ECLI:NL:RVS:2026:1931

ECLI:NL:RVS:2026:1931

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 08-04-2026
Datum publicatie 08-04-2026
Zaaknummer 202301565/4/R3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

Bij uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak van 9 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3076, heeft de Afdeling de raad van de gemeente Rotterdam opgedragen om binnen 26 weken na verzending van die uitspraak de daarin genoemde gebreken in het op 2 februari 2023 vastgestelde bestemmingsplan "Parkhaven", welk bestemmingsplan bij besluit van 15 februari 2024 op onderdelen is gewijzigd, te herstellen. Deze einduitspraak is een vervolg op de tussenuitspraak van 9 juli 2025 over de besluiten van de raad van 2 februari 2023 en 15 februari 2024 tot (gewijzigde) vaststelling van het bestemmingsplan "Parkhaven". Dit bestemmingsplan maakt de bouw van 650 woningen mogelijk in acht woontorens aan weerszijden van de Euromast in Rotterdam. Ook biedt het bestemmingsplan de mogelijkheid voor onder meer horeca, leisure, kantoren, bedrijven en maatschappelijke voorzieningen. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling verschillende gebreken geconstateerd die verband houden met de inrichting van het plangebied. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak overwogen dat die inrichting nog nader moet worden uitgewerkt en dat de instandhouding daarvan in de planregels moet worden geborgd.

Uitspraak

202301565/4/R3.

Datum uitspraak: 8 april 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. Stichting Groen Parkhaven, gevestigd in Rotterdam,

2. Stichting Rotterdam Natuurlijk, gevestigd in Rotterdam,

3. Shopping Centre Oriental Parkhaven B.V., gevestigd in Rotterdam,

4. Rotterdam Leisure Group B.V., gevestigd in Rotterdam,

5. Partyservice Nederland, gevestigd in Oude-Tonge, gemeente Goeree-Overflakkee, en anderen,

6. Bewoners Organisatie Scheepvaartkwartier, gevestigd in Rotterdam, en anderen,

7. [appellant sub 7], wonend in Rotterdam,

8. [appellant sub 8], wonend in Rotterdam,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Rotterdam,

verweerder.

Procesverloop

Bij uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak van 9 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3076, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 26 weken na verzending van die uitspraak de daarin genoemde gebreken in het op 2 februari 2023 vastgestelde bestemmingsplan "Parkhaven", welk bestemmingsplan bij besluit van 15 februari 2024 op onderdelen is gewijzigd, te herstellen.

Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft Stichting Rotterdam Natuurlijk nadere stukken ingediend.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad bij besluit van 4 december 2025 het bestemmingsplan "Parkhaven" wederom op onderdelen gewijzigd.

Appellanten zijn in de gelegenheid gesteld hun zienswijze naar voren te brengen over de wijze waarop de gebreken zijn hersteld. Stichting Groen Parkhaven, Stichting Rotterdam Natuurlijk, de bewonersorganisatie en anderen en [appellant sub 8] hebben van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de Afdeling bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

SAMENVATTING VAN DE EINDUITSPRAAK

1. Deze einduitspraak is een vervolg op de tussenuitspraak van 9 juli 2025 over de besluiten van de raad van 2 februari 2023 en 15 februari 2024 tot (gewijzigde) vaststelling van het bestemmingsplan "Parkhaven". Dit bestemmingsplan maakt de bouw van 650 woningen mogelijk in acht woontorens aan weerszijden van de Euromast in Rotterdam. Ook biedt het bestemmingsplan de mogelijkheid voor onder meer horeca, leisure, kantoren, bedrijven en maatschappelijke voorzieningen.

2. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling verschillende gebreken geconstateerd die verband houden met de inrichting van het plangebied. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak overwogen dat die inrichting nog nader moet worden uitgewerkt en dat de instandhouding daarvan in de planregels moet worden geborgd. De ingekomen zienswijzen geven voor de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad deze gebreken onvoldoende heeft hersteld. De Afdeling concludeert in deze einduitspraak dan ook dat de besluiten tot (gewijzigde) vaststelling van het bestemmingsplan "Parkhaven" in stand kunnen blijven. Dit betekent dat de gebiedsontwikkeling die dit bestemmingsplan op de gronden aan weerszijden van de Euromast mogelijk maakt, kan worden gerealiseerd.

VERDERE OPZET VAN DE EINDUITSPRAAK

3. In het vervolg van deze einduitspraak komen de volgende punten aan de orde:

- de gebreken zoals geconstateerd in de tussenuitspraak (overwegingen 4 - 5);

- het herstelbesluit van 4 december 2025 (overweging 6);

- de van rechtswege ontstane beroepen gericht tegen het herstelbesluit (overwegingen 7 - 15);

- eindconclusie en proceskosten (overwegingen 16 - 23).

DE GEBREKEN ZOALS GECONSTATEERD IN DE TUSSENUITSPRAAK

4. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling in de overwegingen 27.3 tot en met 27.6, 31.7 en 38.2 overwogen dat uit de planstukken blijkt dat een hoogwaardige groene inrichting van het plangebied een noodzakelijk onderdeel is van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het bestemmingsplan, onder meer met het oog op het behoud van de monumentale waarde van de Euromast. Gelet hierop heeft de Afdeling geoordeeld dat is vereist dat die groene inrichting is uitgewerkt in het bestemmingsplan en dat de realisatie en instandhouding daarvan in de planregels is geborgd. In de besluiten van de raad van 2 februari 2023 en 15 februari 2024 tot (gewijzigde) vaststelling van het bestemmingsplan is dit onvoldoende uitgewerkt en geborgd, zo heeft de Afdeling in de tussenuitspraak geoordeeld.

De Afdeling heeft in de tussenuitspraak onder 55.2, 61.3 en 63.1 ook ten aanzien van enkele andere aspecten geoordeeld dat die nader moeten worden uitgewerkt in het bestemmingsplan, bijvoorbeeld via een inrichtingsplan, en dat de realisatie en instandhouding daarvan in de planregels moet worden geborgd. Het gaat om de parkeerplaatsen van de touringcars, de nieuwe op- en afstapplaats voor Splash Tours en de gehandicaptenparkeerplaatsen (overweging 55.2), de bereikbaarheid van de noordelijke parkeergarage(s) (overweging 61.3) en tot slot de bereikbaarheid van de bestaande ondernemingen in de Parkhaven en hun mogelijkheden om te laden en lossen (overweging 63.1).

5. De Afdeling heeft de raad in de tussenuitspraak onder 89 opgedragen de hiervoor genoemde aspecten die verband houden met de inrichting van het plangebied nader uit te werken en de realisatie en instandhouding daarvan in de planregels te borgen.

