202502843/1/A2.
Datum uitspraak: 8 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak op de hoger beroepen van:
1. Stichting Patiëntenplatform Sarcomen, gevestigd in Aerdenhout, gemeente Bloemendaal,
2. de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
3. het Universitair Medisch Centrum Utrecht (het UMCU), gevestigd in Utrecht,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 15 april 2025 in zaak nr. 24/137 in het geding tussen:
de stichting
en
de minister.
Procesverloop
Op 30 september 2021 heeft de minister de aanvraag van het UMCU om het Regionaal Academisch Kankercentrum Utrecht (RAKU) te erkennen als een expertisecentrum voor zeldzame aandoeningen (ECZA) voor de aangevraagde clusters van aandoeningen, waaronder de aandoening ‘gastro-intestinale stromale tumor’ (GIST), ingewilligd.
Bij besluit van 28 november 2023 heeft de minister het door de stichting daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 15 april 2025 heeft de rechtbank het door de stichting daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 28 november 2023 vernietigd, het bezwaar van de stichting niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit.
Tegen deze uitspraak heeft de stichting hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.
De stichting heeft een zienswijze naar aanleiding van het incidenteel hoger beroep van de minister ingediend.
Het UMCU heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een zienswijze naar aanleiding van het incidenteel hoger beroep van het UMCU ingediend.
De stichting heeft een zienswijze naar aanleiding van het incidenteel hoger beroep van het UMCU ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 20 januari 2026, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. J.A. ter Schure, mr. M.A. Gatzen, vergezeld door F.A. Halvorsen, D.R.S. Mohaboe en A. Lavertu, de stichting, vertegenwoordigd door mr. J.J.M. Sluijs, advocaat te Den Haag en [persoon], en het UMCU, vertegenwoordigd door mr. B. Wallage, advocaat te Utrecht, zijn verschenen.
Overwegingen
Wettelijk kader
1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
Inleiding
2. Expertisecentra met veel kennis van zeldzame aandoeningen delen hun kennis in Europa via Europese referentienetwerken (ERN). Ieder ERN heeft een specialisme. Artikel 12, eerste lid, van Richtlijn 2011/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 betreffende de toepassing van de rechten van patiënten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg (de patiëntenrichtlijn) bepaalt dat de Europese Commissie de lidstaten ondersteunt bij het opzetten van ERN’s.
2.1. Op grond van artikel 8, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie 2014/287/EU van 10 maart 2014 tot vaststelling van de criteria voor de oprichting en evaluatie van Europese referentienetwerken en de leden daarvan en voor de bevordering van de uitwisseling van informatie en expertise in verband met de oprichting en evaluatie van dergelijke netwerken (het Uitvoeringsbesluit) moet een zorgaanbieder die lid wil worden van een ERN daartoe een aanvraag indienen bij de Europese Commissie. Op grond van artikel 8, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit heeft een zorgaanbieder een schriftelijke verklaring nodig van de lidstaat van vestiging, dat de deelname aan het netwerk in overeenstemming is met de nationale wet- en regelgeving van die lidstaat.
2.2. De minister heeft de Beleidsvisie expertisecentra zeldzame aandoeningen 2022 (de Beleidsvisie) opgesteld. In de Beleidsvisie staat aan welke eisen wordt getoetst om een zorgaanbieder aan te wijzen als ECZA. Deze eisen zijn onder meer gebaseerd op het Uitvoeringsbesluit. De minister heeft in de Beleidsvisie ook opgenomen dat een ECZA indien mogelijk deelneemt aan een ERN. De erkenning als ECZA wordt beschouwd als de verklaring die op grond van artikel 8, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit nodig is voor deelname aan een ERN.
Uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de erkenning van een zorgaanbieder als ECZA een besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De erkenning is niet alleen een feitelijke handeling, maar op rechtsgevolg gericht. Met de erkenning van het RAKU als ECZA ontstaat voor het UMCU het recht om voor het RAKU een aanvraag in te dienen bij de Europese Commissie om te worden toegelaten tot een ERN. De rechtbank heeft verder overwogen dat deze rechtshandeling publiekrechtelijk van aard is. Niet vanwege een publiekrechtelijke grondslag in artikel 8 van de Wet op bijzondere medische verrichtingen (Wbmv), maar vanwege de uitvoering die de minister met deze beslissing geeft aan een aan hem opgedragen publieke taak.
4. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de stichting geen belanghebbende is bij het besluit van de minister om het RAKU te erkennen als ECZA. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de algemene en collectieve belangen die de stichting behartigt, zoals het stimuleren van goede zorg en onderzoek, niet rechtstreeks worden geraakt door het besluit om het RAKU aan te wijzen als ECZA voor GIST.
Hoger beroep
Besluit
5. De incidentele hoger beroepen zijn te laat ingediend. Deze incidentele hoger beroepen van de minister en het UMCU zullen daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. De Afdeling ziet zich evenwel ambtshalve voor de vraag gesteld of de erkenning van het RAKU als ECZA een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb.
5.1. Artikel 1:3, eerste lid, van de Awb luidt als volgt:
"Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling."
5.2. Bij beantwoording van de vraag of de beslissing een besluit is, is bepalend of de beslissing gericht is op een rechtsgevolg. Dat is het geval als een bestuursorgaan een verandering beoogt in een bevoegdheid, recht, verplichting of status van een persoon of zaak. Van een op rechtsgevolg gerichte beslissing is verder sprake als een bestuursorgaan beoogt een bevoegdheid, recht, verplichting of status van een persoon of zaak bindend vast te stellen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 11 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5136, ro. 17.2).
5.3. De minister heeft de besluitvorming over de erkenning van zorgaanbieders als ECZA gekoppeld aan de verklaring als bedoeld in artikel 8, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit. Als een zorgaanbieder niet wordt erkend als ECZA, kan hij geen verklaring in de zin van artikel 8, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit bij de aanvraag aan de Europese Commissie overleggen. Los van de vraag of dat een rechtsgevolg is, heeft de erkenning financiële gevolgen. In de Memorie van Toelichting bij de Verzamelwet VWS 2024 (Kamerstukken II 2024/25 36 683 , nr. 3, p. 6), waar de minister op de zitting bij de Afdeling naar heeft verwezen, staat het volgende: "Het hebben van een aanwijzing kan een voorwaarde zijn voor bijvoorbeeld het verkrijgen van een beschikbaarheidsbijdrage als bedoeld in de Wet marktordening gezondheidszorg, het declareren van een expertiseconsult of aansluiting bij een Europees referentienetwerk." De minister heeft op de zitting toegelicht dat expertisecentra op basis van de verleende erkenning declaraties kunnen indienen voor expertiseadviezen. Daarnaast gebruikt het Zorginstituut de lijst van expertisecentra om te beoordelen welke centra dure medicijnen mogen voorschrijven. De beslissing van de minister om het RAKU te erkennen als ECZA is alleen al daarom gericht op rechtsgevolg.
5.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3868) is een rechtshandeling publiekrechtelijk als zij is gebaseerd op een publiekrechtelijke grondslag. In de regel is daarvoor nodig dat het bestuursorgaan de bevoegdheid tot het verrichten van die handeling ontleent aan een specifiek wettelijk voorschrift.
5.5. Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de minister de bevoegdheid tot het erkennen van een zorgaanbieder als ECZA aan artikel 8 van de Wbmv ontleent, en niet aan de aan hem opgedragen publieke taak in het kader van Richtlijn 2011/24. De minister kan op grond van het eerste lid van die bepaling een beleidsvisie bekend maken ten aanzien van bijzondere aspecten van medische verrichtingen, welke aspecten die verrichtingen onderscheiden van andere medische verrichtingen, waarop niet een regeling als bedoeld in artikel 2 of 3 van toepassing is en die niet behoren tot de ontwikkelingsgeneeskunde. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de Wbmv heeft beoogd de mogelijkheid te bieden tot overheidsbemoeienis wat die verrichtingen betreft, indien dat om bijzondere redenen nodig is. Het kan gaan, zoals de minister op de zitting nader heeft toegelicht, om een verbodssysteem, vergunningensysteem of begunstigingssysteem. Dat laatste is in dit geval aan de orde, omdat - zoals hiervoor al is overwogen - met de erkenning van het RAKU als ECZA een (indirecte) financiële stimulans wordt gegeven. Dergelijke overheidsbemoeienis moet, zoals de minister terecht heeft opgemerkt, worden onderbouwd. Hij heeft in dit verband gewezen op de geschiedenis van de totstandkoming van de Wbmv, waarin is vermeld: "Een begunstigingssysteem is wenselijk wanneer het gaat om verrichtingen die de overheid een zekere stimulans wil geven. De overheidsbemoeienis zal dan ook op die punten moeten worden onderbouwd in planningsregelingen of beleidsvisies." (Kamerstukken II 1995/96, 24 788, nr. 3, p. 4). De Beleidsvisie past in dit systeem van begunstiging. De erkenning van de RAKU als ECZA is dan ook gebaseerd op artikel 8 van de Wbmv.
