202306779/1/R1.
Datum uitspraak: 8 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. [appellant sub 1], wonend in Den Haag,
2. [appellant sub 2], wonend in Den Haag,
appellanten,
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 24 oktober 2023 heeft het college het plaatsingsplan "Definitief plaatsingsplan gewijzigde locatie ondergrondse restafvalcontainers Geuzenkwartier III (buurt 8)" vastgesteld voor de plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers (ORAC’s) op locatie 08-16B in het stadsdeel Scheveningen in de wijk Geuzenkwartier in Den Haag.
Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant sub 2] en het college hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 23 mei 2025, waar [appellant sub 1], [appellant sub 2], bijgestaan door mr. R.R.D.D. Speelman, advocaat in Honselerdijk, en het college, vertegenwoordigd door mr. F. van Ommeren en W. van der Eijk, zijn verschenen.
Na sluiting van het onderzoek heeft de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heropend en het college om nadere informatie gevraagd.
Het college, [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak opnieuw op zitting behandeld op 13 februari 2026, waar [appellant sub 1], [appellant sub 2], bijgestaan door mr. R.R.D.D. Speelman, voormeld, en het college, vertegenwoordigd door mr. F. van Ommeren en W. van der Eijk, zijn verschenen.
Op grond van artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de Afdeling het onderzoek op de zitting geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen om nadere stukken in te dienen.
[appellant sub 1] en [appellant sub 2] en het college hebben nadere stukken ingediend.
Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gelaten en heeft de Afdeling het onderzoek op grond van artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. Het college heeft door vaststelling van het plaatsingsplan (het bestreden besluit) locatie 08-16B aangewezen voor de plaatsing van twee ORAC’s in het Geuzenkwartier in Den Haag. [appellant sub 1] woont aan de [locatie 1]. De tuin aan de zijkant van haar woning ligt op ongeveer een meter van de aangewezen locatie. [appellant sub 2] woont aan de [locatie 2]. Haar voordeur ligt op enkele meters van locatie 08-16B. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zijn het niet eens met de aangewezen locatie.
Toetsingskader
2. Bij de keuze van een locatie voor een ORAC moet het college een afweging maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het locatieplan. Daarbij heeft het college beleidsruimte. De Afdeling beoordeelt, aan de hand van de beroepsgronden, of de nadelige gevolgen van de aanwijzing van de locatie niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de aanwijzing te dienen doelen. Daarbij beoordeelt zij of het college de locatie geschikt heeft mogen achten voor de plaatsing van de ORAC.
Oordeel van de Afdeling
3. De Afdeling is van oordeel dat de beroepen gegrond zijn. Het college heeft namelijk bij de voorbereiding van het bestreden besluit onvoldoende onderzoek verricht naar de aanwezigheid van een gasleiding nabij de aangewezen locatie. De beroepsgrond van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] daarover slaagt. Het bestreden besluit moet daarom worden vernietigd vanwege strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Maar het college heeft dit gebrek hersteld en de overige beroepsgronden van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] slagen niet. De Afdeling zal daarom bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Dat betekent dat de ORAC’s mogen worden geplaatst op de aangewezen locatie.
De Afdeling zal dit oordeel hierna motiveren aan de hand van de bespreking van de beroepsgronden in deze volgorde:
- noodzaak plaatsing ORAC’s;
- geschiktheid - gasleiding;
- geschiktheid - riolering;
- geschiktheid - loopafstanden;
- geschiktheid - parkeren;
- alternatieve locaties.
Noodzaak plaatsing ORAC’s
4. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de plaatsing van de ORAC’s niet noodzakelijk is. Er is volgens hen in de omgeving voldoende capaciteit aanwezig. Bovendien kan het college volgens [appellant sub 2] en [appellant sub 1] gemotiveerd afwijken van zijn beleid, waarin staat dat de maximale loopafstand tot een ORAC 125 meter is.
4.1. Bij het bepalen van de locaties voor de ORAC's heeft het college de randvoorwaarden gehanteerd, zoals neergelegd in het "Voorstel van het college inzake 5e Programma Ondergrondse Restafvalcontainers (ORAC's): 900 extra" (de randvoorwaarden). Deze randvoorwaarden houden onder andere in dat de loopafstand van perceel tot een container maximaal kan oplopen tot 125 meter. Het college kan hiervan gemotiveerd afwijken, als er geen locatie beschikbaar is binnen de 125 meter.
