202503638/1/A2.
Datum uitspraak: 8 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
Stichting Platform Keelbos, gevestigd in Nuth, gemeente Beekdaelen,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 16 mei 2025 in zaak nr. 24/823 en 24/3366 in het geding tussen:
de Stichting
en
het college van burgemeester en wethouders van Aa en Hunze.
Procesverloop
Bij besluit van 25 oktober 2023 heeft het college een handhavingsverzoek van de Stichting niet in behandeling genomen.
Bij besluit van 27 juni 2024 heeft het college het door de Stichting daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij besluiten van 12 januari 2024 heeft het college twee verzoeken tot handhaving van de Stichting niet in behandeling genomen.
Tegen de besluiten van 12 januari 2024 heeft de Stichting met toepassing van artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en met instemming van het college rechtstreeks beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 16 mei 2025 heeft de rechtbank de door de Stichting ingestelde beroepen tegen de besluiten van 12 januari 2024 en 27 juni 2024 ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de Stichting hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 24 maart 2026, waar de Stichting, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], en het college, vertegenwoordigd door mr. J.H. Reitsema, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
Inleiding
2. De Stichting is een belangenbehartiger voor de ontwikkeling van beleid op het terrein van homo/lesbische emancipatie. De Stichting heeft volgens de statuten onder meer als doel te streven naar het open houden van openbare verzorgingsplaatsen, parkeerplaatsen en andere plaatsen zonder voorzieningen en behartigt de belangen van al de bezoekers daarvan (artikel 3, derde lid, van de statuten). Ook heeft de Stichting tot doel het open houden van homo-ontmoetingsplaatsen (hop) en de behartiging van de belangen van de bezoekers van deze plaatsen (artikel 3, negende lid, van de statuten).
3. De Stichting heeft verschillende handhavingsverzoeken ingediend die betrekking hebben op activiteiten die worden uitgevoerd rondom de Grote Moere in Grolloo, waar volgens de Stichting ook een hop is gelegen. Onder meer is verzocht handhavend op te treden tegen het dempen van de plas ‘de Grote Moere’ en de aanleg van een permanente mountainbike-route. De activiteiten zouden volgens de Stichting plaatsvinden zonder dat de uitvoerder daarvan beschikt over de daarvoor noodzakelijke vergunning.
4. In geschil is of de Stichting belanghebbende is bij de verzoeken tot handhaving in de zin van artikel 1:2 van de Awb.
Besluitvorming
5. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de Stichting geen belanghebbende is bij de handhavingsverzoeken. Het belang, genoemd in artikel 3, derde lid, van de statuten is op zichzelf niet voldoende onderscheidend om als belanghebbende te worden aangemerkt. Daarnaast levert ook artikel 3, negende lid, van de statuten geen belang op. Het gebied rond de Grote Moere in Grolloo is gedurende een periode wel een hop geweest, maar is dit sinds 2014 niet meer. Dit volgt onder meer uit de verklaring van twee personen die al jaren wonen en werken in dat gebied. Daarnaast heeft het college geen klachten of meldingen van overlast meer over dat gebied binnengekregen. Ook acht het college van belang dat de Stichting zelf tijdens een eerdere hoorzitting inzake een ander handhavingsverzoek heeft aangegeven dat het gebied door het daar geldende parkeerverbod al jarenlang niet in gebruik is als hop en dat het gebied niet als hop op de website van de Stichting staat.