HET HERSTELBESLUIT VAN 4 DECEMBER 2025

6. De raad heeft met het herstelbesluit van 4 december 2025 het bestemmingsplan "Parkhaven" op onderdelen gewijzigd vastgesteld. De raad heeft ervoor gekozen om als bijlage 4 bij de planregels een "Inrichtingsplan op hoofdlijnen" (IPoH) te voegen. In het IPoH heeft de raad de inrichting van het plangebied nader uitgewerkt. Deze uitwerking is gedaan op hoofdlijnen. De nadere uitwerking op detailniveau, waaronder bijvoorbeeld het type beplanting en de exacte locaties en aantallen van bijvoorbeeld de bomen en groenpartijen, de parkeerplaatsen, de ontsluitingswegen en de voet- en fietspaden bevat een dusdanig hoog detailniveau dat deze uitwerking volgens de raad niet haalbaar was binnen de geboden hersteltermijn in de tussenuitspraak. De nadere detailuitwerking vindt volgens de raad plaats door middel van een participatieproces met de omgeving, welk proces naar verwachting nog tot eind 2028 in beslag zal nemen. Met het IPoH is volgens de raad voldoende verzekerd dat de in de tussenuitspraak genoemde aspecten, zoals de hoogwaardige groene inrichting van het plangebied, gerealiseerd zullen worden. Deze realisatie- en ook instandhoudingsverplichting zijn volgens de raad met het herstelbesluit van 4 december 2025 ook voldoende in de planregels geborgd. Daartoe zijn met dit herstelbesluit verschillende wijzigingen in de planregels doorgevoerd, waaronder bij de bestemming "Wonen". Zo is aan de planregels voor de bestemming "Wonen" een artikel 7.5 "Voorwaardelijke verplichtingen" toegevoegd. De planregels van dit artikel luiden als volgt:

"7.5 Voorwaardelijke verplichtingen

7.5.1 Groene inrichting gebouwen

a. Een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ ten behoeve van de in artikel 7.1 genoemde functies wordt slechts verleend, indien bij de aanvraag omgevingsvergunning een groenplan is gevoegd, waaruit blijkt dat wordt voorzien in de maatregelen genoemd in het Inrichtingsplan op Hoofdlijnen, opgenomen in bijlage 4 van deze regels;

b. Het gebruik van de woningen is slechts toegestaan, indien de maatregelen zoals genoemd onder a zijn gerealiseerd uiterlijk binnen één jaar na de gereedmelding van het betreffende gebouw;

c. De in artikel 7.5.1 onder a genoemde maatregelen dienen in stand te worden gehouden.

7.5.2 Inrichtingsplan

a. Het gebruik van gronden en gebouwen binnen de bestemming "Wonen" is slechts toegestaan indien voor het plangebied een concreet inrichtingsplan wordt opgesteld als uitwerking op het Inrichtingsplan op hoofdlijnen, opgenomen in bijlage 4 van deze regels, waarbij geldt dat:

1. De gronden met de aanduiding ‘specifieke vorm van groen - 1’ worden ingericht in overeenstemming met (het daarvoor geldende deel van) het concrete inrichtingsplan, telkens uiterlijk één jaar nadat een ten noorden daarvan gelegen woongebouw is gereed gemeld;

2. De gronden binnen de ‘specifieke vorm van groen - 2’ worden ingericht in overeenstemming met (het daarvoor geldende deel van) het concrete inrichtingsplan: - uiterlijk één jaar na de gereedmelding van het eerste woongebouw binnen de bestemming "Wonen" wordt gestart met de uitvoering;

- de inrichting gereed is uiterlijk zes jaar na de gereedmelding van het eerste woongebouw binnen de bestemming "Wonen", en;

3. de inrichting in stand wordt gehouden.

b. In aanvulling op het bepaalde in artikel 7.5.2 onder ‘a’ van deze planregels, is het gebruik van de gronden binnen de bestemming "Wonen" bovendien slechts toegestaan, indien binnen zes jaar na gereedmelding van het eerste (woon)gebouw binnen de bestemming "Wonen":

1. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van verkeer - zoekgebied gehandicaptenparkeerplaatsen' ten minste 3 gehandicaptenparkeerplaatsen zijn gerealiseerd;

2. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van verkeer - 1’ 4 parkeerplaatsen voor touringcars zijn gerealiseerd;

3. Ter plaatse van de aanduidingen ‘specifieke vorm van verkeer - zoekgebied verbindingsweg’ een ontsluitingsweg met de gronden binnen de aanduiding ‘specifieke vorm van verkeer - kade’ wordt gerealiseerd, welke ontsluitingsweg een breedte van 3,5 meter heeft.

4. de inrichting in stand wordt gehouden.

7.5.3 Aanduiding ‘specifieke vorm van verkeer - parkeergarage 1’

De (ondergrondse) parkeergarage ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van verkeer - parkeergarage 1’ mag slechts in gebruik worden genomen, indien voldoende verkeersmaatregelen zijn getroffen om blokkade van de in- en uitgang van de garage te voorkomen. Aan deze voorwaardelijke verplichting is in ieder geval voldaan indien ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van verkeer - zoekgebied verkeersmaatregelen’:

1. een kruismarkering "niet parkeren" op het kruisingsvlak tussen de in- en uitgang van de garage en de weg Parkhaven wordt aangebracht, en/of;

2. het kruispunt tussen de in- en uitgang van de garage en de weg Parkhaven door middel van een verkeerslicht - gekoppeld aan de regeling op het Droogleever Fortuynplein - wordt geregeld, en/of;

3. een gelijkwaardige (verkeerskundige) maatregel getroffen wordt, gericht op het voorkomen van blokkade van de ingang van de parkeergarage;

4. de maatregelen in stand worden gehouden.

DE VAN RECHTSWEGE ONTSTANE BEROEPEN GERICHT TEGEN HET HERSTELBESLUIT

7. De Afdeling stelt vast dat op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb tegen het herstelbesluit van 4 december 2025 van rechtswege beroepen zijn ontstaan van alle op het voorblad van deze uitspraak vermelde appellanten.

Geen zienswijzen

8. De appellanten Shopping Centre Oriental Parkhaven B.V., Rotterdam Leisure Group B.V., Partyservice Nederland en anderen en [appellant sub 7] hebben naar aanleiding van het besluit van 4 december 2025 geen zienswijze ingediend en dus niet te kennen gegeven dat zij zich niet met het besluit van 4 december 2025 kunnen verenigen. Dit betekent dat zij geen beroepsgronden tegen dit besluit hebben aangevoerd. De voor deze appellanten van rechtswege ontstane beroepen zijn ongegrond.

