202402944/1/R1.
Datum uitspraak: 8 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
Stichting Wijkbelangen Parkwijk-Zuiderpolder, gevestigd in Haarlem,
appellante,
en
de raad van de gemeente Haarlem,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 28 maart 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Domus Plus - Fuikvaartweg" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft de stichting beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De raad heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 4 februari 2026, waar de stichting, vertegenwoordigd door mr. B. Wernik, advocaat in Haarlem, en [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door mr. M. Gayir, advocaat in Haarlem en G.C. Dieben, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
1.1. Het ontwerpplan is op 8 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het plan maakt de bouw van een bijzondere woonzorgvoorziening ter hoogte van de Fuikvaartweg en Nieuweweg in Haarlem mogelijk. Deze woonzorgvoorziening is bedoeld voor het beschermd en begeleid wonen van mensen die lijden aan een psychische stoornis dan wel kampen met een verslaving.
Het plan voorziet daarnaast in een omvorming van het agrarisch bouwperceel met bestaande boerderij aan de Nieuweweg 2 tot buurttuinderij of agrarische buurtfunctie. Met de herbestemming van de boerderij kan het perceel worden ingezet voor gemeenschapslandbouw en worden gebruikt voor de dagbesteding van bewoners van de woonzorgvoorziening. De overige gronden van het plangebied krijgen een landschappelijke en ecologische opwaardering door het toekennen van een natuur- en groenbestemming.
Het plangebied ligt ten oosten van het Reinaldapark, begrensd door de Nieuweweg aan de noordzijde, de Fuikvaartweg aan de westzijde en het bestaande bebouwingscluster, waaronder de boerderij aan de Nieuweweg 2, aan de oostzijde.
2.1. De stichting kan zich niet verenigen met dit plan. Zij vreest dat de bouw van de woonzorgvoorziening de natuur en de omgeving van beschermde diersoorten zal verstoren. Verder meent zij dat de locatie Nieuweweg 2 ongeschikt is voor de bouw van een dergelijke woonzorgvoorziening, vanwege het risico op overlast voor de omgeving van die locatie.
Toetsingskader
3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Sociale veiligheid
4. De stichting betoogt dat de voorziene locatie van de woonzorgvoorziening niet geschikt is voor een dergelijke functie en dat de raad dit bij de vaststelling van het plan onvoldoende heeft onderkend. Zij voert in dit kader aan dat de locatie rondom het plangebied een ook door het gemeentebestuur erkende actuele overlastlocatie is, waar illegale prostitutie en handel in drugs plaatsvindt. Gelet hierop is de gekozen locatie voor de woonzorgvoorziening in strijd met de door het gemeentebestuur gestelde voorwaarde dat de woonzorgvoorziening gelegen moet zijn in een rustige omgeving buiten het centrum.
De stichting wijst er daarbij op dat de doelgroep van de woonzorgvoorziening een kwetsbare groep is die zich kenmerkt door verslavingsproblematiek. Vanwege de aanwezigheid van handel in drugs in de omgeving zal deze groep in de verleiding worden gebracht om drugs te kopen en te gebruiken.
Bovendien zal volgens de stichting de komst van de woonzorgvoorziening vanwege de interactie tussen de verschillende groepen in de omgeving leiden tot een toename van reeds door de omgeving ervaren overlast. De stichting stelt hierbij dat de problemen rondom prostitutie en drugscriminaliteit niet enkel door handhaving zullen worden opgelost, omdat volgens haar sprake is van onderbezetting bij de politie.
4.1. De raad stelt dat de voorziene locatie geschikt is voor de beoogde woonzorgvoorziening. De raad stelt in dat kader dat voorafgaand aan de vaststelling van het plan onderzoek is verricht naar de ervaren overlast op de voorziene locatie. Uit dat onderzoek volgt volgens de raad dat rondom de voorziene locatie van de woonzorgvoorziening geen illegale prostitutie en handel in drugs plaatsvindt.
De raad heeft er verder op gewezen dat de woonzorgvoorziening op een rustige en beschutte plek komt om de impact op de omgeving zo klein mogelijk te houden. Bovendien zal er 24 uur per dag begeleiding en toezicht zijn op de bewoners van de woonvoorziening. Ook zal er met huisregels worden gewerkt. Het niet naleven van deze huisregels kan er in een uiterst geval toe leiden dat de bewoner van de woonvoorziening de woonvoorziening permanent moet verlaten. De raad stelt dat de genoemde maatregelen de veiligheid en de beperking van de overlast ten goede zal komen.