Uitspraak van de rechtbank
6. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de Stichting terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De Stichting is geen belanghebbende op grond van artikel 3, negende lid, van de statuten. Er zijn onvoldoende aanwijzingen dat er nog sprake is van een hop op de Grote Moere, waardoor de acties van de Stichting ook niet gericht kunnen zijn op het openhouden daarvan. De rechtbank acht daarvoor van belang dat vanuit de gemeente en omwonenden is verklaard dat er geen activiteiten meer plaatsvinden. Ook heeft de Stichting zelf verklaard dat het aantal ontmoetingen sterk is verminderd sinds het instellen van een parkeerverbod in 2014. Ook wordt de locatie niet meer als hop vermeld op de website van de Stichting. Verder is niet gebleken op welke manier die plek zich onderscheidt van enige andere plek in de natuur waar mannen naar toe zouden kunnen gaan om elkaar te ontmoeten, aldus de rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
7. De Stichting betoogt dat zij ten onrechte niet als belanghebbende is aangemerkt. Het gebied bij de Grote Moere met het aangrenzende bos is al decennia lang in medegebruik als hop. Dit is algemeen bekend en volgt onder meer uit beelden van 1 april 2014. Nu de Stichting ernaar streeft het mede gebruik als hop te continueren en te herstellen, en de besluitvorming in deze procedure daarmee verband houdt, moet de Stichting als belanghebbende worden aangemerkt.
7.1. Voor het antwoord op de vraag of een rechtspersoon die opkomt voor een algemeen belang belanghebbende is bij een besluit, zijn de statutaire doelstelling en de feitelijke werkzaamheden van die rechtspersoon bepalend (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3435, onder 2.1).
7.2. De Afdeling heeft eerder uitspraken gedaan in zaken waarbij de Stichting appellante was. Daarin is geoordeeld dat het belang, genoemd in artikel 3, derde lid, van de statuten op zichzelf niet voldoende onderscheidend is om als belanghebbende te worden aangemerkt (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 8 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2031, onder 5.5). De Stichting kan dus niet op grond van artikel 3, derde lid, van de statuten worden aangemerkt als belanghebbende bij de handhavingsverzoeken.
7.3. Over het belang dat de Stichting behartigt, genoemd in het negende lid van artikel 3 van de statuten, overweegt de Afdeling als volgt. De Afdeling heeft eerder geoordeeld dat de Stichting feitelijke werkzaamheden uitvoert met betrekking tot voornoemde statutaire doelstelling (zie de uitspraak van de Afdeling van 15 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:393, onder 2.5-2.6). Verder heeft het college op de zitting bij de Afdeling erkend dat, als wordt aangenomen dat op de Grote Moere een hop aanwezig is, de belangen van de Stichting rechtstreeks door de besluitvorming worden geraakt als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Het geschil spitst zich dus toe op de vraag of er bij de Grote Moere nog een hop ter plaatse is.
7.4. Vaststaat dat er in 2014 nog een hop aanwezig was op de Grote Moere. Het college stelt zich op het standpunt dat de hop echter is verdwenen, wat onder meer wordt onderschreven door de verklaring van twee omwonenden. In recente jaren hebben recreanten en omwonenden ook bijna geen meldingen meer ingediend van aan de hop gerelateerde overlast.
7.5. De Afdeling overweegt dat het voor de Stichting moeilijk is om de aanwezigheid van een hop te onderbouwen. Een hop heeft een heimelijk karakter: bezoekers daarvan maken anoniem gebruik van de plek en handelingen gebeuren in het geheim en op beschutte plaatsen. Daarom is het voor de Stichting niet concreet vast te stellen of en hoeveel bezoekers nog van de hop gebruik maken. Zij moet zich daarvoor baseren op signalen en gesprekken met personen ter plaatse die kenbaar maken gebruik te (willen) maken van de hop. De Stichting stelt deze signalen van gebruik nog wel te ontvangen over de hop bij de Grote Moere. Zij heeft daartoe ook gewezen op verschillende websites, waar uit bijdragen van (anonieme) bezoekers op het desbetreffende forum blijkt dat de hop bij de Grote Moere nog wordt bezocht. Onder deze feiten en omstandigheden acht de Afdeling de motivering van het college, dat uit het ontbreken van meldingen van overlast kan worden afgeleid dat de hop niet meer wordt gebruikt, onvoldoende dragend voor de conclusie dat de hop is verdwenen.