De ontvangen zienswijzen

9. De appellanten Stichting Groen Parkhaven, Stichting Rotterdam Natuurlijk, de bewonersorganisatie en anderen en [appellant sub 8] hebben wel een zienswijze over het herstelbesluit naar voren gebracht. De Afdeling beoordeelt hierna mede aan de hand van de ingekomen zienswijzen of de raad met het herstelbesluit van 4 december 2025 heeft voldaan aan de in de tussenuitspraak gegeven opdracht. De Afdeling gaat hierbij uit van het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024. De Afdeling verwijst voor een nadere toelichting in dit verband naar overweging 4 van de tussenuitspraak over het overgangsrecht in verband met de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

De groene inrichting van het plangebied

10. Stichting Groen Parkhaven, Stichting Rotterdam Natuurlijk, de bewonersorganisatie en anderen en [appellant sub 8] betogen dat de raad ten onrechte heeft volstaan met een IPoH. Het IPoH biedt volgens hen slechts beperkt inzicht in de groene inrichting van het plangebied. Zij betogen dat een volledig uitgewerkt inrichtingsplan had moeten worden opgesteld om te kunnen waarborgen dat sprake zal zijn van een hoogwaardige groene inrichting van het plangebied. [appellant sub 8] betoogt in dit verband dat uit het IPoH blijkt dat de zogenoemde "greens", zijnde de ruimtes tussen de woontorens, slechts voor 40% groen hoeven te worden ingericht. Voor de andere openbare ruimtes in het plangebied zijn volgens [appellant sub 8] in het IPoH slechts vage beschrijvingen opgenomen over bomen, heesters en vaste planten, waarbij onduidelijk is of sprake is van een toename van groen/biomassa in vergelijking met de huidige situatie. [appellant sub 8] wijst in dit verband ook op de planregels voor de bestemming "Groen". Deze planregels staan binnen de bestemming ook andere gebruiksmogelijkheden toe, waardoor volgens [appellant sub 8] niet is uitgesloten dat in de praktijk binnen de bestemming "Groen" in het geheel geen beplanting wordt gerealiseerd. Volgens Stichting Rotterdam Natuurlijk zijn er met het ontbreken van een volledig uitgewerkt inrichtingsplan geen waarborgen dat de groene ruimtelijke kwaliteit in het plangebied volledig zal worden hersteld en daarmee niet achteruit zal gaan. Zonder deze waarborgen is het bestemmingsplan volgens Stichting Rotterdam Natuurlijk vastgesteld in strijd met de provinciale Omgevingsverordening, het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden als ook in strijd met de Europese verordening inzake natuurherstel.

Stichting Rotterdam Natuurlijk en de bewonersorganisatie en anderen plaatsen in dit verband ook vraagtekens bij de termijnen die in de planregels voor de realisatie van de groene inrichting worden geboden. Deze termijnen hebben volgens Stichting Rotterdam Natuurlijk tot gevolg dat de gebouwen in het plangebied kunnen worden gerealiseerd, waarna pas jaren later wordt beoordeeld of de groene ruimtelijke kwaliteit is hersteld en verbeterd. De schade aan de natuur is dan echter al aangericht. Volgens de bewonersorganisatie en anderen moet het mogelijk zijn om elk gebouw gelijktijdig met de vereiste groene omgeving op te leveren. [appellant sub 8] betoogt in dit verband ook dat onduidelijk is wie het uitgewerkte inrichtingsplan zal opstellen, wie dat plan beoordeelt en hoe dit plan vervolgens wordt gerealiseerd en in stand gehouden. Ook plaatst zij twijfels bij de handhaving hiervan.

- Inhoud van het IPoH in relatie tot de planregels

10.1. Om deze betogen te kunnen beoordelen gaat de Afdeling eerst in op de inhoud van het IPoH in samenhang met artikel 7.5 van de planregels, welk artikel hiervoor onder 6 is weergegeven.

10.2. In het IPoH is voor de groene inrichting onderscheid gemaakt in verschillende delen van het plangebied: a) de groene inrichting van de gebouwen, b) de groene inrichting van de zogenoemde "greens", zijnde de groene tussenruimten tussen de gebouwen en tot slot c) de groene inrichting van de overige openbare ruimtes in het plangebied. Deze laatste categorie is in het IPoH onderverdeeld in de groene inrichting van de kade, de groene inrichting van de ruimte rondom de Euromast en de groene inrichting van de gronden langs de Maastunneltraverse.

10.3. Over de groene inrichting van de gebouwen staat in het IPoH dat de topdaken, zijnde het hoogste dakvlak van een gebouw, maximaal groen moeten worden ingericht door middel van een bruin dak of een vegetatiedak. Ook de zijtuinen, zijnde de delen van de lager gelegen daken, dienen volgens het IPoH volledig groen te worden ingericht door middel van een vegetatiedak. Verder staat in het IPoH onder meer dat tegen de gevel van de gebouwen klimplanten moeten worden aangeplant, die een uit te groeien totaalomvang van minimaal 1.500 m2 kunnen bereiken, bestaande uit een gevarieerde soortkeuze en die op verschillende plekken worden geplant, zoals naast de entrees, op de hoeken van de gebouwen en bij verspringingen in de gevels van de gebouwen.

Dit deel van het IPoH is onderdeel van artikel 7.5.1 van de planregels van het herstelbesluit van 4 december 2025. Aan de delen van het plangebied waar de nieuwe gebouwen zijn voorzien, is de bestemming "Wonen" toegekend. In artikel 7.5.1 van de planregels is voorgeschreven dat een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen ten behoeve van de in artikel 7.1 van de planregels binnen de bestemming "Wonen" toegestane functies slechts wordt verleend, indien bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning een groenplan is gevoegd. Daaruit moet blijken dat wordt voorzien in de maatregelen genoemd in het IPoH die betrekking hebben op de groene inrichting van de gebouwen. Ook is voorgeschreven dat die maatregelen binnen één jaar na de gereedmelding van het betreffende gebouw moeten zijn gerealiseerd, onder de voorwaarde dat anders gebruik van de woningen in dit nieuwe gebouw niet is toegestaan. Verder is voorgeschreven dat deze groene inrichting in stand dient te worden gehouden.

10.4. Over de groene inrichting van de zogenoemde "greens" staat in het IPoH onder meer dat de greens moeten worden ingericht met gemiddeld 40% groen, verdeeld over de verschillende greens, met een minimum van 35% groen per green, bestaande uit een diverse groenkeuze, zoals laag groen, opgaande heesters, meerstammigen en kleinere bomen. De groenkeuze is divers en draagt bij aan het vergroten van de biodiversiteit, zo staat in het IPoH. Er dient volgens het IPoH sprake te zijn van een opbouwende overgang van het maaiveld tot de boomkronen van Het Park, waarbij speels wordt omgegaan met borders, heesters, bloemrijke kruiden en bomen.

