202501825/1/A2.
Datum uitspraak: 8 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Breda,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 februari 2025 in zaak nr. 24/1766 en 24/3083 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Breda.
Procesverloop
Bij besluit van 12 juli 2023 heeft het college, door het plaatsen en verwijderen van verkeersborden, vanaf het Zandbergplein richting de Zandbergweg éénrichtingsverkeer ingesteld en het éénrichtingsverkeer tussen de Maanstraat en de Komeetstraat opgeheven.
Bij besluit van 9 januari 2024 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 februari 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 12 februari 2026, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. R.A.M. van Loon, P.J.M. Beerens en T. Degirmenci, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
Inleiding
2. [appellant] woont op de Zandbergweg in Breda. Naar aanleiding van de herinrichting van het Zandbergplein, dat ligt tussen de Zandbergweg, de Maanstraat, de Zonstraat en de Komeetstraat, heeft het college een verkeersbesluit genomen. [appellant] vreest aantasting van zijn leefomgeving en de (verkeers)veiligheid.
Besluitvorming
3. Het college heeft in het verkeersbesluit "Gewijzigde verkeerssituatie op een gedeelte van het Zandbergplein te Breda" vanaf het Zandbergplein richting de Zandbergweg éénrichtingsverkeer ingesteld en het éénrichtingsverkeer tussen de Maanstraat en de Komeetstraat opgeheven. In het verkeersbesluit, zoals gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 9 januari 2024, heeft het college het standpunt ingenomen dat het vanwege de herinrichting van het Zandbergplein gewenst is de verkeerssituatie te wijzigen. Zo is er veel overlast door sluipverkeer van de Baronielaan via de Grazendonkstraat en het Zandbergplein naar de Ginnekenweg en andersom. Dat tast het woon- en leefklimaat van het Zandbergplein aan. Daarnaast wordt er op het gedeelte vanaf het Zandbergplein richting de Zandbergweg op de trottoirs geparkeerd, waardoor onoverzichtelijke situaties ontstaan en de bruikbaarheid van de trottoirs wordt belemmerd. Hoewel het mogelijk is dat sommige weggebruikers en omwonenden het éénrichtingsverkeer als ongemak ervaren, omdat niet altijd de kortste route kan worden gereden, is de extra rijafstand en rijtijd beperkt. Daar staat tegenover dat door het éénrichtingsverkeer een rustiger en overzichtelijker verkeersbeeld ontstaat voor motorvoertuigen, wat bijdraagt aan de verkeersveiligheid en zorgt voor een beter woon- en leefklimaat, aldus het college.
Uitspraak van de rechtbank
4. De rechtbank heeft, voor zover relevant, geoordeeld dat het college niet de absolute noodzaak van de verkeersmaatregelen hoeft aan te tonen, zoals de aanwezigheid van sluipverkeer en de effectiviteit van het instellen van éénrichtingsverkeer daarop. Het college mocht dus, gelet op de beleidsruimte, besluiten éénrichtingsverkeer in te stellen. Hierbij mocht het college de belangen van de leefbaarheid en veiligheid van de wijk zwaarder laten wegen dan de individuele belangen van de omwonenden die verder moeten rijden om een parkeerplaats te vinden, aldus de rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
5. [appellant] betoogt dat het college niet heeft onderbouwd dat er sluipverkeer is rond het Zandbergplein. In dit kader is de motivering van het college dat de verkeerssituatie op en rondom het Zandbergplein onveilig is niet dragend voor de verkeersmaatregelen. Verder betoogt [appellant] dat hij onevenredig wordt benadeeld door het verkeersbesluit. Door het instellen van éénrichtingsverkeer komt er extra verkeer langs zijn woning. Daarnaast moeten voertuigen die van het Zandbergplein afkomen, waar [appellant] regelmatig parkeert, door het verkeersbesluit eerst de stad in en naar de (drukke) Ginnekenweg, wat leidt tot een onveiligere verkeerssituatie. Dit leidt ertoe dat de leefomgeving, het leefgenot en de (verkeers)veiligheid van [appellant] worden aangetast.
