202406991/1/A2.
Datum uitspraak: 8 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 9 oktober 2024 in zaak nr. 23/1732 in het geding tussen:
[appellante]
en
de minister van Financiën.
Procesverloop
Bij besluit van 26 oktober 2022 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het verzoek van [appellante] om overname van haar private schulden afgewezen.
Bij besluit van 30 juni 2023 heeft de minister, als rechtsopvolger van de Belastingdienst/Toeslagen, het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 9 oktober 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
[appellante] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 28 oktober 2025, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. K.J.C. van Bekkum, advocaat in Heerlen, via een videoverbinding, en de minister, vertegenwoordigd door mr. J. Rhebergen en mr. drs. A. Divis-Stein, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Deze uitspraak gaat over een besluit op grond van de regeling voor overneming en betaling van private schulden die is opgenomen in de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht). Het overnemen van private schulden werd namens de Belastingdienst/Toeslagen en wordt nu namens de minister uitgevoerd door de uitvoeringsorganisatie Sociale Banken Nederland (SBN).
2. In hoofdstuk 4 van de Wht is geregeld onder welke voorwaarden gedupeerden in aanmerking komen voor het overnemen en betalen van private schulden. De voor dit geschil relevante bepalingen van die wet zijn opgenomen in de bijlage.
Inleiding
3. [appellante] is een erkend gedupeerde ouder van de kinderopvangtoeslagaffaire. Zij heeft SBN in het kader van de hersteloperatie toeslagen verzocht om overname van haar private schulden. Het gaat onder meer om een schuld van € 124.922,27 die zij is aangegaan bij [bedrijf].
Besluitvorming
4. De minister heeft geconstateerd dat de over te nemen schuld een informele schuld is als bedoeld in artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat de informele schuld is vastgelegd in een notariële akte of volgt uit een rechterlijke uitspraak. Daarbij komt dat de geldschuld niet opeisbaar was voor 1 juni 2021 als bedoeld in artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht. Het verzoek om overname van de informele private schuld is daarom afgewezen. Het bezwaar van [appellante] tegen dit besluit heeft de minister ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
5. De rechtbank heeft, voor zover relevant, geoordeeld dat de schuld aan [bedrijf] niet voor overname in aanmerking komt. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat die schuld opeisbaar was voor 1 juni 2021. Omdat niet is voldaan aan het vereiste van opeisbaarheid, als bedoeld in artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht, is de rechtbank niet toegekomen aan de beoordeling van de vraag of het ontbreken van een notariële akte terecht is tegengeworpen.
6. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de minister niet gehouden was om ten aanzien van de voorwaarde van de opeisbaarheid van de schuld de hardheidsclausule toe te passen. [appellante] is, ook ten tijde van de zitting bij de rechtbank, niet geconfronteerd met incassomaatregelen.
Beoordeling van het hoger beroep
7. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de lening bij [bedrijf] niet opeisbaar was. Zij beroept zich daarbij op, naar de Afdeling begrijpt, het bepaalde in artikel 38 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW), en stelt dat de vordering bij het uitblijven van betaling van rente binnen de termijn van één jaar opeisbaar is geworden. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte niet is toegekomen aan beoordeling van de vraag of haar het ontbreken van een notariële akte terecht is tegengeworpen, en ook niet aan haar betoog dat de voorwaarde dat de geldschuld in een notariële akte verleden moet zijn, in haar geval leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard, als bedoeld in artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wht.
7.1. De geldleningsovereenkomst van 30 november 2015 met [bedrijf], die [appellante] aan haar verzoek om overname van de schuld ten grondslag heeft gelegd, is naar haar bewoordingen aangegaan voor onbepaalde tijd (artikel 3), waarbij de hoofdsom gedurende de looptijd van de lening aflossingsvrij is en waarbij gehele of gedeeltelijke vervroegde aflossing steeds boetevrij is toegestaan (artikel 4). Daarbij zullen de hoofdsom en de rente direct opeisbaar zijn, zonder voorafgaande ingebrekestelling, in twee specifieke categorieën van gevallen, waaronder overlijden en faillissement (artikel 2). In de geldleningsovereenkomst is verder bepaald dat over de hoofdsom van de lening en de eventuele achterstallige rente een rente verschuldigd is van 2%, verschijnend in jaarlijkse termijnen op 31 december van ieder jaar, waarbij de geleende bedragen en renteberekeningen in een separaat overzicht worden bijgehouden.