Dit deel van het IPoH is zowel vertaald op de verbeelding als in de planregels van het herstelbesluit van 4 december 2025. Dit is gedaan door op de verbeelding aan de greens, dus de tussenruimten tussen de gebouwen, de aanduiding "specifieke vorm van groen - 1" toe te kennen. In artikel 7.5.2 van de planregels is voorgeschreven dat het gebruik van gronden en gebouwen binnen de bestemming "Wonen" slechts is toegestaan onder de voorwaarde dat de gronden met de aanduiding "specifieke vorm van groen - 1" telkens uiterlijk één jaar nadat een ten noorden daarvan gelegen woongebouw gereed is gemeld, worden ingericht in overeenstemming met een concreet inrichtingsplan dat dient als uitwerking van het IPoH. Ook is voorgeschreven dat die groene inrichting in stand moet worden gehouden.

10.5. Over de groene inrichting van de overige openbare ruimte in het plangebied staat in het IPoH het volgende.

In de zone die op figuur 1 van het IPoH is aangeduid als "1. Groene en levendige kade", dit is de kadezone langs het water, dient de bestaande verharde zone van 15 m volgens het IPoH te worden teruggebracht naar een verharding van niet breder dan 6,5 m. Buiten de verharding wordt de kade ingericht als groen stedelijk verblijfsgebied, door dit vorm te geven met bomen, heesters en vaste planten, waarvan de basis wordt gevormd door een sterke boomstructuur met groene onderbeplanting in een strook van ongeveer 10 m. Bij voorkeur geschiedt dit met 1e orde bomen, waarbij de reeds geplante en bestaande iepen en linden worden hergebruikt en worden aangevuld met andere diverse soorten van bomen ten gunste van de biodiversiteit en die minder gevoelig zijn voor ziektes, zo staat in het IPoH. Ook staat in het IPoH dat langs de rijweg aan beide zijden groenstroken worden voorzien van bij voorkeur 2,5 m, die worden beplant met kleinere bomen of meerstammigen.

De inrichting van de zone die op figuur 1 van het IPoH is aangeduid als "2. Landschappelijke ruimte rondom de Euromast" moet volgens het IPoH leiden tot een riante en groene ontvangstruimte voor de Euromast, uitgevoerd als ligweide met 1e orde bomen in combinatie met diverse (onder)beplanting onder meer om de biodiversiteit te vergroten.

Bij de inrichting van de zone die op figuur 1 van het IPoH is aangeduid als "3. Gronden langs de Maastunneltraverse" dient volgens het IPoH toepassing te worden gegeven aan grassen, onderbeplanting en verspreid staande bomen, waardoor de gronden een parkachtig karakter krijgen. De onderbeplanting varieert in hoogte tussen de 1 en 1,5 m, zo staat in het IPoH.

Overkoepelend gelden volgens het IPoH voor alle drie de zones de volgende uitgangspunten bij groentransformatie:

- er wordt zorggedragen voor een opbouwende overgang van het maaiveld tot de boomkronen van Het Park;

- de bestaande bomen worden zoveel mogelijk behouden. Indien dit niet mogelijk is, worden voorzieningen getroffen om de bomen te verplanten, mits dit plaatsvindt op een manier dat de boom een grote toekomstwaarde behoudt;

- de bestaande iepen en linden die zijn geplant in de Parkhaven worden voor zover mogelijk hergebruikt en opnieuw toegepast;

- bij de kade worden voornamelijk (grote) 1e orde bomen aangeplant die bestand zijn tegen harde wind en de barre omstandigheden van de Maas en die een robuust groen beeld creëren;

- de groene kade, op de kaart aangeduid als "1. Groene en levendige kade", heeft een meer stedelijk karakter met bomen in een georganiseerde structuur, in vergelijking met de parkzijde, aangeduid als "3. Gronden langs de Maastunneltraverse", die een losse boomstructuur heeft die beter aansluit bij Het Park;

- de reeds aanwezige, zuilvormige bomen worden verplant waarbij zij zoveel als mogelijk in groepen per soort bij elkaar worden gezet;

- langs de tunneltraverse worden bomen geplant die de eigenschap hebben het hele jaar fijnstof te kunnen vangen, zoals de zwarte den en de Pinus Nigra.

De groene inrichting van de hiervoor besproken drie deelgebieden van de openbare ruimte is vertaald in artikel 7.5.2 van de planregels van het herstelbesluit van 4 december 2025 en is ook opgenomen op de verbeelding. Op de verbeelding is aan de drie deelgebieden van de openbare ruimte de aanduiding "specifieke vorm van groen - 2" toegekend. In artikel 7.5.2 van de planregels is voorgeschreven dat het gebruik van gronden en gebouwen binnen de bestemming "Wonen" slechts is toegestaan onder de voorwaarde dat de gronden met de aanduiding "specifieke vorm van groen - 2" worden ingericht in overeenstemming met een concreet inrichtingsplan dat dient als uitwerking van het IPoH. Ook is voorgeschreven dat die groene inrichting in stand moet worden gehouden. Als termijn voor de realisatie van de groene inrichting van de gronden met de aanduiding "specifiek vorm van groen - 2" is in artikel 7.5.2, onder 2, van de planregels opgenomen dat uiterlijk één jaar na de gereedmelding van het eerste woongebouw binnen de bestemming "Wonen" wordt gestart met de uitvoering van de groene inrichting en dat de inrichting gereed is uiterlijk zes jaar na de gereedmelding van het eerste woongebouw binnen de bestemming "Wonen".

10.6. De Afdeling stelt vast dat de beroepsgronden in de zienswijzen die naar aanleiding van het herstelbesluit naar voren zijn gebracht, niet specifiek zien op de wijze waarop artikel 7.5.2 van de planregels is geformuleerd.