7.6. De Afdeling overweegt verder dat de eerdere verklaring van de Stichting over de hop, niet ten grondslag kan worden gelegd aan de conclusie dat de hop is verdwenen. Weliswaar heeft de Stichting bij een eerdere hoorzitting van de Commissie van advies voor de bezwaarschriften (de commissie) verklaard dat door het parkeerverbod de locatie niet kan worden gebruikt als hop, maar bij de hoorzitting van de commissie in deze procedure en op de zitting bij de Afdeling, heeft zij verklaard dat die verklaring te scherp is geformuleerd. Volgens de Stichting hebben verschillende maatregelen, zoals het parkeerverbod, de mountainbike-route en afrastering van het gebied, het gebruik van de locatie als hop bemoeilijkt. Dat het gebruik door de verschillende maatregelen is afgenomen, betekent echter niet dat de hop is verdwenen; er is volgens haar wel degelijk een hop ter plaatse. Verder heeft de Stichting op de zitting bij de Afdeling verklaard dat op haar website in het geheel geen locatie van een hop is vermeld. Dat de hop bij de Grote Moere niet op haar website is vermeld, is dus geen aanwijzing voor de afwezigheid van die hop. Ook dit argument kan dus niet aan de conclusie van het college ten grondslag worden gelegd.
7.7. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat de hop sinds april 2014 is verdwenen. Niet is uitgesloten dat de locatie bij de Grote Moere nog als hop in gebruik is. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Dit betekent dat de Stichting, gelet op artikel 3, negende lid, van de statuten en hetgeen onder 7.3 is overwogen, belanghebbende is bij de handhavingsverzoeken. De activiteiten waarop de handhavingsverzoeken betrekking hebben, zoals de aanwezigheid van een mountainbike-route of het dempen van de plas en bouwen van een stuw, zorgen er namelijk voor dat de hop minder aantrekkelijk wordt, en uiteindelijk zou kunnen verdwijnen. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte niet onderkend dat het college de Stichting ontvankelijk had moeten verklaren in haar bezwaar en de handhavingsverzoeken in behandeling had moeten nemen.
Conclusie
8. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling zal het beroep gegrond verklaren en de twee besluiten van 12 januari 2024 en het besluit van 27 juni 2024 vanwege schending van artikel 1:2, derde lid, van de Awb vernietigen. In die besluiten heeft het college de Stichting ten onrechte niet als belanghebbende aangemerkt. De Afdeling draagt het college op om binnen zes weken een nieuw besluit op het bezwaar tegen het besluit van 25 oktober 2023 en de handhavingsverzoeken van 24 oktober 2023 en 30 oktober 2023 te nemen, met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.
Proceskosten
9. Het college moet de proceskosten in beroep en hoger beroep vergoeden, bestaande uit een forfaitair bedrag voor de reis- en verletkosten van de Stichting voor het bijwonen van de zitting in beroep en hoger beroep.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 16 mei 2025 in zaak nr. 24/823 en 24/3366;
III. verklaart de beroepen gegrond;
IV. vernietigt de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Aa en Hunze van 27 juni 2024, kenmerk 2023-021321, 12 januari 2024, kenmerk 2023-021050 en 12 januari 2024, kenmerk 2023-021318;
V. draagt het college van burgemeester en wethouders van Aa en Hunze op om binnen zes weken na verzending deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen nieuwe besluiten te nemen op de verzoeken tot handhaving van 24 oktober 2023 en 30 oktober 2023 en op het bezwaar tegen het besluit van 25 oktober 2023, kenmerk 2023-016416;
VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Aa en Hunze tot vergoeding van bij Stichting Platform Keelbos in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 219,59;
VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Aa en Hunze aan Stichting Platform Keelbos het door haar voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 950,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J. Schipper-Spanninga, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.T.J. van de Voort, griffier.
w.g. Schipper-Spanninga
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Voort
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026
1062
BIJLAGE - WETTELIJK KADER
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 1:2
1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
[…].
3. Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.
Artikel 1:3
[…].
3. Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.