ECLI:NL:RVS:2026:1944

ECLI:NL:RVS:2026:1944

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 08-04-2026
Datum publicatie 08-04-2026
Zaaknummer 202504587/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 1 juli 2024 heeft de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven aan [appellante] een uitkering van € 5.000,00 uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven (schadefonds) toegekend. Op 7 maart 2024 heeft [appellante] een aanvraag om een uitkering uit het schadefonds ingediend. Ter toelichting van deze aanvraag heeft zij aangevoerd dat zij tussen 1994 en 2014 het slachtoffer is geworden van stelselmatige ernstige mishandeling, waarbij zij is geschopt, geslagen, opgesloten, geen eten kreeg en buiten moest slapen. De CSG heeft [appellante] een uitkering in letselcategorie 3 toegekend. De CSG heeft daartoe In het besluit van 1 juli 2024, onder verwijzing naar de door [appellante] gestelde mishandelingen, uiteengezet dat dit misdrijf op zichzelf zo ernstig is, dat het bijna altijd grote gevolgen voor het slachtoffer heeft en dat er daarom van wordt uitgegaan dat [appellante] door dit geweld ernstig psychisch letsel heeft opgelopen.

Uitspraak

202504587/1/A2.

Datum uitspraak: 8 april 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:

[appellante], wonend in [woonplaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 juli 2025 in zaak nr. 24/9837 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG).

Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2024 heeft de CSG aan [appellante] een uitkering van € 5.000,00 uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven (schadefonds) toegekend.

Bij besluit van 1 oktober 2024 heeft de CSG het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 juli 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.

Overwegingen

1. Deze uitspraak gaat over de hoogte van de aan [appellante] toegekende uitkering uit het schadefonds.

Inleiding

2. Op 7 maart 2024 heeft [appellante] een aanvraag om een uitkering uit het schadefonds ingediend. Ter toelichting van deze aanvraag heeft zij aangevoerd dat zij tussen 1994 en 2014 het slachtoffer is geworden van stelselmatige ernstige mishandeling, waarbij zij is geschopt, geslagen, opgesloten, geen eten kreeg en buiten moest slapen.

Juridisch kader

3. In artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (Wsg) is bepaald dat uit het schadefonds uitkeringen kunnen worden gedaan aan eenieder die ten gevolge van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft bekomen.

4. De CSG heeft bij het nemen van een beslissing op een aanvraag om een uitkering als bedoeld in artikel 3 van de Wsg beslissingsruimte. De CSG maakt hierbij gebruik van beleidsregels die zijn neergelegd in de Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven en de Letsellijst. In de Letsellijst zijn zes letselcategorieën vermeld, waarbij als uitgangspunt wordt gehanteerd: hoe ernstiger het letsel, hoe hoger de categorie en hoe hoger de tegemoetkoming.

Standpunten van partijen

5. De CSG heeft [appellante] een uitkering in letselcategorie 3 toegekend. De CSG heeft daartoe In het besluit van 1 juli 2024, onder verwijzing naar de door [appellante] gestelde mishandelingen, uiteengezet dat dit misdrijf op zichzelf zo ernstig is, dat het bijna altijd grote gevolgen voor het slachtoffer heeft en dat er daarom van wordt uitgegaan dat [appellante] door dit geweld ernstig psychisch letsel heeft opgelopen. Verder is in dit besluit vermeld dat een geweldsmisdrijf pijn en verdriet veroorzaakt, dat de toegekende uitkering dat niet wegneemt, dat de uitkering vooral bedoeld is als erkenning dat [appellante] slachtoffer van een misdrijf is en dat de CSG hoopt dat [appellante] zich door deze uitkering gesteund voelt.

6. [appellante] vindt dat een uitkering in letselcategorie 4 meer passend is in haar situatie.

7. In geschil is of de rechtbank terecht heeft overwogen dat de CSG zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het door [appellante] ondervonden letsel valt in letselcategorie 3 van de Letsellijst.

Uitspraak van de rechtbank

8. De rechtbank heeft onder meer de volgende overwegingen aan haar oordeel ten grondslag gelegd.

Het beleid, zoals opgenomen in de Beleidsbundel en de Letsellijst, is niet kennelijk onredelijk. De CSG mocht dus uitgaan van dat beleid.

Volgens het beleid wordt een uitkering in letselcategorie 4 verleend bij een diagnose door een hulpverlener die bevoegd en bekwaam is om een diagnose te stellen ten aanzien van psychisch letsel en behandeltrajecten die leiden tot langdurige (vooralsnog) tijdelijke afhankelijkheid. Hierbij gaat het om afhankelijkheid in de dagelijkse levensverrichtingen. Dit zijn de dagelijks terugkerende dingen die iemand moet kunnen doen om zelfstandig te leven.

[appellante] heeft geen objectieve informatie overgelegd waaruit blijkt dat zij langdurig (vooralsnog) tijdelijk afhankelijk is als gevolg van het geweldsmisdrijf.

Hoger beroep

9. [appellante] betoogt dat zij erkenning wil conform letselcategorie 4 voor de nagenoeg dagelijkse aard van het geweld tot haar achttiende levensjaar. Hierbij benadrukt zij dat het haar primair te doen is om de erkenning van het blijvende psychische letsel en niet om het geld.

9.1. Niet in geschil is dat [appellante] jarenlang is mishandeld en dat zij daaraan psychisch letsel heeft overgehouden. De CSG heeft daarom een uitkering uit het schadefonds toegekend.

[appellante] betwist in hoger beroep niet dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, zij niet met objectieve informatie aannemelijk heeft gemaakt dat zij langdurig (vooralsnog) tijdelijk afhankelijk is als gevolg van het geweldsmisdrijf. Dat betekent dat zij op grond van het beleid geen aanspraak kan maken op een uitkering in letselcategorie 4. De rechtbank is dan ook terecht tot de conclusie gekomen dat de CSG zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het door [appellante] ondervonden letsel in letselcategorie 3 van de Letsellijst valt.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

10. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

11. De CSG hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.

w.g. Van Ravels

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Hazen

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026

452-1190

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. R.J.R. Hazen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?