ECLI:NL:RVS:2026:1954

ECLI:NL:RVS:2026:1954

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 08-04-2026
Datum publicatie 08-04-2026
Zaaknummer 202406858/1/R3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Bij besluit van 17 september 2024 heeft de raad van de gemeente Hoeksche Waard het bestemmingsplan "Dr. Bossersstraat 11 en Strijensedijk 22 's-Gravendeel" (het bestemmingsplan) vastgesteld. Het bestemmingsplan voorziet in de mogelijkheid om op twee locaties woningbouw te realiseren. Het gaat om 11 woningen, waarvan 8 goedkope huur- of koopwoningen en 3 middeldure koopwoningen, aan de Strijensedijk 22 in ’s-Gravendeel en om 20 sociale huurwoningen aan de Dr. Bossersstraat 11 in ’s-Gravendeel. Aan de Strijensedijk 22 staat nu (nog) een woning met grote schuur. Aan de Dr. Bossersstraat 11 staat het voormalig partycentrum Concordia. [appellant A] en [appellant B] betogen dat het plan leidt tot een onaanvaardbare parkeerdruk bij hun woning. Zij voeren aan dat bij het parkeeronderzoek, waarbij cijfers uit 2022 zijn gebruikt, niet van de juiste data is uitgegaan. Zo wordt een onjuist aantal bestaande parkeerplekken aan de Strijensedijk meegenomen en is de huidige parkeersituatie veranderd ten opzichte van 2022. Verder heeft de raad de door hen aangedragen alternatieven, waaronder het privatiseren van de bestaande parkeerplaatsen voor de [locatie 2] tot en met [locatie 3], het realiseren van een ondergrondse parkeergarage onder de te bouwen woningen aan de Strijensedijk, het opofferen van de bestaande groenstrook voor schuine parkeerplaatsen en het uitbreiden van de bestaande parkeerplaatsen voor de [locatie 4], niet onderzocht en is slechts ongemotiveerd gesteld dat deze alternatieven onwenselijk of financieel niet haalbaar zijn.

Uitspraak

202406858/1/R3.

Datum uitspraak: 8 april 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], wonend in 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Hoeksche Waard,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 17 september 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Dr. Bossersstraat 11 en Strijensedijk 22 's-Gravendeel" (het bestemmingsplan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant A] en [appellant B] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 18 maart 2026, waar [appellant A] en [appellant B], vertegenwoordigd door P.J.M. Gouw, rechtsbijstandverlener, en de raad, vertegenwoordigd door L. Bos en B. Provilij, zijn verschenen. Voorts is op de zitting BAUh Projectontwikkelaars B.V. (BAUh), vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.

2. Het ontwerpplan is op 30 november 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Crisis- en herstelwet (Chw), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Inleiding

3. Het bestemmingsplan voorziet in de mogelijkheid om op twee locaties woningbouw te realiseren. Het gaat om 11 woningen, waarvan 8 goedkope huur- of koopwoningen en 3 middeldure koopwoningen, aan de Strijensedijk 22 in ’s-Gravendeel en om 20 sociale huurwoningen aan de Dr. Bossersstraat 11 in ’s-Gravendeel.

Aan de Strijensedijk 22 staat nu (nog) een woning met grote schuur. Aan de Dr. Bossersstraat 11 staat het voormalig partycentrum Concordia.

BAUh is de ontwikkelaar van de voorziene woningen.

4. [appellant A] en [appellant B] wonen aan de [locatie 1]. Zij vrezen een toename van de parkeerdruk in de omgeving als gevolg van de voorziene ontwikkelingen en vinden dat het bestemmingsplan om die reden in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Beroepsgronden

5. [appellant A] en [appellant B] betogen dat het plan leidt tot een onaanvaardbare parkeerdruk bij hun woning. Zij voeren aan dat bij het parkeeronderzoek, waarbij cijfers uit 2022 zijn gebruikt, niet van de juiste data is uitgegaan. Zo wordt een onjuist aantal bestaande parkeerplekken aan de Strijensedijk meegenomen en is de huidige parkeersituatie veranderd ten opzichte van 2022. Verder heeft de raad de door hen aangedragen alternatieven, waaronder het privatiseren van de bestaande parkeerplaatsen voor de [locatie 2] tot en met [locatie 3], het realiseren van een ondergrondse parkeergarage onder de te bouwen woningen aan de Strijensedijk, het opofferen van de bestaande groenstrook voor schuine parkeerplaatsen en het uitbreiden van de bestaande parkeerplaatsen voor de [locatie 4], niet onderzocht en is slechts ongemotiveerd gesteld dat deze alternatieven onwenselijk of financieel niet haalbaar zijn.