Uit wat [appellante] en [bedrijf] aldus zijn overeengekomen, en wat [appellante] heeft verklaard over de wijze waarop schuldenaar en schuldeiser zich tot elkaar verhouden, kan niet worden opgemaakt dat de schuld van [appellante] voor 1 juni 2021 geheel of gedeeltelijk opeisbaar is geworden. Dat geldt ook voor de rentebedragen, die immers volgens de overeenkomst bij de schuld worden bijgeschreven. Hieraan doet niet af de verwijzing door [appellante] naar het bepaalde in artikel 6:38 van het BW, nu die bepaling is geschreven voor gevallen waarin geen tijd voor de nakoming is bepaald, en het betoog van [appellante] geen aanknopingspunten biedt om aan te nemen dat deze bepaling toepasselijk is op de geldleningsovereenkomst tussen haar en [bedrijf]. De bepalingen van de overeenkomst, die alleen directe opeisbaarheid regelen voor twee specifieke categorieën van gevallen, en voor het overige uitgaan van een aflossingsvrije hoofdsom gedurende de looptijd ervan, wijzen in een andere richting. [appellante] heeft haar standpunt ook niet met een declaratoir vonnis van de civiele rechter, of anderszins relevant, onderbouwd.
7.2. Naar het oordeel van de Afdeling is de rechtbank, gelet op het vorenstaande, in de bestreden uitspraak terecht tot het oordeel gekomen dat niet is gebleken van opeisbaarheid van de schuld voor 1 juni 2021.
7.3. Gelet hierop wordt niet toegekomen aan de beoordeling van de hogerberoepsgrond van [appellante] dat de rechtbank ten onrechte niet is toegekomen aan de beoordeling of het ontbreken van een notariële akte terecht is tegengeworpen. Ook het betoog dat de voorwaarde, dat de geldschuld in een notariële akte verleden moet zijn, in haar geval leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard, als bedoeld in artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wht, behoeft geen bespreking meer.
7.4. De conclusie is dat de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat de minister de schuld van [appellante] niet hoefde over te nemen.
Conclusie
8. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
9. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, voorzitter, en mr. C.H. Bangma en mr. A.B. Blomberg, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk, griffier.
w.g. De Groot
voorzitter
w.g. Rijsdijk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026
705-1062
BIJLAGE
WETTELIJK KADER
Wet hersteloperatie toeslagen
Artikel 4.1. Overneming of betaling privaatrechtelijke geldschulden gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag, partner en ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag
1. Onze Minister neemt op aanvraag de geldschulden en kosten over op grond van artikel 155 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek van een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 of diens partner, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdelen b of c, of een ex-partner die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, en aan wie deze is toegekend, tenzij op die aanvrager, die partner of die ex-partner artikel 4.6 of 4.7 van toepassing is.
2. De geldschulden die worden overgenomen:
a. zijn ontstaan na 31 december 2005;
b. waren voor 1 juni 2021 opeisbaar; en
c. zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.
3.
[…].
b. een geldschuld die niet is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser indien deze is vastgelegd in een notariële akte die is verleden in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021 of blijkt uit een rechterlijke uitspraak indien de daaraan voorafgaande ingebrekestelling of dagvaarding of het daaraan voorafgaande verzoekschrift dateert van voor 1 juni 2021, waarbij geldt dat de zaak bij de rechtbank binnen een redelijke termijn na de dagtekening van de ingebrekestelling aanhangig moet zijn gemaakt;
[…].
Artikel 9.1. Hardheidsclausule
1. De Dienst Toeslagen kan bij een besluit over toekenning van compensatie, een tegemoetkoming of vergoeding, kwijtschelding van bestuursrechtelijke schulden of betaling van bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke schulden afwijken van 2.1, 2.6, 2.7, 2.10, 2.11, 2.11a, 2.11b, 2.14, 2.14a, 2.16, 2.17, 3.1, 4.6, 4.7 of 6.1 voor zover toepassing van het desbetreffende artikel gelet op doel of strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor degene die aanspraak wil maken op de toekenning.
2. Voor zover toepassing gelet op het belang dat de bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard kan:
a. Onze Minister afwijken van artikel 2.15, 2.15a, 3.13, 4.1, 4.2 of 4.3;
[…].