ECLI:NL:RVS:2026:1951

ECLI:NL:RVS:2026:1951

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 08-04-2026
Datum publicatie 08-04-2026
Zaaknummer 202205256/1/R2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 15 mei 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen zijn mondelinge beslissing op 14 mei 2020 om [appellant] te gelasten de plaatsing van een woonwagen op het perceel [perceel] in Sittard (het perceel) te staken en gestaakt te houden, op schrift gesteld en aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd. Als [appellant] de plaatsing van de woonwagen niet staakt, verbeurt hij een dwangsom van € 10.000,- ineens. Op 11 mei 2020 heeft het college [appellant] gewaarschuwd dat hij op het perceel geen woonwagen mag plaatsen, omdat daarvoor een omgevingsvergunning nodig is. Op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied Sittard" (het bestemmingsplan) geldt voor het perceel de bestemming "Natuur". Binnen deze bestemming is het plaatsen van een woonwagen niet toegestaan. Op 14 mei 2020 heeft [appellant] het eerste gedeelte van de woonwagen zonder omgevingsvergunning laten plaatsen. Op diezelfde dag heeft het college aan [appellant] mondeling een bouwstop opgelegd. Het tweede gedeelte van de woonwagen heeft [appellant] daarom wel geplaatst, maar niet aan het eerste gedeelte laten verbinden.

Uitspraak

202205256/1/R2.

Datum uitspraak: 8 april 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Sittard, gemeente Sittard-Geleen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 8 juli 2022 in zaken nrs. 20/3103 en 20/3104 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen.

Procesverloop

Bij besluit van 15 mei 2020 heeft het college zijn mondelinge beslissing op 14 mei 2020 om [appellant] te gelasten de plaatsing van een woonwagen op het perceel [perceel] in Sittard (het perceel) te staken en gestaakt te houden, op schrift gesteld en aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd. Als [appellant] de plaatsing van de woonwagen niet staakt, verbeurt hij een dwangsom van € 10.000,- ineens.

Bij besluit van 20 november 2020 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 juli 2022 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.

Bij besluit van 15 mei 2020 heeft college zijn mondelinge beslissing op 14 mei 2020 om [appellant] te gelasten de plaatsing van een woonwagen op het perceel te staken en gestaakt te houden, op schrift gesteld, en aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2. Op 11 mei 2020 heeft het college [appellant] gewaarschuwd dat hij op het perceel geen woonwagen mag plaatsen, omdat daarvoor een omgevingsvergunning nodig is. Op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied Sittard" (het bestemmingsplan) geldt voor het perceel de bestemming "Natuur". Binnen deze bestemming is het plaatsen van een woonwagen niet toegestaan.

3. Op 14 mei 2020 heeft [appellant] het eerste gedeelte van de woonwagen zonder omgevingsvergunning laten plaatsen. Op diezelfde dag heeft het college aan [appellant] mondeling een bouwstop opgelegd. Het tweede gedeelte van de woonwagen heeft [appellant] daarom wel geplaatst, maar niet aan het eerste gedeelte laten verbinden. Ook de plaatsing van het sanitair is vanwege de bouwstop niet gebeurd. Op 15 mei 2020 heeft het college de bouwstop schriftelijk bevestigd en een last onder dwangsom opgelegd.

4. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Uitspraak van de rechtbank

5. De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan het college had moeten afzien van handhaving. Wat [appellant] heeft aangevoerd over uitzetting, het recht op gelijke behandeling, het verbod op discriminatie en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (het EVRM) gaat vooral over hoe hij zich bejegend voelt door het college. Bovendien is aan [appellant] een andere standplaats toegewezen. Op grond van deze omstandigheden hoefde het college niet af te zien van handhaving.

Bezwaar herhaald en ingelast

6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet op de bezwaargronden is ingegaan die volgens hem als herhaald en ingelast hadden moeten worden beschouwd.

6.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de enkele verwijzing naar zijn bezwaargronden niet kan leiden tot vernietiging van het besluit van 20 november 2020, omdat in het advies van de bezwaarschriftencommissie, dat is overgenomen in het besluit van 20 november 2020, al uitgebreid op deze gronden is ingegaan en [appellant] geen redenen heeft gegeven waarom dit advies onjuist is.

Het betoog slaagt niet.

Bijzondere omstandigheden

7. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er geen bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan het college had moeten afzien van handhaving.

Volgens [appellant] heeft het college een inspanningsverplichting om in veilige, passende en betaalbare huisvesting te voorzien, waarbij ook rekening moet worden gehouden met de culturele identiteit van de woningzoekenden. Handhaving leidt ertoe dat hij niet kan samenleven met de rest van zijn familie, terwijl het wonen als groep in onderlinge verbondenheid juist behoort tot de culturele identiteit van reizigers. Door het handhavende optreden wordt het recht op bescherming van zijn privé- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM en het verbod op discriminatie in de zin van artikel 7a van de Algemene wet gelijke behandeling (de Awgb) geschonden. Hij verwijst ter onderbouwing naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 oktober 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:7779. Ook verwijst hij naar de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 9 april 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:1192. De alternatieve standplaats die door het college aan [appellant] is toegewezen, kan deze schending niet ondervangen. Het college had in deze omstandigheid daarom aanleiding moeten zien om af te zien van handhaving.