De beroepsgronden zien met name op de vraag of kon worden volstaan met een IPoH, of dat een volledig uitgewerkt inrichtingsplan had moeten worden opgesteld. De Afdeling is van oordeel dat de raad heeft mogen volstaan met een IPoH. Zo volgt de Afdeling appellanten niet in hun betoog dat het IPoH te beperkt inzicht zou bieden in de groene inrichting van het plangebied. De tekst van het IPoH in combinatie met de daarin opgenomen afbeeldingen bieden dit inzicht naar het oordeel van de Afdeling voldoende. Zo is in het IPoH voldoende duidelijk omschreven hoe de verschillende openbare ruimtes in het plangebied moeten worden ingericht, zoals de ruimte rondom de Euromast die dient te worden ingericht als ligweide met 1e orde bomen in combinatie met diverse (onder)beplanting, de kade waar de verharding dient te worden teruggebracht van 15 m naar 6,5 m en waar sprake dient te zijn van een groen stedelijk verblijfsgebied bestaande uit een sterke boomstructuur met 1e orde bomen en groene onderbeplanting en tot slot de gronden langs de Maastunneltraverse waar de inrichting in de overgang naar Het Park een parkachtig karakter dient te krijgen bestaande uit verspreid staande bomen, grassen en onderbeplanting. De Afdeling verwijst ook naar wat hiervoor onder 10.3 tot en met 10.5 over de inhoud van het IPoH is vermeld. Het IPoH biedt in combinatie met het bepaalde in artikel 7.5.2 van de planregels, anders dan appellanten betogen, naar het oordeel van de Afdeling voldoende waarborgen dat de gronden in het plangebied hoogwaardig groen worden ingericht en dat de groene ruimtelijke kwaliteit in het plangebied niet achteruit zal gaan. Om die reden volgt de Afdeling Stichting Rotterdam Natuurlijk ook niet in de algemene, niet nader geconcretiseerde betogen, dat zich vanwege achteruitgang van de groene ruimtelijke kwaliteit in het plangebied strijd zou voordoen met de provinciale Omgevingsverordening, het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden of met de Europese verordening inzake natuurherstel. De betogen van Stichting Rotterdam Natuurlijk zijn op dit punt te algemeen en niet nader onderbouwd, waardoor de Afdeling daar ook niet nader op ingaat.

[appellant sub 8] wijst in dit verband ook specifiek op de "greens", zijnde de ruimtes tussen de woongebouwen. Het is weliswaar juist dat in het IPoH staat dat de greens moeten zijn ingericht met gemiddeld 40% groen, met een minimum van 35% groen per green, maar de Afdeling ziet - anders dan [appellant sub 8] - geen aanleiding voor het oordeel dat dit percentage groene invulling van de greens te laag is. Niet aannemelijk is dat dit percentage substantieel hoger had kunnen zijn, gezien ook de ontsluitingsmogelijkheden die in de greens moeten worden gerealiseerd om de toegang te kunnen verschaffen tot de woningen, de publieke plinten en de parkeergarages.

10.7. Dat volgens [appellant sub 8] binnen de bestemming "Groen" ook andere gebruiksvormen zijn toegestaan, betekent - anders dan [appellant sub 8] betoogt - niet dat het plangebied in het geheel zonder beplanting zou kunnen worden ingericht. Die mogelijkheid is er niet gelet op het bepaalde in artikel 7.5 van de planregels. Om de gronden en gebouwen binnen de bestemming "Wonen" te mogen gebruiken, zal de groene inrichting van het openbare gebied moeten worden gerealiseerd en in stand worden gehouden op de wijze als in het IPoH is omschreven. Dit is voorgeschreven in artikel 7.5.2 van de planregels.

10.8. Wat betreft de realisatietermijnen die in artikel 7.5.2 van de planregels zijn opgenomen, zien de betogen van appellanten met name op de termijn van zes jaar na de gereedmelding van het eerste woongebouw, binnen welke termijn de groene inrichting van de openbare ruimte in het plangebied gereed dient te zijn. Anders dan appellanten betogen, acht de Afdeling deze termijn van zes jaar niet onevenredig lang. Zoals in de onderliggende raadsstukken bij het herstelbesluit is vermeld, is het gebruikelijk bij gebiedsontwikkelingen dat de openbare ruimte pas wordt ingericht als de bebouwing is opgeleverd. Zolang de bouwwerkzaamheden nog gaande zijn, is de openbare ruimte immers nog in gebruik voor de bouwwerkzaamheden, zoals de opslag van bouwmaterialen en het manoeuvreren van het bouwverkeer. Volgens de raadsstukken is de totale inrichting van het openbare gebied naar verwachting maximaal twee jaar na de oplevering van het laatste woongebouw gereed. Uitgaande van een bouwperiode van drie jaar, zou dit betekenen dat de inrichting van de openbare ruimte naar verwachting ongeveer vijf jaar in beslag zal nemen, zo staat in de raadsstukken. In de planregels is een marge aangehouden van één jaar voor onvoorziene omstandigheden en is daarom voorgeschreven dat de groene inrichting van de openbare ruimte uiterlijk zes jaar na de gereedmelding van het eerste woongebouw binnen de bestemming "Wonen" moet zijn afgerond. Het pas toestaan van bewoning wanneer de groene inrichting volledig is afgerond, zou volgens de raadsstukken betekenen dat de woongebouwen ongeveer twee tot vijf jaar leegstaan, voordat ze in gebruik genomen zouden mogen worden. Dit is volgens de raad om financiële, maatschappelijke en praktische redenen onwenselijk. De Afdeling volgt de raad in deze toelichting en acht het mede gelet op de omvang van de bouwwerkzaamheden en de daarvoor benodigde bouwruimte niet reëel om te vereisen dat nog tijdens de bouwwerkzaamheden de groene inrichting van het openbare gebied moet zijn afgerond, zoals appellanten wensen.

10.9. Tot slot volgt de Afdeling [appellant sub 8] niet in haar betoog dat in de planregels had moeten worden voorgeschreven wie het uitgewerkte IPoH opstelt en realiseert. Dat is afhankelijk van de eigendomsverhoudingen in het plangebied. In artikel 7.5.2 van de planregels is voorgeschreven dat het gebruik van gronden en gebouwen binnen de bestemming "Wonen" slechts is toegestaan indien een concreet inrichtingsplan is opgesteld als uitwerking van het IPoH en dit inrichtingsplan ook is gerealiseerd binnen de in de planregels genoemde termijn en vervolgens ook in stand wordt gehouden. Indien [appellant sub 8] als omwonende van mening zou zijn dat bij de groene inrichting van het plangebied de uitgangspunten uit het IPoH niet in acht zijn genomen, dan wel de groene inrichting te laat is gerealiseerd of niet in stand wordt gehouden, dan kan zij een verzoek om handhaving indienen bij het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wegens strijd met artikel 7.5.2 van de planregels. Een dergelijk handhavingsverzoek ligt hier niet voor, zodat bezwaren die daarop zien niet in deze procedure aan de orde kunnen komen.

