202404954/1/V6.
Datum uitspraak: 8 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[appellante], wonend in [woonplaats] (Belgiƫ),
appellante,
en
de minister van Justitie en Veiligheid,
verweerder.
Procesverloop
Bij uitspraak van 6 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:922, heeft de Afdeling het hoger beroep van [appellante] gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 december 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:11422, vernietigd, het beroep van [appellante] tegen het besluit van 9 mei 2022 alsnog gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Verder heeft de Afdeling met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb bepaald dat tegen het door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid te nemen besluit op bezwaar slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.
Bij besluit van 11 juli 2024 heeft de staatssecretaris het door [appellante] tegen het besluit van 12 augustus 2021 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellante], vertegenwoordigd door mr. E.W.B. van Twist, advocaat in Dordrecht, beroep ingesteld.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] stelt afkomstig te zijn uit de Democratische Republiek Congo (DRC) en geboren te zijn op [geboortedatum] 1988. Zij heeft de minister op 23 november 2020 verzocht om haar het Nederlanderschap te verlenen. Ter onderbouwing van haar identiteit en nationaliteit heeft zij een Congolees paspoort overgelegd dat is afgegeven op 11 februari 2014. Bureau Documenten heeft het paspoort onderzocht en geconcludeerd dat het echt is. De minister heeft het verzoek afgewezen, omdat hij twijfelt aan de identiteit en nationaliteit van [appellante]. Hij heeft deze twijfel gebaseerd op een rapport taalanalyse en een nader rapport van Bureau Land en Taal (nu: Team Onderzoek en Expertise Land en Taal (TOELT)). Uit deze rapporten volgt dat [appellante] niet eenduidig is te herleiden tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen de DRC en waarschijnlijk is te herleiden tot de spraakgemeenschap binnen Rwanda. Volgens de minister heeft [appellante] de twijfel aan haar identiteit en nationaliteit niet weggenomen met het overleggen van het paspoort, omdat hij niet kan vaststellen of voorafgaand aan de afgifte daarvan een deugdelijk identificatieproces heeft plaatsgevonden.
2. In de uitspraak van 6 maart 2024 heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er twijfels bestaan aan de identiteit en nationaliteit van [appellante] en dat hij dit deugdelijk heeft gemotiveerd door te wijzen op de bevindingen uit de rapporten van TOELT. De Afdeling heeft vervolgens geoordeeld dat de minister bij de beantwoording van de vraag of [appellante] met het echt bevonden paspoort de twijfels over haar identiteit en nationaliteit heeft weggenomen, ten onrechte heeft volstaan met het standpunt dat hij niet heeft kunnen vaststellen of dat document bevoegd is opgemaakt en afgegeven en of het inhoudelijk juist is. Het had op de weg van de minister gelegen om nader onderzoek te doen naar de bewijswaarde van het paspoort en de wijze waarop [appellante] het stelt te hebben verkregen.
3. Bij besluit van 11 juli 2024 heeft de minister de afwijzing van het verzoek gehandhaafd. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat dat hij niet kan vaststellen dat er een deugdelijk identificatieproces heeft plaatsgevonden voorafgaand aan de afgifte van het paspoort. De minister heeft daaraan ten grondslag gelegd dat het onduidelijk is hoe het paspoort is afgegeven en welke brondocumenten eraan ten grondslag liggen.
Taalanalyse TOELT
4. [appellante] betoogt dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij meer waarde hecht aan de taalanalyse van TOELT, die werd verricht door taalanalist KIR1, dan aan de taalanalyse die is verricht door de door haar ingeschakelde deskundige. Taalanalist KIR1 beheerste het Kirundu en het Kinyarwanda, maar niet het Munyamulenge van [appellante]. Daarom kon hij niet concluderen dat [appellante] door haar Munyamulenge eenduidig niet herleidbaar is tot de DRC. De minister mocht deze conclusie daarom niet betrekken bij zijn besluit.