5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, komt het college bij het nemen van een verkeersbesluit beoordelingsruimte toe bij de uitleg van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994) genoemde begrippen. Afhankelijk van de beroepsgronden gaat de bestuursrechter in op de vraag of de manier waarop het college van die beoordelingsruimte gebruik heeft gemaakt in overeenstemming is met het recht. Daarbij moet de bestuursrechter nagaan of het college redelijkerwijs de beoordelingsruimte op die manier heeft kunnen invullen. Nadat het college heeft vastgesteld welke verkeersbelangen naar zijn oordeel bij het besluit moeten worden betrokken, moet hij die belangen tegen elkaar afwegen. Bij die afweging heeft het bestuursorgaan beleidsruimte. De bestuursrechter gaat niet na of hij in het concrete geval tot hetzelfde besluit zou zijn gekomen. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van het verkeersbesluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen (artikel 3:4, tweede lid, van de Awb). Daarbij geldt dat het bestuursorgaan niet de absolute noodzaak van een verkeersbesluit hoeft aan te tonen. Voldoende is dat met het verkeersbesluit de eraan ten grondslag gelegde belangen, bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw 1994, worden gediend en dat inzichtelijk is gemaakt op welke wijze deze belangen tegen elkaar zijn afgewogen (zie de uitspraak van de Afdeling van 6 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4493).
5.2. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college zich in het besluit van 12 juli 2023 redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat het instellen van éénrichtingsverkeer vanaf het Zandbergplein richting de Zandbergweg noodzakelijk is voor het verzekeren van de veiligheid op de weg en het beschermen van weggebruikers en passagiers op en rondom het Zandbergplein. Het college heeft toegelicht dat éénrichtingsverkeer is ingesteld vanwege signalen over sluipverkeer van bewoners rondom het Zandbergplein. Daarbij komt dat het college het sluipverkeer in de buurt van het Zandbergplein wil ontmoedigen om de leefbaarheid en veiligheid van die buurt te bevorderen. Zoals Beerens - een verkeerskundige van het college - op de zitting bij de Afdeling heeft toegelicht, is het een woonbuurt met smalle straten waar de verkeersintensiteit laag is en behoort te zijn. Hierbij is het niet noodzakelijk dat het college met een kentekenonderzoek onderbouwt hoeveel sluipverkeer daadwerkelijk rijdt via het Zandbergplein. Overigens heeft het college wel een algemeen beeld van de verkeersintensiteiten rondom het Zandbergplein. Zo is onder meer in 2018 een parkeeronderzoek uitgevoerd in de wijken Zandberg Oost, Zandberg West en Sportpark in Breda. Verder heeft ook de politie in de voorbereiding van het verkeersbesluit kenbaar gemaakt akkoord te zijn met het te nemen verkeersbesluit. De Afdeling is gelet op het voorgaande van oordeel dat het college voldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom gebruik is gemaakt van de bevoegdheid éénrichtingsverkeer in te stellen.
5.3. Het college heeft zich ook voldoende rekenschap gegeven van de belangen van [appellant]. In het besluit van 12 juli 2023 heeft het college onderkend dat sommige weggebruikers mogelijk ongemak ervaren dat niet altijd de kortste route kan worden gereden. Het college heeft echter de extra rijafstand en rijtijd voor [appellant] minder zwaar laten wegen dan het belang van een rustiger en overzichtelijker verkeersbeeld op het Zandbergplein, wat bijdraagt aan meer veiligheid en een beter woon- en leefklimaat. Daarbij komt dat het college zich in de voorbereiding van het verkeersbesluit voldoende heeft ingespannen om alle betrokken belangen te vergaren, onder meer door het versturen van verschillende nieuwsbrieven over de herinrichting van het Zandbergplein, het verzorgen van informatiebijeenkomsten en het instellen van een werkgroep ter advisering aan het college, bestaande uit buurtbewoners van het Zandbergplein. Dat [appellant] door de titel van het verkeersbesluit geen aanleiding heeft gezien te participeren in het voortraject, kan het college, gezien de verschillende en intensieve communicatiemiddelen, niet worden aangerekend. Het college mocht het belang van het verbeteren van de veiligheid en het woon- en leefklimaat op het Zandbergplein dan ook zwaarder laten wegen dan de individuele belangen van [appellant].
5.4. Gelet op het voorgaande is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat het college het verkeersbesluit van 12 juli 2023 mocht nemen. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
6. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
7. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. N.H. van den Biggelaar, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.T.J. van de Voort, griffier.
w.g. Van den Biggelaar
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Voort
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026
1062
BIJLAGE
WETTELIJK KADER
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Artikel 3:4
1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.
2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Wegenverkeerswet 1994
Artikel 2
1. De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen strekken tot:
a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;
b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;
c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;
d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.
2.De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen voorts strekken tot:
a. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer;
b. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden.
[…].