5.6. De rechtbank heeft terecht, zij het op andere gronden, geoordeeld dat de beslissing om het RAKU te erkennen als ECZA een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb.
Hoger beroep van de stichting
6. De stichting betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten om hoor en wederhoor toe te passen, terwijl dit beginsel ook bij ambtshalve toetsing geldt. Op de zitting bij de rechtbank is namelijk niet besproken of de stichting belanghebbende is. De feitelijke werkzaamheden van de stichting zijn bijvoorbeeld niet aan de orde gesteld. De rechtbank heeft de feiten ten onrechte zelf aangevuld, bijvoorbeeld met betrekking tot de werkzaamheden van de stichting. De rechtbank had de stichting in de gelegenheid moeten stellen haar standpunt hierover toe te lichten. De stichting had willen toelichten dat in de herziene Beleidsvisie ECZA 2025, die op 3 december 2024 is gepubliceerd, is bevestigd dat patiëntenorganisaties belanghebbende zijn in procedures rondom erkenningen van expertisecentra door de minister. De rechtbank was hiervan niet op de hoogte en heeft zich gebaseerd op de beleidsvisie ECZA 2021.
6.1. De rechtbank had op grond van de eisen van een goede procesorde partijen op de zitting of anderszins in de gelegenheid moeten stellen zich uit te laten over de vraag of de stichting belanghebbende was, alvorens een uitspraak te doen, waaruit blijkt dat haar oordeel daarover beslissend is geweest (zie bijvoorbeeld ook de uitspraak van de Afdeling van 3 oktober 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB4716, ro. 2.5.1). Daaraan doet niet af dat de rechtbank zich ambtshalve gesteld zag voor de vraag of de stichting belanghebbende is bij de erkenning van het RAKU als ECZA. Uit de stukken, waaronder het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank, kan worden afgeleid dat partijen die gelegenheid niet is geboden, zodat het betoog slaagt.
6.2. De stichting betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij geen belanghebbende is bij de erkenning van het RAKU als ECZA. Partijen hebben op de zitting bij de Afdeling opgemerkt dat in 2026 een nieuwe erkenningsronde plaatsvindt en dat zij daarom zo spoedig mogelijk duidelijkheid wensen over het antwoord op de vraag of de erkenningsbeslissingen besluiten zijn in de zin van artikel 1:3 van de Awb en of de stichting kwalificeert als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb. De Afdeling zal de zaak daarom niet terugwijzen naar de rechtbank. Partijen hebben in hoger beroep voldoende gelegenheid gekregen zich uit te laten over de belanghebbendheid van de stichting. De Afdeling oordeelt als volgt.
7. Voor het antwoord op de vraag of een rechtspersoon die opkomt voor een algemeen belang belanghebbende is bij een besluit, zijn de statutaire doelstelling en de feitelijke werkzaamheden van die rechtspersoon bepalend (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3435, ro. 2.1).
7.1. Het belang dat de stichting volgens haar statuten behartigt, is onder meer het geven van persoonlijke ondersteuning aan patiënten met een sarcoom en het ondersteunen van hun naasten, het in contact brengen van (ex)patiënten met een sarcoom en hun naasten met lotgenoten, artsen en specialisten bekend te maken met beschikbare informatie over sarcomen om zo te komen tot een snellere en betere diagnose en goede richtlijnen voor de behandeling van patiënten met een sarcoom, waaronder GIST, het stimuleren van verder wetenschappelijk onderzoek naar nieuwe medicijnen en behandelmethoden voor sarcomen, waaronder GIST, en dit onderzoek, alsmede het belang hiervan, onder de aandacht brengen, ook naar de politiek, en het behartigen van de gemeenschappelijke belangen van bij de stichting aangesloten (ex)patiënten met een sarcoom en hun naasten.
7.2. Om haar doelstelling te bereiken verricht de stichting onder meer de volgende feitelijke werkzaamheden: structurele overleggen met expertisecentra, actieve participatie in diverse wetenschappelijke publicaties en nationale en internationale richtlijnontwikkeling, deelname aan internationale netwerken en het bezoeken van relevante (inter)nationale oncologische congressen. De stichting heeft bijvoorbeeld ook het beoordelingscomité geadviseerd over de aanvraag van het UMCU om het RAKU te erkennen als ECZA.