10.10. De betogen slagen niet.

Bereikbaarheid noordelijke parkeergarage

11. Zoals hiervoor onder 6 is weergegeven, is in artikel 7.5.3 van de planregels ook een voorwaardelijke verplichting opgenomen die ziet op de bereikbaarheid van de noordelijke parkeergarage. Dit vloeit voort uit de overwegingen 61.2 en 61.3 van de tussenuitspraak. In die overwegingen staat dat in het verkeersonderzoek dat aan het bestemmingsplan ten grondslag is gelegd, is onderkend dat zich in de huidige situatie rond het plangebied al problemen voordoen wat betreft de verkeersafwikkeling, met name rond het Droogleever Fortuynplein. Onder 61.3 van de tussenuitspraak is vermeld dat in zowel het verkeersonderzoek als het STAB-advies dat in deze zaak is uitgebracht, de opmerking is geplaatst dat bij stagnatie op het Droogleever Fortuynplein de bereikbaarheid van de noordelijke parkeergarage in het plangebied in het gedrang kan komen. Op de weg Parkhaven kan voor het Droogleever Fortuynplein namelijk een wachtrij ontstaan die de in- en uitgang van de parkeergarage kan blokkeren, met als gevolg dat het verkeer dat vanaf het Droogleever Fortuynplein over de weg Parkhaven naar de parkeergarage wil rijden ook een wachtrij vormt die door terugslag tot op het Droogleever Fortuynplein kan reiken, zo staat in de tussenuitspraak. In de tussenuitspraak staat dat in het STAB-advies is bevestigd dat de in het verkeersonderzoek genoemde oplossing in de vorm van een wit kruis op het wegdek voor de parkeergarage of een doseerlicht dit probleem kan voorkomen. Op de zitting heeft de raad bevestigd dat de bereikbaarheid van de noordelijke parkeergarage bij nader inzien in het bestemmingsplan zal moeten worden geregeld en geborgd, zo staat in de tussenuitspraak. De Afdeling heeft de raad in de tussenuitspraak in de gelegenheid gesteld dit alsnog te herstellen.

Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft de raad artikel 7.5.3 in de planregels opgenomen. In dit artikel staat dat de (ondergrondse) parkeergarage ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - parkeergarage 1", dit is de noordelijke parkeergarage in het plangebied, slechts in gebruik mag worden genomen, indien voldoende verkeersmaatregelen zijn getroffen om blokkade van de in- en uitgang van de garage te voorkomen. Aan deze voorwaardelijke verplichting is volgens artikel 7.5.3 van de planregels in ieder geval voldaan indien ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - zoekgebied verkeersmaatregelen":

- een kruismarkering "niet parkeren" op het kruisingsvlak tussen de in- en uitgang van de garage en de weg Parkhaven wordt aangebracht, en/of;

- het kruispunt tussen de in- en uitgang van de garage en de weg Parkhaven door middel van een verkeerslicht - gekoppeld aan de regeling op het Droogleever Fortuynplein - wordt geregeld, en/of;

- een gelijkwaardige (verkeerskundige) maatregel getroffen wordt, gericht op het voorkomen van blokkade van de ingang van de parkeergarage;

- de maatregelen in stand worden gehouden.

12. [appellant sub 8] betoogt in haar zienswijze naar aanleiding van het herstelbesluit dat de in artikel 7.5.3 van de planregels genoemde maatregelen in de vorm van het aanbrengen van een kruis of een verkeerslicht, dan wel andere gelijkwaardige (verkeerskundige) maatregelen, de verkeersblokkades onvoldoende zullen voorkomen, zolang het verkeer op het Droogleever Fortuynplein in de spits blijft vaststaan. De blokkade van het Droogleever Fortuynplein zal hoe dan ook doorwerken op de weg langs de parkeergarage en zal de mogelijkheid voor het verkeer beperken om de parkeergarage te verlaten en in te rijden, zo betoogt [appellant sub 8] in haar zienswijze. Volgens [appellant sub 8] is alleen wanneer bewezen geen blokkades van de in- en uitgang van de parkeergarage kunnen optreden, voldaan aan de voorwaarde in artikel 7.5.3 van de planregels dat voldoende verkeersmaatregelen zijn getroffen en daarmee dat de parkeergarage in gebruik mag worden genomen.

12.1. Artikel 7.5.3 van de planregels staat een gebruik van de (ondergrondse) parkeergarage ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - parkeergarage 1" slechts toe, indien voldoende verkeersmaatregelen zijn getroffen om blokkade van de in- en uitgang van de garage te voorkomen. In artikel 7.5.3 is bepaald dat daaraan in ieder geval is voldaan wanneer een kruismarkering "niet parkeren" op het kruisingsvlak tussen de in- en uitgang van de garage en de weg Parkhaven wordt aangebracht en/of het kruispunt tussen de in- en uitgang van de garage en de weg Parkhaven door middel van een verkeerslicht - gekoppeld aan de regeling op het Droogleever Fortuynplein - wordt geregeld. Het betoog van [appellant sub 8] in haar zienswijze komt erop neer dat zij alsnog de effectiviteit van deze verkeersmaatregelen bestrijdt, namelijk door te betogen dat deze maatregelen niet voldoende zijn om blokkades van de in- en uitgang van de parkeergarage te voorkomen. Zij keert zich daarmee tegen overwegingen van de tussenuitspraak. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling namelijk onder 61.3 al vastgesteld dat in het STAB-advies is bevestigd dat de in het verkeersonderzoek genoemde oplossing in de vorm van een wit kruis op het wegdek voor de parkeergarage of een doseerlicht het probleem van de onbereikbaarheid van de noordelijke parkeergarage kunnen voorkomen. De effectiviteit van deze maatregelen was in de tussenuitspraak daarmee geen punt van discussie. Het gebrek dat op dit punt in de tussenuitspraak is geconstateerd zag alleen nog op de borging van deze maatregelen in de planregels. Door in haar zienswijze alsnog de effectiviteit van het witte kruis of het doseerlicht ter discussie te stellen, keert [appellant sub 8] zich dus tegen overwegingen van de tussenuitspraak. De Afdeling kan, behalve in uitzonderlijke gevallen, niet terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Dit vanwege de rechtszekerheid van de bij het geschil betrokken partijen, maar ook vanwege het gezag van de tussenuitspraak en het belang van efficiënte en finale geschilbeslechting. Een uitzonderlijk geval is hier niet aan de orde, zodat de Afdeling uitgaat van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel, namelijk dat de in het verkeersonderzoek en het STAB-advies genoemde maatregelen in de vorm van een wit kruis op het wegdek voor de parkeergarage of een doseerlicht het probleem van de onbereikbaarheid van de noordelijke parkeergarage kunnen voorkomen. De realisatie en instandhouding van deze maatregelen is geborgd in artikel 7.5.3 van de planregels. De Afdeling ziet daarmee in wat [appellant sub 8] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek op dit punt niet zou zijn hersteld. Het betoog van [appellant sub 8] hierover slaagt niet.