4.1. Zoals onder 2 is overwogen, heeft de Afdeling in de uitspraak van 6 maart 2024 al geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er twijfels zijn aan de identiteit en nationaliteit van [appellante] en dat hij dit deugdelijk heeft gemotiveerd door te wijzen op de bevindingen uit de rapporten van TOELT. Dit oordeel is met de uitspraak van de Afdeling in rechte vast komen te staan. Dit betekent dat in beroep tegen het besluit van 11 juli 2024 van de juistheid van dit eerder door de Afdeling gegeven oordeel moet worden uitgegaan. De Afdeling kan niet van dit oordeel terugkomen, behalve in zeer uitzonderlijke gevallen. Van een zeer uitzonderlijk geval is in dit geval geen sprake. Wat [appellante] ter motivering van deze beroepsgrond heeft aangevoerd is namelijk zo goed als een herhaling van wat zij heeft aangevoerd in het hoger beroep dat heeft geleid tot de uitspraak van 6 maart 2024. In dit beroep kan de vraag of de minister de taalanalyse van TOELT bij zijn beoordeling mocht betrekken dan ook niet meer aan de orde komen.
4.2. Het betoog slaagt niet.
Afgifte van het paspoort
5. Verder betoogt [appellante] dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij een groter gewicht toekent aan de conclusies van de taalanalist van TOELT dan aan het door Bureau Documenten echt en authentiek bevonden paspoort. Zij voert aan dat niet haar taal, maar de inschrijving en erkenning van haar nationaliteit door de autoriteiten van het land van herkomst bepalend moet zijn. Ook betoogt [appellante] dat het standpunt van de minister berust op een drogredenering, omdat de minister bij personen met de Nederlandse nationaliteit die de Nederlandse taal niet goed beheersen, de wijze van verkrijging van het paspoort niet in twijfel trekt. Ten slotte wijst zij erop dat zij op de dag van de hoorzitting ziek was en dat zij daarom niet aanwezig was.
5.1. In de uitspraak van 6 maart 2024 heeft de Afdeling de minister de opdracht gegeven om een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van wat zij in die uitspraak heeft overwogen. Onder 6 van die uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister ten onrechte heeft volstaan met het standpunt dat hij niet heeft kunnen vaststellen of het paspoort bevoegd is opgemaakt en afgegeven en dat het document inhoudelijk juist is.
Met het nieuwe besluit op bezwaar van 11 juli 2024 heeft de minister deugdelijk gemotiveerd dat hij niet kan vaststellen dat er een deugdelijk identificatieproces heeft plaatsgevonden voorafgaand aan de afgifte van het paspoort. Hij heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat er brondocumenten ten grondslag hebben gelegen aan de afgifte van het paspoort en, als dat wel zo zou zijn geweest, welke brondocumenten dat dan waren. Verder heeft zij geen geboorteakte overgelegd of aannemelijk gemaakt dat die bestaat en heeft zij niet verduidelijkt of dit haar eerste paspoort was. Ook heeft zij niet verduidelijkt hoe het paspoort is afgegeven. Zij heeft alleen verklaard dat zij een vingerafdruk moest afgeven, dat zij een formulier heeft ingevuld en dat zij verdere gegevens heeft afgegeven. Tot slot heeft de minister erop gewezen dat [appellante] zonder voorafgaande melding en toelichting niet is verschenen op de hoorzitting en dat haar gemachtigde ermee heeft ingestemd om geen nieuwe hoorzitting in te plannen, waardoor zij geen verdere vragen heeft kunnen beantwoorden.
[appellante] is met wat zij in beroep aanvoert niet ingegaan op de motivering van de minister waarom volgens hem geen deugdelijk identificatieproces heeft plaatsgevonden. De minister heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat [appellante] de gerezen twijfel over haar identiteit en nationaliteit niet heeft weggenomen met het paspoort.
5.2. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.V.T.K. Oei, griffier.
w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Oei
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026
670-1174