[appellant A] en [appellant B] stellen verder te vrezen dat zij niet alleen niet meer voor hun woning zullen kunnen parkeren, maar ook dat zij op een dusdanig grote afstand van hun woning zullen moeten parkeren dat zij in hun woon- en leefgenot zullen worden geschaad. Volgens [appellant A] en [appellant B] zijn de in de plannen opgenomen richtafstanden dermate groot dat niet kan worden verwacht dat hier ook daadwerkelijk gehoor aan zal worden gegeven door zowel (huidige en toekomstige) bewoners als bezoek.

[appellant A] en [appellant B] wijzen er ten slotte op dat zij op dit moment al parkeerproblemen ervaren. Bij het vaststellen van het bestemmingsplan ‘s-Gravendeel blijkt geen parkeeronderzoek te zijn uitgevoerd. Dat neemt evenwel niet weg dat er sprake is van een huidige parkeerbehoefte in het gebied waar het parkeeronderzoek op ziet dat is uitgevoerd in het kader van het voorliggende bestemmingsplan. De parkeerplekken worden zo als het ware toegeëigend en dubbel in gebruik in genomen. Hoe dit tot elkaar in verhouding staat, blijkt niet uit het bestemmingsplan, aldus [appellant A] en [appellant B].

5.1. De Afdeling stelt voorop dat in artikel 9, lid 9.6, van de planregels is bepaald dat de gronden zoals aangewezen in het bestemmingsplan slechts mogen worden bebouwd of gebruikt onder de voorwaarde dat voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd of gereserveerd en in stand wordt gehouden. Of sprake is van voldoende parkeergelegenheid wordt beoordeeld in het kader van de omgevingsvergunning aan de hand van de ‘Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoeksche Waard houdende regels omtrent parkeernormen’ (de beleidsregel). Als deze beleidsregel gedurende de planperiode wijzigt, wordt de omgevingsvergunning aan het gewijzigde beleid getoetst.

Het voorgaande betekent dat bij de verlening van een omgevingsvergunning zal moeten worden getoetst of in de parkeerbehoefte van het te realiseren bouwplan kan worden voorzien. Mochten [appellant A] en [appellant B] vinden dat er wordt voorzien in onvoldoende parkeergelegenheid, dan kunnen zij rechtsmiddelen aanwenden tegen de omgevingsvergunning.

In het kader van de vaststelling van dit bestemmingsplan moet de raad beoordelen of het aannemelijk is dat bij de verlening van de omgevingsvergunning kan worden voorzien in de parkeerbehoefte van de nieuwe woningen. Daarbij geldt dat het bestemmingsplan geen bestaand parkeertekort hoeft op te lossen. De raad hoeft alleen rekening te houden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van de nieuwe woningen ten opzichte van de al bestaande parkeerbehoefte in de omgeving.

5.2. De parkeerbehoefte van de voorziene ontwikkelingen is in beeld gebracht in het memo ‘Parkeren bouwplannen ’s-Gravendeel’ van IV-Infra van 8 mei 2024. In dit memo is uiteengezet dat de parkeerbehoefte voor de 20 woningen aan de Dr. Bossersstraat 11, uitgaande van de CROW-kencijfers, 28 parkeerplaatsen is, waarvan 22 voor bewoners en zes voor bezoekers. De parkeervraag van het oude partycentrum, die neerkomt op minimaal 20 parkeerplaatsen, mag volgens de beleidsregel op de parkeerbehoefte van deze nieuwe ontwikkeling in mindering worden gebracht. Dat betekent dat er voor de 20 nieuwe woningen in twee parkeerplaatsen voor de bewoners moet worden voorzien. Aangezien het nieuwe bouwplan voor deze locatie voorziet in de realisatie van 16 parkeerplaatsen, wordt daarmee volledig in de parkeerbehoefte van bewoners voorzien en ontstaat een overschot van 14 parkeerplaatsen, aldus het memo.

Volgens het memo is de parkeerbehoefte van de ontwikkeling aan de Strijensedijk 22 na aftrek van de huidige parkeervraag afgerond 19 parkeerplaatsen, waarvan 16 voor bewoners. Aangezien op eigen terrein geen ruimte is om de parkeerplaatsen te realiseren, moet de parkeerbehoefte in de directe omgeving opgevangen kunnen worden. Volgens de beleidsregel moet de parkeerbehoefte van bewoners binnen een acceptabele loopafstand van ongeveer 100 meter opgevangen kunnen worden, zonder dat dit tot een te hoge parkeerdruk in de omgeving leidt. Bij het bouwplan aan de Dr. Bossersstraat 11 ontstaat een overschot van 14 parkeerplaatsen. Hiermee kan het grootste deel van de parkeervraag voor bezoekers binnen 100 meter worden opgelost. Er ontstaat een tekort van twee parkeerplaatsen voor bewoners. Omdat uit parkeeronderzoek blijkt dat op het drukste moment de bezettingsgraad van de openbare parkeercapaciteit binnen 100 meter meer dan 80% bedraagt, en in de beleidsregel is vastgelegd dat het mogelijk is een beroep te doen op de openbare ruimte als de parkeerdruk op alle momenten van de week onder de 80% blijft, kan dit tekort niet binnen 100 meter worden opgevangen.