7.3. Naar het oordeel van de Afdeling is de stichting belanghebbende bij de erkenning van het RAKU als ECZA. De stichting wordt rechtstreeks geraakt bij de erkenning van het RAKU als ECZA. De doelstellingen en werkzaamheden van de stichting zijn hoofdzakelijk gericht op het behartigen van belangen van sarcoompatiënten, waaronder het verbeteren van de behandeling van sarcomen. De stichting heeft toegelicht dat haar achterban bestaat uit sarcoompatiënten en hun naasten. Voor de stichting is het van belang dat de zorgaanbieders die als ECZA voor GIST worden aangewezen, daadwerkelijk gezaghebbende Nederlandse zorgaanbieders zijn. Zij wordt rechtstreeks geraakt als de minister een zorgaanbieder als ECZA aanwijst dat niet daadwerkelijk als expertisecentrum kan functioneren vanwege het ontbreken van die expertise. ECZA’s komen bijvoorbeeld in aanmerking om dure medicijnen voor te schrijven en zij worden geraadpleegd voor expert adviezen.
7.4. De Afdeling volgt de rechtbank daarom niet in het oordeel dat de stichting geen belanghebbende is bij de erkenning van het RAKU als ECZA. De rechtbank heeft het bezwaar van de stichting ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
Het betoog slaagt.
Conclusie
8. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de stichting geen belanghebbende is bij de erkenning van het RAKU als ECZA. De rechtbank heeft nog geen oordeel gegeven over de inhoudelijke gronden van de stichting. Met het oog op een spoedige en definitieve geschilbeslechting zal de Afdeling het onderzoek heropenen. Partijen zal de mogelijkheid worden geboden zich over de resterende geschilpunten nader uit te laten.
9. De incidenteel hoger beroepen zijn niet-ontvankelijk.
10. Voor het hoger beroep van de stichting geldt dat in de einduitspraak wordt beslist over vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het incidenteel hoger beroep van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport niet-ontvankelijk;
II. verklaart het incidenteel hoger beroep van het Universitair Medisch Centrum Utrecht niet-ontvankelijk;
III. bepaalt dat de behandeling van het hoger beroep van Stichting Patiëntenplatform Sarcomen wordt voortgezet.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. J. Schipper-Spanninga, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk, griffier.
w.g. Daalder
voorzitter
w.g. Rijsdijk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026
705-1033
BIJLAGE - Wettelijk kader
Richtlijn 2011/24/EU van het Europees parlement en de raad van 9 maart 2011 betreffende de toepassing van de rechten van patiënten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg
Artikel 12
1. De Commissie steunt de lidstaten bij het opzetten van Europese referentienetwerken van zorgaanbieders en expertisecentra in de lidstaten, met name op het gebied van zeldzame ziekten. De netwerken berusten op de vrijwillige deelname van hun leden die deelnemen aan de activiteiten van het netwerk en ertoe bijdragen volgens de wetgeving van de lidstaat waar de leden zijn gevestigd, en zij staan voortdurend open voor nieuwe zorgaanbieders die eraan willen deelnemen, mits deze zorgaanbieders voldoen aan alle vereiste voorwaarden en criteria die worden genoemd in lid 4.
[…]
4. Ten behoeve van lid 1 moet de Commissie:
a) een lijst vaststellen met specifieke criteria en voorwaarden waaraan Europese referentienetwerken moeten voldoen en voorwaarden en criteria waaraan zorgaanbieders die zich bij het Europese referentienetwerk willen aansluiten, moeten voldoen. Deze criteria en voorwaarden moeten er onder meer voor zorgen dat Europese referentienetwerken:
[…]
2014/287/EU: Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 10 maart 2014 tot vaststelling van de criteria voor de oprichting en evaluatie van Europese referentienetwerken en de leden daarvan en voor de bevordering van de uitwisseling van informatie en expertise in verband met de oprichting en evaluatie van dergelijke netwerken
Artikel 1
Dit besluit bevat:
a) de criteria voor de oprichting en evaluatie van de netwerken als bedoeld in artikel 12 van Richtlijn 2011/24/EU; en
b) de maatregelen ter bevordering van de uitwisseling van informatie en expertise in verband met de oprichting en evaluatie van de netwerken als bedoeld in artikel 12 van Richtlijn 2011/24/EU.