4.2. In de Nota van antwoord staat dat dat de loopafstanden voor een aantal huishoudens in het Geuzenkwartier langer dan 125 meter worden, wanneer de ORAC’s niet geplaatst worden. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben dat niet betwist. Een loopafstand langer dan 125 m is niet in overeenstemming met de randvoorwaarden die het college bij een specifieke locatiekeuze hanteert. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college daarom toereikend gemotiveerd waarom het noodzakelijk is dat er ORAC’s in dit gedeelte van het Geuzenkwartier worden geplaatst, ook al zou er voldoende capaciteit zijn in de omgeving.
Het betoog slaagt niet.
Geschiktheid - gasleiding
5. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en betogen dat het college het bestreden besluit onzorgvuldig heeft voorbereid, omdat het daarbij onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de precieze ligging van een gasleiding nabij de locatie. Zij hebben er daarbij op gewezen dat op een kaart van het Kabels en Leidingen Informatie Centrum een gasleiding staat aangegeven op een afstand van ongeveer 90 cm van de aangewezen locatie.
5.1. De Afdeling is van oordeel dat het college bij de voorbereiding van het bestreden onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de precieze ligging van de gasleiding. Bij het nemen van het bestreden besluit is het college ervan uitgegaan dat de gasleiding op ruime afstand van de locatie ligt en daarom geen belemmering vormt voor plaatsing van de ORAC’s. Maar in het verweerschrift heeft het college toegelicht dat gebleken is dat de gasleiding is omgelegd, waardoor deze mogelijk dichter bij de locatie ligt dan waarvan het eerder was uitgegaan. Het college heeft in het verweer ook toegelicht dat de gasleiding nog steeds geen belemmering vormt en dat het van plan was om een proefsleuf te laten graven om dit te bevestigen. Naar het oordeel van de Afdeling had het college dit onderzoek in dit geval al moeten laten verrichten bij de voorbereiding van het bestreden besluit vanwege de onduidelijkheid over de ligging van de gasleiding.
Het betoog slaagt.
5.2. Na de heropening van het onderzoek heeft het college in aanwezigheid van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] op 12 september 2025 een proefsleuf laten graven. Uit de resultaten daarvan volgt dat de gasleiding op ruime afstand van de locatie ligt. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben dat niet betwist, zodat niet langer in geschil dat de gasleiding geen belemmering vormt voor plaatsing van de ORAC’s. Het college heeft dit gebrek dus hersteld.
Geschiktheid - riolering
6. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat op de locatie riolering ligt, die moet worden omgelegd. De locatie is volgens hen daarom in strijd met de randvoorwaarde over ondergrondse infrastructuur. Deze randvoorwaarde houdt in dat aanwezige kabels, leidingen en riolering zo min mogelijk worden omgelegd.
7. Het college heeft toegelicht dat de riolering op de locatie kan worden omgelegd bij de plaatsing van de ORAC’s.
8. De Afdeling is van oordeel dat de aangewezen locatie niet in strijd is met de randvoorwaarde over ondergrondse infrastructuur. In die randvoorwaarde staat niet dat ondergrondse infrastructuur nooit mag worden omgelegd bij plaatsing van een ORAC, alleen dat deze infrastructuur zo min mogelijk moet worden omgelegd. Dat de riolering moet worden omgelegd bij de aangewezen locatie is uiteraard wel een nadeel, maar of dat betekent dat het college had moeten afzien van aanwijzing van de locatie, komt aan de orde bij de beoordeling van de alternatieve locaties.
Het betoog slaagt niet.
Geschiktheid - parkeren
9. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat als gevolg van het bestreden besluit 1,5 parkeerplaatsen verloren zullen gaan, waardoor de parkeerdruk in de omgeving nog verder verhoogd wordt.
9.1. Het college heeft toegelicht dat er maar 1 parkeerplaats verloren zal gaan als gevolg van het bestreden besluit. De aangewezen locatie ligt namelijk vlak bij een bocht van een kruispunt en in bochten van kruispunten mag niet worden geparkeerd. De Afdeling ziet geen aanleiding om daaraan te twijfelen. Volgens [appellant sub 2] en [appellant sub 1] wordt er in de bocht regelmatig wel geparkeerd, maar het college hoefde bij het nemen van het bestreden besluit geen rekening te houden met de gevolgen voor illegale parkeerplaatsen.