Overige betogen

13. [appellant sub 8] heeft in haar zienswijze tot slot opnieuw gewezen op de verschillende monumentale waarden van de Euromast en op de volgens haar ontstane aantasting van deze waarden wanneer de woontorens in het plangebied worden gerealiseerd. Dit zijn aspecten die zijn meegewogen in de tussenuitspraak. Zoals hiervoor onder 12.1 is overwogen, kan de Afdeling, behalve in uitzonderlijke gevallen, niet terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Een uitzonderlijk geval is hier niet aan de orde, zodat de Afdeling uitgaat van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel over de effecten van het plan op de monumentale waarden van de Euromast. De Afdeling verwijst hiervoor terug naar de overwegingen 31 en verder van de tussenuitspraak.

14. Ook Stichting Rotterdam Natuurlijk heeft zich zowel in nadere stukken voorafgaand aan het herstelbesluit als ook in haar zienswijze naar aanleiding van het herstelbesluit gekeerd tegen overwegingen van de tussenuitspraak. Het gaat dan in het bijzonder om de overwegingen 66.1 en 78.1 van de tussenuitspraak, waarin de Afdeling heeft overwogen dat Stichting Rotterdam Natuurlijk blijkens haar statuten opkomt voor het behouden alsmede het bevorderen van ruimte voor water en natuur in Rotterdam en daarmee niet opkomt voor het woon -en leefklimaat van de toekomstige bewoners van de voorziene woningen. Stichting Rotterdam Natuurlijk betoogt dat de Afdeling hiermee heeft miskend dat de mens onderdeel is van de natuur en dat zij gelet daarop ook kan opkomen voor de belangen van de toekomstige bewoners van de voorziene woningen. Stichting Rotterdam Natuurlijk verzoekt de Afdeling om die reden om alsnog haar betogen over de geluidhinder voor de bewoners van de nieuwe woningen en de betogen over de gevolgen van buitendijks bouwen inhoudelijk te beoordelen. Zij heeft over deze aspecten ook verschillende nadere stukken ingediend.

14.1. Zoals hiervoor onder 12.1 en 13 is overwogen, kan de Afdeling, behalve in uitzonderlijke gevallen, niet terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Een uitzonderlijk geval kan aan de orde zijn wanneer de tussenuitspraak een evidente feitelijke of juridische misslag bevat of het oordeel in de tussenuitspraak berust op een onjuiste feitelijke grondslag. Het hiervoor onder 14 weergegeven betoog van Stichting Rotterdam Natuurlijk komt erop neer dat zij van mening is dat de tussenuitspraak een juridische misslag bevat, namelijk door in de tussenuitspraak ten onrechte aan haar het zogenoemde relativiteitsvereiste tegen te werpen wat betreft betogen die betrekking hebben op het woon- en leefklimaat van de toekomstige bewoners van de voorziene woningen. Dit standpunt deelt de Afdeling echter niet. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak het statutaire doel van Stichting Rotterdam Natuurlijk correct vastgesteld. Zo staat in de statuten dat de stichting tot doel heeft het behouden alsmede het bevorderen van ruimte voor water en natuur in Rotterdam. De Afdeling volgt de stichting niet in haar betoog dat onder natuur ook de belangen van de toekomstige bewoners moeten worden begrepen. Van een evidente juridische misslag is dan ook geen sprake.

14.2. Daarnaast wijst de Afdeling erop dat zij in de tussenuitspraak wel inhoudelijk is ingegaan op de betogen van Stichting Rotterdam Natuurlijk over buitendijks bouwen en klimaatverandering, voor zover die betogen verband houden met het statutaire doel van de stichting. Dit is onder 78.1 van de tussenuitspraak toegelicht. De inhoudelijke beoordeling van die betogen is opgenomen in de overwegingen 78.2 en verder van de tussenuitspraak. Gelet op de rechtszekerheid van de bij het geschil betrokken partijen en de efficiënte en finale geschilbeslechting past het in beginsel niet dat beroepsgronden die in de tussenuitspraak zijn verworpen nadien opnieuw worden beoordeeld. Daarmee zou het gezag van de tussenuitspraak op dit punt worden miskend en het doel van de bestuurlijke lus worden ondermijnd. De Afdeling gaat daarom in deze einduitspraak ook niet nader in op wat Stichting Rotterdam Natuurlijk na de tussenuitspraak over buitendijks bouwen naar voren heeft gebracht en of dat tot een ander oordeel zou moeten leiden dan wat in de tussenuitspraak onder 78.2 en verder is overwogen. Er doet zich namelijk geen uitzonderlijk geval voor dat aanleiding zou moeten geven terug te komen van wat onder 78.2 en verder van de tussenuitspraak is overwogen.

15. Stichting Rotterdam Natuurlijk heeft bij haar zienswijze naar aanleiding van het herstelbesluit tot slot haar bezwaarschrift gevoegd dat zij heeft ingediend naar aanleiding van een verleende omgevingsvergunning voor het kappen van bomen langs de Parkhaven in Rotterdam. Dat besluit ligt hier niet ter toetsing voor. De betogen over dit besluit laat de Afdeling daarom verder buiten bespreking.

EINDCONCLUSIE EN PROCESKOSTEN

Het besluit van 2 februari 2023

16. Gelet op wat in de tussenuitspraak is overwogen, zijn de beroepen van alle op het voorblad vermelde appellanten tegen het besluit van de raad van 2 februari 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Parkhaven", gegrond. Dit besluit dient gelet op wat in de tussenuitspraak onder 27.3 is overwogen te worden vernietigd wegens strijd met artikel 6.9, vijfde lid, onder b, gelezen in samenhang met artikel 6.9, zevende lid, van de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Ook dient dit besluit gelet op de overwegingen 31.7, 38.2, 45, 55.2, 61.3 en 63.1 van de tussenuitspraak te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb en het rechtszekerheidsbeginsel.

Het eerste herstelbesluit van 15 februari 2024

17. Met het eerste herstelbesluit van 15 februari 2024 is het op 2 februari 2023 vastgestelde bestemmingsplan "Parkhaven" op onderdelen gewijzigd vastgesteld. De wijzigingen zien op het aspect parkeren en op de minigolfbaan in het plangebied. Tegen dit eerste herstelbesluit zijn van rechtswege beroepen ontstaan voor Shopping Centre Oriental Parkhaven B.V., Rotterdam Leisure Group B.V., Partyservice Nederland en anderen, de bewonersorganisatie en anderen en [appellant sub 8]. Hun beroepsgronden gericht tegen het besluit van 2 februari 2023 zien namelijk op het aspect parkeren en het herstelbesluit komt op dit punt niet volledig tegemoet aan de beroepen van deze appellanten.

Voor Stichting Groen Parkhaven, Stichting Rotterdam Natuurlijk en [appellant sub 7] zijn geen beroepen van rechtswege ontstaan tegen het herstelbesluit van 15 februari 2024, omdat hun beroepen gericht tegen het besluit van 2 februari 2023 niet zien op aspecten die in het herstelbesluit van 15 februari 2024 zijn betrokken.