In het memo is ten slotte uiteengezet dat in de beleidsregel is neergelegd dat voor bezoekers een acceptabele loopafstand van 100 tot 200 meter geldt. Uit het parkeeronderzoek blijkt volgens het memo dat er binnen deze loopafstand voldoende parkeercapaciteit in de openbare ruimte is om de parkeervraag van de bezoekers van zowel de Dr. Bossersstraat 11 als de Strijensedijk 22 op te vangen.

5.3. De raad heeft in paragraaf 4.2 van de plantoelichting naar dit memo verwezen. Daarbij heeft de raad erop gewezen dat in de plannen inmiddels twee parkeerplaatsen zijn toegevoegd aan de nieuw te realiseren parkeerplaatsen aan de Dr. Bossersstraat 11. Daarmee zijn er genoeg parkeerplaatsen om de gehele parkeervraag van de bewoners van de nieuwe woningen aan de Strijensedijk op te vangen, aldus de raad.

5.4. Naar het oordeel van de Afdeling bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat aannemelijk is dat bij de verlening van de omgevingsvergunning(en) in de parkeerbehoefte van de voorziene ontwikkelingen kan worden voorzien. Uit het memo van IV-Infra blijkt dat de totale parkeerbehoefte van de nieuwe bewoners van beide ontwikkelingen, na aftrek van de parkeerbehoefte bij de bestaande gebouwen (partycentrum Concordia respectievelijk de woning met schuur), in totaal 18 parkeerplekken is. Aangezien er bij Concordia in totaal 18 parkeerplekken kunnen worden gerealiseerd, kan daarmee volledig in de parkeerbehoefte van de nieuwe bewoners worden voorzien. Uit het memo van IV-Infra blijkt verder dat binnen een loopafstand van 100-200 meter van beide ontwikkelingen voldoende parkeercapaciteit in de openbare ruimte bestaat om in de totale parkeerbehoefte van bezoekers van de nieuw te realiseren woningen, te weten 9 parkeerplaatsen, te voorzien.

De stelling van [appellant A] en [appellant B] dat IV-Infra in het memo alleen zou zijn uitgegaan van de cijfers uit 2022, en niet ook de cijfers uit 2024 heeft betrokken, mist feitelijke grondslag. Uit het memo blijkt dat de tellingen van de parkeercapaciteit in de omgeving van beide ontwikkelingen zowel op verschillende dagen in februari 2022 als op verschillende dagen in april 2024 hebben plaatsgevonden en dat er ten tijde van die tellingen op alle momenten voldoende restparkeercapaciteit was binnen 100-200 meter van beide ontwikkelingen om de parkeerbehoefte van de bezoekers op te vangen. De Afdeling volgt [appellant A] en [appellant B] verder niet in hun stelling dat een onjuist aantal bestaande parkeerplekken aan de Strijensedijk zou zijn meegenomen in de berekening van de parkeercapaciteit in de openbare ruimte. In het memo is uitdrukkelijk uiteengezet dat de bestaande parkeergelegenheid ter hoogte van de Strijensedijk 22 beter geordend kan worden door het met markering aanbrengen van (zes) parkeervakken, maar dat dit geen toename van de parkeercapaciteit betreft. Dit aantal van zes correspondeert met de uitgevoerde parkeertellingen, waaruit kan worden afgeleid dat is uitgegaan van zes parkeerplaatsen die direct tegenover de huidige woning met schuur aan de Strijensedijk 22 zijn gelegen. Daarnaast is in die parkeertellingen nog één parkeerplaats meegenomen die tussen Strijensedijk 22 en [locatie 5] is gelegen alsmede twee parkeerplaatsen die ter hoogte van [locatie 5] zijn gelegen. Dat op deze locaties ten onrechte van in totaal negen parkeerplaatsen, waarvan er zes beter worden geordend, is uitgegaan, hebben [appellant A] en [appellant B] niet onderbouwd.