Daarnaast wordt in de gemeente Sittard-Geleen onvoldoende rekening gehouden met de woonbehoeften van reizigers. Binnen de gemeente is namelijk geen beleid vastgesteld over de huisvesting van reizigers. Dat is niet in overeenstemming met het Beleidskader gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van juli 2018 (het beleidskader). [appellant] verwijst ter onderbouwing naar het oordeel van het College voor de Rechten van de Mens van 7 december 2020. Het college had deze omstandigheid moeten betrekking in de besluitvorming en het college had ook daarin aanleiding moeten zien om af te zien van handhaving.

7.1. Gelet op het bovenstaande zal de Afdeling beoordelen of de door [appellant] gestelde schendingen van artikel 8 van het EVRM en artikel 7a van de Awgb omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het college daarin, gelet op het evenredigheidsbeginsel, aanleiding had moeten zien om af te zien van handhaving.

7.2. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, geldt bij handhavingsbesluiten bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak (uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285). Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan.

Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is.

Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.

7.3. Inmenging in een van de in artikel 8, eerste lid, van het EVRM beschermde rechten is op grond van het tweede lid gerechtvaardigd, als deze bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van een of meer in dit lid genoemde legitieme doelen. In dat kader moet een evenwichtige afweging hebben plaatsgevonden tussen de belangen van het individu enerzijds en die van de gemeenschap als geheel anderzijds. Voor zover de bouwstop en de last onder dwangsom kunnen worden aangemerkt als een inmenging in een van de rechten als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM, is deze inmenging bij wet voorzien in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, in samenhang gelezen met de artikelen 5.1 en 5.2, eerste lid, onder a, van de Wabo, artikel 7.1, eerste en tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening, artikel 125, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet en artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De Afdeling verwijst ter vergelijking naar haar uitspraak van 24 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1484, onder 4.2. Ook is de inmenging noodzakelijk in het belang van het economisch welzijn van het land. De Afdeling verwijst ter vergelijking naar haar uitspraak van 8 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1904, onder 6.3. In de omstandigheid dat het wonen als groep in onderlinge verbondenheid tot de culturele identiteit van reizigers zoals [appellant] behoort, hoefde het college geen aanleiding te zien om af te zien van handhaving. Daarbij is relevant dat het college aan [appellant] een standplaats aan de oostkant van de Tudderenderweg heeft toegewezen, waar hij zijn woonwagen wel mag plaatsen. Deze standplaats ligt op een paar honderd meter afstand van de standplaatsen van zijn familieleden. Uit de dossierstukken leidt de Afdeling bovendien af dat het college op die locatie meerdere standplaatsen aan [appellant] en zijn familie heeft aangeboden. Ook is niet gebleken dat de bouwstop en de last onder dwangsom zijn gericht op de verkleining van woonwagenlocaties in de gemeente, zoals dat in de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 oktober 2019 wel het geval was. De uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 9 april 2024 leidt niet tot een ander oordeel, omdat deze civielrechtelijke uitspraak gaat over de ontruiming van de woonwagen, waarvoor een ander toetsingskader geldt. Voor zover op het college een positieve verplichting rust om [appellant] te faciliteren in zijn manier van leven als reiziger, strekt die verplichting niet zover dat het college [appellant] bij het plaatsen en in gebruik nemen van de woonwagen niet aan de regels van het bestemmingsplan mag houden.

7.4. Daargelaten de vraag of artikel 7a van de Awgb op deze situatie van toepassing is, staat ook dit artikel er niet aan in de weg dat het college mocht overgaan tot handhaving. Dit alleen al, omdat het handhavende optreden is gebaseerd op de omstandigheid dat het plaatsen van een woonwagen op het perceel in strijd is met het bestemmingsplan, dat voor een ieder geldt.

7.5. Ook in de omstandigheid dat er volgens [appellant] in de gemeente Sittard-Geleen onvoldoende rekening wordt gehouden met de woonbehoeften van reizigers, hoefde het college geen aanleiding te zien om af te zien van handhaving. Daargelaten de vraag of in de gemeente een structurele oplossing voor de woonbehoeften van reizigers ontbreekt, zoals dat volgens het oordeel van het College van de Rechten van de Mens van 7 december 2020 in de gemeente Den Haag het geval was, is dat op zichzelf geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan het college van handhavend optreden zou moeten afzien. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 4 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3011, onder 5.1. Overigens merkt de Afdeling nog op dat de gemeente Sittard-Geleen, naar aanleiding van de vaststelling van het beleidskader, in 2020 is gestart met een woonbehoefteonderzoek naar de woonbehoeften van de reizigers in de gemeente.

7.6. De Afdeling is daarom van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat er geen bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan het college had moeten afzien van handhaving.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

8. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. J.C.A. de Poorter en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Hoekstra, griffier.

w.g. Hoekstra

voorzitter

w.g. Hoekstra

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026

723-1092

Bijlage

Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden

Artikel 8. Recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven

1 Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

2 Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Algemene wet gelijke behandeling

Artikel 7a

1 Onverminderd artikel 7 is onderscheid op grond van ras verboden bij sociale bescherming, daaronder begrepen sociale zekerheid, en sociale voordelen.

2 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen de begrippen sociale bescherming, sociale zekerheid en sociale voordelen, bedoeld in het eerste lid, worden omschreven. De voordracht voor een krachtens de eerste volzin vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J. Hoekstra
  • mr. J.C.A. de Poorter
  • mr. M.J.M. Ristra-Peeters

Griffier

  • mr. M. Hoekstra

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?