Verder heeft het college gewezen op het gemeentelijke beleidsstuk "Parkeerstrategie Den Haag 2021-2030". Daarin staat dat parkeerdruk in de buurt geen beletsel zal zijn voor het implementeren van belangrijke ontwikkelingen, zoals het plaatsen van ORAC’s. Mocht zo’n ontwikkeling leiden tot een ongewenste stijging van de parkeerdruk, dan kan dit effect volgens dit beleidsstuk teniet worden gedaan door het aantal uit te geven parkeervergunningen te verlagen. De Afdeling heeft eerder in haar uitspraak van 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3437, onder 6.2, geoordeeld dat dit beleid niet onredelijk is. Gelet hierop hoefde het college geen doorslaggevend gewicht toe te kennen aan het belang bij het voorkomen van een toename van de parkeerdruk door het vervallen van 1 parkeerplaats.
Het betoog slaagt niet.
Geschiktheid - loopafstanden
10. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de aangewezen locatie niet aan de randvoorwaarde over de loopafstanden voldoet, omdat voor een aantal woningen de maximale loopafstand van 125 m wordt overschreden. Volgens hen zijn de loopafstanden die het college heeft berekend, onjuist. Zij hebben dit onderbouwd met kaarten met looplijnen die door het bureau RPS Landmeten zijn opgesteld.
10.1. De Afdeling heeft de randvoorwaarde over de loopafstand uitgelegd in haar uitspraak van 28 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1680, onder 7.1. Deze randvoorwaarde houdt naar het oordeel van de Afdeling in dat alleen van de maximale loopafstand van 125 m mag worden afgeweken, als er binnen 125 m in het licht van de overige voorwaarden geen locaties geschikt zijn voor het plaatsen van een ORAC.
10.2. Het college heeft door middel van een kaart met looplijnen onderbouwd dat de loopafstanden tot de aangewezen locatie niet meer dan 125 m bedragen. Zoals de Afdeling eerder over het berekenen van de loopafstand heeft geoordeeld in haar uitspraak van 17 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1621, onder 6.3, acht zij het niet onredelijk dat het college een zekere mate van abstractie aanhoudt en daarbij bijvoorbeeld kleinere en/of regelmatig wisselende obstakels buiten beschouwing laat. Ook acht de Afdeling het niet onredelijk dat het college niet uitgaat van de meest ideale looplijn. Het college zal niet van de kortste, maar eerder van de veiligste looproute uitgaan. De Afdeling acht het met name van belang dat het college voor de bepaling van de loopafstanden een consistente wijze van meten toepast.
De Afdeling ziet in wat [appellant sub 2] en [appellant sub 1] hebben aangevoerd, geen grond om aan te nemen dat het college geen consistente wijze van meten heeft toegepast. Het door hen ingeschakelde bureau RPS Landmeten heeft andere loopafstanden berekend dan het college, maar de reden daarvoor is dat dit bureau een andere wijze van meten heeft toegepast dan het college, zoals het college heeft toegelicht. RPS Landmeten heeft de looplijnen tussen de aangewezen locatie en locatie 08-12 gemeten en vervolgens aan de hand daarvan berekend wat de loopafstanden zijn tot deze twee locaties. Het college heeft daarentegen de looplijnen gemeten vanaf de afzonderlijke locaties tot aan de percelen en aan de hand daarvan de loopafstanden berekend. Uit de randvoorwaarden volgt dat niet de onderlinge afstand tussen ORAC’s maar de loopafstand van het perceel tot de container bepalend is.
De Afdeling komt tot de conclusie dat het college deugdelijk heeft onderbouwd dat de loopafstanden tot de aangewezen locatie niet meer dan 125 m bedragen.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie over de geschiktheid
11. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het college de aangewezen locatie geschikt heeft mogen achten voor het plaatsen van de ORAC’s.
Alternatieve locaties
12. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en betogen dat er alternatieve locaties zijn voor het plaatsen van de ORAC’s die geschikter zijn dan de aangewezen locatie.
De eerste alternatieve locatie is op de hoek van de Douzastraat en de Jan van Houtstraat ter plaatse van een zogeheten trottoireiland, tegenover de aangewezen locatie.