Uit het memo van IV-Infra blijkt dat voor de loopafstand van 100-200 meter voor bezoekers is uitgegaan van de normen die zijn neergelegd in de beleidsregel voor de situatie ‘binnen bebouwde kom (overig)’. De raad heeft er op gewezen dat dit de maximaal acceptabele loopafstanden zijn en dat met deze loopafstanden is aangesloten bij de loopafstanden die door de CROW worden gehanteerd en acceptabel worden geacht. Voor het oordeel dat de raad in dit geval niet bij deze loopafstanden had mogen aansluiten, bestaat geen aanleiding. De enkele stelling van [appellant A] en [appellant B] dat deze loopafstanden te groot zouden zijn, is in dit kader onvoldoende.

De Afdeling volgt [appellant A] en [appellant B] evenmin in hun betoog dat de raad onvoldoende onderzoek zou hebben gedaan naar de door hen naar voren gebrachte alternatieven en onvoldoende zou hebben gemotiveerd waarom niet voor (één van) die alternatieven is gekozen. De raad heeft uiteengezet dat een ondergrondse parkeergarage een te grote financiële druk op de te realiseren woningen legt, nu het plan voornamelijk woningen in het goedkope huur- en koopsegment betreft. Verder heeft de raad uiteengezet dat in de openbare ruimte geen privéparkeerplaatsen worden aangewezen, met uitzondering van gehandicaptenparkeerplaatsen, en dat de beperkte wegbreedte, draaicirkels en het verdwijnen van groen aan realisatie van de andere alternatieven in de weg staan. Ook heeft de raad erop gewezen dat het huidige plan voorziet in voldoende parkeergelegenheid en dat uit de parkeerdrukcijfers volgt dat de parkeerdruk in de omliggende straten niet zodanig hoog is dat [appellant A] en [appellant B] door dit plan onevenredig worden benadeeld. Hiermee heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling voldoende gemotiveerd dat en waarom niet voor de door [appellant A] en [appellant B] aangedragen alternatieven is gekozen.

Voor zover [appellant A] en [appellant B] hebben gesteld dat er nu al parkeerproblemen in hun wijk zijn, geldt dat, zoals hiervoor onder 5.1 is overwogen, het bestemmingsplan geen bestaand parkeertekort hoeft op te lossen. Aangezien, ten slotte, de parkeerbehoefte van de bewoners van de nieuw te bouwen woningen volledig kan worden opgevangen door de realisatie van nieuwe parkeerplekken en voor de parkeerbehoefte van bezoekers van die woningen is gekeken naar vrije parkeerplaatsen in de openbare ruimte, is van het door [appellant A] en [appellant B] gestelde dubbele gebruik van bestaande parkeerplaatsen geen sprake.

5.5. Het betoog slaagt niet.

6. [appellant A] en [appellant B] stellen ten slotte dat zij zich niet gehoord voelen en niet zijn betrokken bij de vaststelling van het bestemmingsplan, terwijl deze plannen van invloed zijn op hun woon- en leefklimaat. In het vastgestelde bestemmingsplan is onvoldoende ingegaan op de punten die zij in de zienswijze hebben aangevoerd.

6.1. De Afdeling stelt vast dat de raad de in de wet voorgeschreven voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht heeft gevolgd voordat het bestemmingsplan is vastgesteld en dat zowel het ontwerpbestemmingsplan als het vastgestelde bestemmingsplan zes weken ter inzage heeft gelegen. [appellant A] en [appellant B] hebben van de voorbereidingsprocedure gebruikgemaakt en een zienswijze ingediend. De raad heeft op deze zienswijze inhoudelijk gereageerd in de ‘Nota beantwoording zienswijzen’. Dat niet (volledig) tegemoet is gekomen aan de zienswijze, betekent nog niet dat het besluit van 17 september 2024 om die reden onrechtmatig is. Evenmin betekent de omstandigheid dat de zienswijze er niet toe heeft geleid dat is afgezien van de vaststelling van het bestemmingsplan dat de in de zienswijze naar voren gebrachte bezwaren of argumenten niet bij de afweging zijn betrokken. Voor zover [appellant A] en [appellant B] vinden dat zij voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan inspraak hadden moeten hebben, geldt dat het bieden van inspraak voorafgaande aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan geen onderdeel uitmaakt van de in de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Gelet hierop is er geen aanleiding voor het oordeel dat de besluitvorming onzorgvuldig is verlopen.

Het betoog slaagt niet.

7. Voor zover [appellant A] en [appellant B] hebben verzocht om de inhoud van hun zienswijze als herhaald en ingelast in hun beroepschrift te beschouwen, overweegt de Afdeling dat in de nota van zienswijzen is ingegaan op deze zienswijze. [appellant A] en [appellant B] hebben in hun beroepschrift en op de zitting geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de zienswijze, voor zover hiervoor niet besproken, onjuist zou zijn.

Conclusie

8. Het beroep is ongegrond.

9. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Ouwehand, griffier.

w.g. Kaajan

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Ouwehand

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026

752

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. I.S. Ouwehand

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?