18. De van rechtswege ontstane beroepen van Shopping Centre Oriental Parkhaven B.V., Rotterdam Leisure Group B.V., Partyservice Nederland en anderen, de bewonersorganisatie en anderen en [appellant sub 8] gericht tegen het herstelbesluit van de raad van 15 februari 2024 zijn gegrond. Dit besluit dient gelet op wat in de tussenuitspraak onder 45 is overwogen te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Het tweede herstelbesluit van 4 december 2025

19. Met het tweede herstelbesluit van 4 december 2025 is het op 2 februari 2023 vastgestelde bestemmingsplan "Parkhaven" wederom op onderdelen gewijzigd vastgesteld. Zoals hiervoor onder 7 is overwogen, zijn tegen dit tweede herstelbesluit van rechtswege beroepen ontstaan voor alle op het voorblad vermelde appellanten. Dit omdat de beroepen van alle appellanten betrekking hebben op aspecten die in het tweede herstelbesluit zijn betrokken en niet is gebleken dat dit tweede herstelbesluit volledig tegemoetkomt aan de beroepen van deze appellanten.

20. Gelet op wat in deze einduitspraak is overwogen, zijn de van rechtswege ontstane beroepen tegen het tweede herstelbesluit van 4 december 2025 ongegrond.

In stand laten rechtsgevolgen

21. Met het tweede herstelbesluit zijn de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken hersteld. Dit besluit blijft in stand. De Afdeling ziet om die reden aanleiding om de rechtsgevolgen van het primaire besluit van 2 februari 2023 en het eerste herstelbesluit van 15 februari 2024, welke twee besluiten in de beslissing van deze uitspraak worden vernietigd, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb in stand te laten. Dit betekent dat deze twee besluiten toch geldig blijven. Daarmee blijven dus alle drie de besluiten die over het bestemmingsplan "Parkhaven" zijn vastgesteld, namelijk de besluiten van 2 februari 2023, 15 februari 2024 en 4 december 2025, in stand. Dit betekent dat om te beoordelen wat de inhoud is van het bestemmingsplan "Parkhaven" alle drie de besluiten in samenhang moeten worden gelezen, dus het primaire besluit van 2 februari 2023, inclusief de wijzigingen die daarin op onderdelen zijn doorgevoerd met de besluiten van 15 februari 2024 en 4 december 2025.

Het bestemmingsplan "Parkhaven" is met deze einduitspraak onherroepelijk en kan worden uitgevoerd.

Proceskosten

22. De raad dient de proceskosten te vergoeden van Stichting Groen Parkhaven, Shopping Centre Oriental Parkhaven B.V., Rotterdam Leisure Group B.V, Partyservice Nederland en anderen en de bewonersorganisatie en anderen.

De raad hoeft niet de proceskosten te vergoeden van Stichting Rotterdam Natuurlijk, [appellant sub 7] en [appellant sub 8], omdat zij niet zijn bijgestaan door beroepsmatige rechtsbijstandverleners en ook geen proceskostenformulier hebben overgelegd.

23. Stichting Groen Parkhaven en de bewonersorganisatie en anderen hebben een proceskostenformulier overgelegd waarin zij vragen om vergoeding van deskundigenkosten. Blijkens de door hen overgelegde facturen gaat het om kosten voor het opstellen van een second opinion door bureau Integraal Verkeersadvies. Deze second opinion heeft de Afdeling betrokken in de overwegingen 59 en verder van de tussenuitspraak. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak geconcludeerd dat de betogen over verkeer waarop de second opinion ziet niet slagen. Er bestaat daarom geen aanleiding om de raad op te dragen de kosten voor het opstellen van de second opinion te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van Stichting Groen Parkhaven, Stichting Rotterdam Natuurlijk, Shopping Centre Oriental Parkhaven B.V., Rotterdam Leisure Group B.V., Partyservice Nederland en anderen, Bewoners Organisatie Scheepvaartkwartier en anderen, [appellant sub 7] en [appellant sub 8] tegen het besluit van de raad van de gemeente Rotterdam van 2 februari 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Parkhaven", gegrond;

II. verklaart de beroepen van Shopping Centre Oriental Parkhaven B.V., Rotterdam Leisure Group B.V., Partyservice Nederland en anderen, Bewoners Organisatie Scheepvaartkwartier en anderen en [appellant sub 8] tegen het besluit van de raad van de gemeente Rotterdam van 15 februari 2024, waarbij het bestemmingsplan "Parkhaven" op onderdelen is gewijzigd, gegrond;

III. vernietigt de onder I. en II. genoemde besluiten;

IV. bepaalt dat de rechtsgevolgen van de onder I. en II. genoemde besluiten in stand blijven;

V. verklaart de beroepen van Stichting Groen Parkhaven, Stichting Rotterdam Natuurlijk, Shopping Centre Oriental Parkhaven B.V., Rotterdam Leisure Group B.V., Partyservice Nederland en anderen, Bewoners Organisatie Scheepvaartkwartier en anderen, [appellant sub 7] en [appellant sub 8] tegen het besluit van de raad van de gemeente Rotterdam van 4 december 2025, waarbij het bestemmingsplan "Parkhaven" op onderdelen is gewijzigd, ongegrond;

VI. veroordeelt de raad van de gemeente Rotterdam tot vergoeding van bij de hierna vermelde appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten ten bedrage van:

a. € 934,00 aan Stichting Groen Parkhaven, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

b. € 2.823,79 aan Shopping Centre Oriental Parkhaven B.V., waarvan € 2.802,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

c. € 2.802,00 aan Rotterdam Leisure Group B.V., geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

d. € 2.335,00 aan Partyservice Nederland en anderen, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

e. € 934,00 aan Bewoners Organisatie Scheepvaartkwartier en anderen, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Rotterdam aan de hierna vermelde appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:

a. € 365,00 aan Stichting Groen Parkhaven;

b. € 365,00 aan Stichting Rotterdam Natuurlijk;

c. € 365,00 aan Shopping Centre Oriental Parkhaven B.V.;

d. € 365,00 aan Rotterdam Leisure Group B.V.;

e. € 365,00 aan Partyservice Nederland en anderen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

f. € 365,00 aan Bewoners Organisatie Scheepvaartkwartier en anderen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

g. € 184,00 aan [appellant sub 7];

h. € 184,00 aan [appellant sub 8].

Aldus vastgesteld door mr. A. ten Veen, voorzitter, en mr. J.F. de Groot en mr. M.M. Kaajan, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.C. van Zuijlen, griffier.

w.g. Ten Veen

voorzitter

w.g. Van Zuijlen

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026

810

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. A. ten Veen
  • mr. J.F. de Groot
  • mr. M.M. Kaajan

Griffier

  • mr. F.C. van Zuijlen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?