Artikel 8
1. Een zorgaanbieder die van een bestaand netwerk lid wil worden, dient hiertoe een aanvraag in bij de Commissie.
2. De inhoud van de aanvraag voor lidmaatschap is in overeenstemming met bijlage II.
3. De aanvraag voor lidmaatschap gaat vergezeld van een schriftelijke verklaring van de lidstaat van vestiging van de zorgaanbieder, waarin wordt verklaard dat de deelname aan het netwerk in overeenstemming is met de nationale wetgeving van de lidstaat.
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 1:2
1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
2. Ten aanzien van bestuursorganen worden de hun toevertrouwde belangen als hun belangen beschouwd.
3. Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.
Artikel 1:3
1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
[…]
Artikel 8:110
1. Indien hoger beroep is ingesteld, kan degene die ook hoger beroep had kunnen instellen, incidenteel hoger beroep instellen. De voorschriften omtrent het hoger beroep zijn van toepassing, tenzij in deze titel anders is bepaald.
2. Het incidenteel hoger beroep wordt ingesteld binnen zes weken nadat de hogerberoepsrechter de gronden van het hoger beroep aan de desbetreffende partij heeft verzonden.
3. Binnen vier weken nadat de hogerberoepsrechter de gronden van het incidenteel hoger beroep aan partijen heeft verzonden, kunnen deze partijen schriftelijk hun zienswijze omtrent het incidenteel hoger beroep naar voren brengen.
4. De hogerberoepsrechter kan de in het tweede en derde lid genoemde termijnen verlengen of, indien hij het hoger beroep behandelt met overeenkomstige toepassing van afdeling 8.2.3, verkorten.
5. Voor het incidenteel hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.
Wet op bijzondere medische verrichtingen
Artikel 8
1. Onze Minister kan met betrekking tot medische verrichtingen waarop niet een regeling als bedoeld in artikel 2 of 3 van toepassing is en die niet behoren tot de ontwikkelingsgeneeskunde, zijn beleidsvisie bekend maken ten aanzien van bijzondere aspecten van die verrichtingen, welke aspecten die verrichtingen onderscheiden van andere medische verrichtingen.
2. Een instelling kan Onze Minister verzoeken haar aan te wijzen voor de uitvoering van de bijzondere aspecten van de in het eerste lid bedoelde verrichtingen. Onze Minister kan zodanige aanwijzing uitsluitend weigeren indien het geven daarvan in strijd zou zijn met zijn beleidsvisie, bedoeld in het eerste lid.
3. Onze Minister kan aan een aanwijzing voorschriften verbinden, voor zover die voortvloeien uit de beleidsvisie. Artikel 6, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
4. De beleidsvisie, bedoeld in het eerste lid, kan inhouden dat Onze Minister, voor zover dat naar zijn oordeel noodzakelijk is in het belang van de volksgezondheid, zorg draagt voor bekostiging van de instandhouding dan wel continuïteit van de uitvoering van de bijzondere aspecten van de in het eerste lid bedoelde verrichtingen door een instelling die op grond van het tweede lid is aangewezen.
Beleidsvisie Expertisecentra Zeldzame Aandoeningen 2022
Inleiding
[…]
In het Uitvoeringsbesluit is bepaald dat de aanvrager van een lidmaatschap van een ERN een schriftelijke verklaring moet overleggen van de lidstaat van vestiging dat de deelname aan een ERN in overeenstemming is met de nationale wet- en regelgeving van deze lidstaat. Om een dergelijke verklaring te krijgen moet een in Nederland gevestigde kandidaat ECZA op grond van artikel 8, tweede lid, van de wet, in samenhang gelezen met deze beleidsvisie, worden aangewezen als ECZA. Deze beleidsvisie bevat de eisen en procedure voor het verkrijgen van een dergelijke aanwijzing (in het vervolg wordt deze aanwijzing ‘erkenning’ genoemd). Een erkenning als bedoeld in deze beleidsvisie kan worden beschouwd als een schriftelijke verklaring als bedoeld in de artikelen 3, derde lid, of 8, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit. Na het verkrijgen van een erkenning als ECZA, kan het ECZA een aanvraag indienen bij de Europese Commissie om als lid aan een ERN deel te nemen. Het Gedelegeerd besluit beschrijft vervolgens de eisen waaraan aanvragen van een lidmaatschap van een ERN in Europees verband worden getoetst.