De tweede alternatieve locatie is aan de Jan van Houtstraat tussen huisnummer 98 en 100, tegenover huisnummer 91. Volgens [appellant sub 2] is het advies van de Advies Commissie Openbare Ruimte (ACOR) over locaties voor ORAC’s in het Geuzenkwartier geen beletsel om deze locatie aan te wijzen. De ACOR adviseerde om de ORAC’s in de Douzastraat in dezelfde lijn te plaatsen. Het college is van dat advies afgeweken voor locatie 08-17. Het college heeft ervoor gekozen de ORAC’s op deze 08-17 te verplaatsen naar de locatie 08-17B. Deze locatie ligt niet in de Douzastraat, maar in de Burgemeester van der Werffstraat. Volgens [appellant sub 2] heeft het college niet deugdelijk gemotiveerd waarom het in dit geval niet is afgeweken van het advies van de ACOR.
De derde alternatieve locatie is aan de Douzastraat 44-48. Dan staan de ORAC’s tegenover een portiek en niet tegenover voordeuren, waardoor bewoners volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] minder overlast zullen ervaren. Ook stelt [appellant sub 2] dat er geen ondergrondse infrastructuur omgelegd hoeft te worden op deze locatie.
12.1. De Afdeling heeft hiervoor geoordeeld dat het college de aangewezen locatie geschikt heeft mogen achten voor het plaatsen van de ORAC’s. De Afdeling zal beoordelen of het college toch had moeten afzien van aanwijzing van de aangewezen locatie vanwege de voorgestelde alternatieve locaties. Een alternatieve locatie moet zodanig geschikter zijn dan de aangewezen locatie dat geoordeeld moet worden dat het college niet heeft mogen vasthouden aan zijn keuze voor de aangewezen locatie, maar had moeten kiezen voor de alternatieve locatie.
12.2. De Afdeling is van oordeel dat het college niet hoefde te kiezen voor de alternatieve locaties die [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangedragen, ook al moet de riolering op de aangewezen locatie worden omgelegd.
Voor de alternatieve locatie op de hoek van de Douzastraat en de Jan van Houtstraat is van belang dat niet in geschil is dat de loopafstanden tot deze locatie meer dan 125 m bedragen. Zoals de Afdeling onder 10.1 heeft overwogen, houdt het loopafstandscriterium in dat daarvan alleen kan worden afgeweken, als er binnen 125 m geen geschikte locaties aanwezig zijn. Ook kunnen op deze locatie geen ORAC’s worden geplaatst vanwege de verkeersveiligheid en de aanwezigheid van een gasleiding. RPS Landmeten heeft op verzoek van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] deze locatie beoordeeld en toegelicht dat het betwijfelt of op deze locatie aan de verkeersveiligheidseisen kan worden voldaan. Ook heeft het toegelicht dat deze locatie niet haalbaar lijkt te zijn, omdat onder het trottoir aan de noordzijde een gasleiding ligt. Het college heeft bevestigd dat om deze redenen op deze locatie geen ORAC’s kunnen worden geplaatst.
Voor de alternatieve locatie aan de Jan van Houtstraat is van belang dat niet in geschil is dat de loopafstanden tot deze locatie meer dan 125 m bedragen. Gelet hierop mocht het college in dit geval ervoor kiezen om niet af te wijken van het advies van de ACOR.
Voor de alternatieve locatie aan de Douzastraat 44-48 is van belang dat het college heeft toegelicht dat op die locatie bewoners op de begane grond net zoveel overlast kunnen ondervinden van de ORAC’s als bewoners op de aangewezen locatie. De Afdeling ziet geen aanleiding om daaraan te twijfelen. Verder heeft het college resultaten van een proefsleuf op die locatie overgelegd, waaruit volgt dat op die locatie een lichtmast zou moeten worden verplaatst bij plaatsing van de ORAC’s. De Afdeling is daarom van oordeel dat deze alternatieve locatie niet zodanig geschikter is dan de aangewezen locatie dat het college daarvoor had moeten kiezen.
Het betoog slaagt niet.
Proceskosten
13. Het college moet de proceskosten van [appellant sub 2] vergoeden. Wat betreft [appellant sub 1] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart de beroepen gegrond;
II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 24 oktober 2023 tot vaststelling van het plaatsingsplan "Definitief plaatsingsplan gewijzigde locatie ondergrondse restafvalcontainers Geuzenkwartier III (buurt 8)";
III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven;
IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Den Haag tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.703,84, waarvan € 2.335,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan appellanten het door hen betaalde griffierecht vergoedt:
a. een bedrag van € 184,00 voor [appellant sub 1];
b. een bedrag van € 184,00 voor [appellant sub 2].
Aldus vastgesteld door mr. J. Gundelach, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.L. van Driel Kluit, griffier.
w.g. Gundelach
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Driel Kluit
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026
703-1134