ECLI:NL:RVS:2026:1940

ECLI:NL:RVS:2026:1940

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 08-04-2026
Datum publicatie 08-04-2026
Zaaknummer 202203530/1/V6
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBZWB:2022:2669

Samenvatting

Op 12 november 2025 heeft [verzoeker] het hoger beroep ingetrokken en tegelijk het verzoek aan de Afdeling gehandhaafd om de minister van Werk en Participatie te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep.

Uitspraak

202203530/1/V6.

Datum uitspraak: 8 april 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op een verzoek om schadevergoeding van:

[verzoeker], wonend in [woonplaats],

verzoeker

Procesverloop

[verzoeker], vertegenwoordigd door mr. M. Shaaban, advocaat in Rotterdam, heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 13 mei 2022 in zaak nr. 20/9038.

Op 12 november 2025 heeft [verzoeker] het hoger beroep ingetrokken en tegelijk het verzoek aan de Afdeling gehandhaafd om de minister van Werk en Participatie te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn.

[verzoeker] heeft binnen de gestelde termijn van twee weken niet verklaard gebruik te willen maken van het recht op een zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.

Overwegingen

1. [verzoeker] heeft een verzoek gedaan om schadevergoeding, omdat de redelijke termijn volgens hem is overschreden.

1.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep.

1.2. De redelijke termijn begint in niet-punitieve zaken op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. In zaken waarin het gaat om een bestraffende sanctie, begint deze termijn in de regel met de boetekennisgeving. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 9 december 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK5859, onder 2.8.1 en 2.8.2. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 18 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3853, onder 12.8, eindigt de in aanmerking te nemen termijn onder meer door een besluit waarmee volledig tegemoet wordt gekomen aan het hoger beroep van een appellant als vaststaat dat de appellant geen belang meer heeft bij de behandeling van het hoger beroep en er door het tegemoetkomende besluit geen beroep van rechtswege door een derde is ontstaan.

1.3. In deze zaak ging het over een besluit waarin de minister [verzoeker] een boete had opgelegd en had bepaald dat [verzoeker] de lening die hij had afgesloten, volledig moest terugbetalen. Voor het deel van de procedure over de boete geldt dat de redelijke termijn is begonnen met de boetekennisgeving van 17 september 2019. De redelijke termijn is in het deel van de procedure over de lening gestart met de ontvangst van het bezwaarschrift van [verzoeker] door de minister op 22 maart 2020. De redelijke termijn is in beide gevallen geëindigd met het besluit van 27 augustus 2025, waarin de minister volledig is tegemoetgekomen aan het hoger beroep van [verzoeker]. Daarmee hebben de delen van de procedure ongeveer vijf jaar en elf maanden en vijf jaar en vijf maanden geduurd.

De Afdeling zal voor de berekening van de redelijke termijn de tijd die gemoeid is geweest met het afwachten van de beantwoording van prejudiciële vragen die zij in een vergelijkbare andere zaak heeft gesteld, buiten beschouwing laten. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188, onder 4.7 en 4.7.1. Voor deze zaak betekent dit dat de periode tussen 7 februari 2023, de dag waarop de Afdeling partijen schriftelijk in kennis heeft gesteld van haar beslissing om de zaak aan te houden, en 4 februari 2025, de dag waarop het Hof van Justitie de prejudiciële vragen heeft beantwoord in het arrest Keren, ECLI:EU:C:2025:52, buiten beschouwing blijft. Met aftrek van het afwachten van de prejudiciële procedure van twee jaar, is de redelijke termijn dus niet overschreden.

2. De Afdeling wijst het verzoek om schadevergoeding af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.E. de Ruijter, griffier.

w.g. Van Breda

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. De Ruijter

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026

887

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. A.E. de Ruijter

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?