berm vooral van belang de afstand tussen die grond en de aardebaan van de weg. Omstandigheden zoals wie het onderhoud pleegt aan de (groen)strook, of de strook al dan niet eigendom is van degene die eigenaar is van de openbare weg, en hoe de situatie van de weg vroeger ruim voor het opleggen van de last onder dwangsom was, zijn voor het bepalen of een strook kan worden aangemerkt als berm dus niet van doorslaggevend belang. Gezien de ligging van het stuk grond onder de palen en balken, namelijk binnen 1,5 tot 2 meter van de wegverharding heeft het college zich naar het oordeel van de Afdeling redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat dat stuk grond behoort tot de berm van de openbare weg en daarom daar deel van uitmaakt. Verder stelt de Afdeling vast dat de door [appellant] ingeschakelde verkeersdeskundige in zijn verkeersanalyse van 8 juli 2025 heeft geconcludeerd dat de strook, waarop de palen en balken zich bevinden, behoort tot de berm en dit ter zitting desgevraagd heeft bevestigd. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het deel uitmaakt van de berm. Het betoog slaagt niet.

Overtreding vanwege belemmering van de bruikbaarheid van de weg?

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij artikel 2:10, eerste lid, van de APV heeft overtreden vanwege belemmering van de bruikbaarheid van de weg. [appellant] heeft daartoe foto’s overgelegd en een verkeersanalyse van 8 juli 2025, waaruit volgt dat de verkeersveiligheid had moeten worden beoordeeld in de context van de gehele weg en dat de objecten dan ook niet als verkeersonveilig hadden moeten worden aangemerkt. Verder voert hij aan dat de benodigde 3,5 meter ruimte er is op de rijbaan en dat het gaat om een overzichtelijk deel van de openbare weg. Volgens [appellant] is verder ten onrechte niet het CROW-kennisproduct "Veilige inrichting van bermen van niet-autosnelwegen buiten de bebouwde kom" (nr. 202 uit 2004, herzien in 2019) als uitgangspunt genomen. Daaruit blijkt dat voor de liggende betonpalen een minimumafstand van 1 meter tot de verharding geldt en niet de door het college gehanteerde afstand van minimaal 1,5 meter. Er is volgens [appellant] dan ook geen sprake van een belemmering van de bruikbaarheid van de weg.

4.1. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, heeft het college bij de uitleg van het begrip ‘bruikbaarheid van de weg’ beoordelingsruimte en wordt de uitleg die het college daaraan geeft terughoudend getoetst. Het college heeft aan haar besluitvorming een advies van haar senior beleidsmedewerker mobiliteit van 12 juli 2022 ten grondslag gelegd. In dat advies vermeldt de medewerker dat lantaarnpalen en verkeersborden zo zijn gemaakt, dat zij afbreken wanneer er tegenaan wordt gereden. Iemand die in berm belandt kan tegen de palen en balken aanrijden en deze geven niet mee. Daarom komt hij tot het oordeel dat de objecten de bruikbaarheid van de weg belemmeren. Daarmee gaat het om een verkeersonveilige situatie. Het advies was voor het college aanleiding een obstakelvrije zone van minimaal 1,5 meter te hanteren en zij heeft daarbij verwezen naar het Handboek Wegontwerp 2013, nr. 329 (Erftoegangswegen). Weliswaar is het door [appellant] ingeroepen CROW-kennisproduct een aanvulling op dat Handboek Wegontwerp 2013, maar dit laat naar het oordeel van de Afdeling onverlet dat de objecten in dit geval geen ‘botsveilige objecten’ zijn, maar ‘obstakels’. Binnen de obstakelvrije zone moeten obstakels volgens het Handboek Wegontwerp 2013 bij voorkeur verwijderd worden en die obstakelvrijezone is in bestaande situaties minimaal 1,5 meter en de standaardbreedte van de obstakelvrije zone is 2,5 meter (Handboek Wegontwerp 2013, par. 5.3, 5.4.4 en 5.4.5). De omstandigheid of het al dan niet gaat om overzichtelijk deel van de weg en hoe de weg gehele weg is ingericht zijn daarvoor niet van doorslaggevend belang. Dit betekent, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, dat het college een grotere afstand mag hanteren bij de beoordeling of het gebruik van de weg wordt belemmerd. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het college redelijkerwijs tot de conclusie heeft kunnen komen dat de bruikbaarheid van de weg wordt belemmerd en daarbij een obstakelvrije zone van minimaal 1,5 meter kunnen hanteren. Het betoog slaagt niet.

Evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college handhavend mocht optreden. Hij heeft ter onderbouwing daarvan foto’s overgelegd van andere plekken langs de Eilandseweg met obstakel op veel kortere afstand tot de wegverharding. Volgens [appellant] had het college allereerst van handhaven moeten afzien omdat handhavend optreden in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. [appellant] stelt dat de last kan worden beperkt, namelijk dat alleen de balken moeten worden weggehaald en de palen kunnen blijven staan. Verder betoogt [appellant] dat het college ook van handhavend optreden had moeten afzien omdat handhavend optreden in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. De situaties op de overlegde foto’s zijn namelijk volgens [appellant] vergelijkbare gevallen en het college is in die situaties niet handhavend opgetreden.

5.1. De Afdeling is van oordeel dat het beroep op het evenredigheidsbeginsel niet slaagt. Zij is van oordeel dat het college zich in dit geval op het standpunt heeft mogen stellen dat handhaven optreden niet onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. Daartoe heeft het college de belangen die met handhaving gediend zijn, namelijk de verkeersveiligheid, zwaarder mogen laten wegen dan de belangen van [appellant]. Voor het beperken van de last heeft het college geen aanleiding hoeven zien.

5.2. De vergelijking met andere objecten die op kortere afstand van de Eilandseweg staan, leidt naar het oordeel van de Afdeling niet tot een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel. Deels gaat het om bijvoorbeeld verkeersborden, die constructief zo zijn gemaakt dat ze afbreken als er tegenaan wordt gereden of bestaande gebouwen. Verder heeft het college toegelicht dat aan deze situatie prioriteit is gegeven omdat er een verzoek om handhaving aan ten grondslag lag. De Afdeling is van oordeel dat deze prioritering in het handhavingsbeleid dat handhavend wordt opgetreden als hierom is verzocht niet onaanvaardbaar is (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 2 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2972, onder 8.1). Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt daarom niet.

5.3. Het betoog slaagt niet.

Conclusie

6. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

7. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. van Wezep, griffier.

w.g. Wissels

voorzitter

w.g. Van Wezep

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026

844

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. C.M. Wissels
  • mr. A.J.C. de Moor-van Vugt
  • mr. M. Soffers

Griffier

  • mr. M. van Wezep

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?