4.2. De Afdeling overweegt dat de raad voorafgaand aan de vaststelling van het plan meermaals onderzoek heeft laten verrichten naar de overlast in en rondom het plangebied. Volgens de raad onderschrijven deze onderzoeken dat er geen sprake is van ernstige overlast en criminaliteit. Ook zijn er volgens de raad geen concrete aanwijzingen dat er sprake is van het dealen van drugs of prostitutie. De raad heeft verder hierover gesteld dat ondanks dat hiervoor gelet op de bevindingen uit de voornoemde onderzoeken geen noodzaak bestond, het gemeentebestuur zekerheidshalve toch maatregelen heeft getroffen om de eventuele ervaren overlast en onveiligheid aan te pakken. Zo zijn het Reinaldapad, de Nieuweweg en de Fuikvaartweg voorzien van extra verlichting en is bovendien de inzet van handhavingsambtenaren in de omgeving verhoogd. Ook is er een extra handhaver ingezet rondom het plangebied. De raad heeft op de zitting hierover verder toegelicht dat nadat deze maatregelen uitgevoerd waren geen nieuwe meldingen over overlast bij de gemeente zijn binnengekomen. De stichting heeft dit op de zitting niet betwist en heeft erkend dat er maatregelen genomen zijn.
Onder de voornoemde omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat de raad zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorziene locatie geschikt is voor de beoogde woonzorgvoorziening en dat de komst van de woonzorgvoorziening vanwege de interactie tussen de verschillende groepen niet zal leiden tot een onaanvaardbare toename van reeds door de omgeving ervaren overlast en dat gelet hierop geen sprake is van een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden van de voorziene locatie van de woonzorgvoorziening.
Waar de stichting stelt dat de problemen rondom drugscriminaliteit en prostitutie niet door enkel handhaving zullen worden opgelost en dat handhaving niet altijd mogelijk zal zijn als gevolg van onderbezetting bij de politie, overweegt de Afdeling dat aannemelijk is dat als gevolg van de genoemde maatregelen de bestaande ervaren overlast niet is toegenomen en dat wat de stichting hierover heeft aangevoerd geen aanknopingspunten geeft voor het oordeel dat de raad zich redelijkerwijs niet op het standpunt heeft mogen stellen dat eventuele overlast in de toekomst door maatregelen kan worden tegengegaan.
4.3. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in wat de stichting heeft aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat de locatie geschikt is voor de woonzorgvoorziening, en dat de raad onvoldoende heeft onderkend dat de komst van de woonzorgvoorziening vanwege de interactie tussen de verschillende groepen in de omgeving zal leiden tot een toename van reeds door de omgeving ervaren overlast.
Het betoog slaagt niet.
Natuur
5. De stichting betoogt dat het plan leidt tot negatieve gevolgen voor de natuur. De stichting heeft hierover op de zitting aangevoerd dat de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom het plan zich verdraagt met de provinciale regelgeving dan wel het provinciaal beleid over het behoud van het open landschap. Zij voert hiertoe aan dat de provincie Noord-Holland als ambitie het benoemen, behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van diverse landschappen en cultuurhistorie heeft. Volgens de stichting gaat het plan tegen dit beleid in aangezien met het plan een deel van de bestaande natuur verloren zal gaan. Dit komt volgens de stichting doordat een deel van het plangebied een maatschappelijke bestemming in plaats van een agrarische bestemming krijgt.
Verder wijst de stichting op de aanwezigheid van verschillende beschermde diersoorten in het plangebied. Door de komst van de woonzorgvoorziening zal de leefomgeving van die diersoorten onaanvaardbaar worden verstoord, aldus de stichting.
5.1. De raad stelt dat het plan in overeenstemming is met provinciale regelgeving over het open landschap en dat hij tevens voldoende rekening heeft gehouden met het provinciaal beleid hierover.
De raad stelt verder over de soortenbescherming dat voorafgaand aan de vaststelling van het plan onderzoeken zijn verricht naar de gevolgen van het plan voor de aanwezigheid van door de Wet natuurbescherming (Wnb) aanwezige plant- en diersoorten. Volgens de raad blijkt uit deze onderzoeken dat de aanwezigheid van diverse diersoorten in het plangebied niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.
5.2. In paragraaf 2.6 van de plantoelichting staat dat het gebied waar de woonzorgvoorziening is voorzien, een 2,8 hectare groot nog vrij gaaf langwerpig weidegebied is, gesitueerd ten oosten van de Fuikvaartweg en ten zuiden van de Nieuweweg. Het gebied behoort volgens de plantoelichting tot het Bijzonder Provinciaal Landschap Spaarnwoude en omgeving. Kernkwaliteiten van dit gebied zijn de openheid, het nog gave verkavelingspatroon en de nog goed zichtbare overgang tussen de wat hoger gelegen strandwal en het lagere weidegebied.
Paragraaf 2.6 van de plantoelichting beschrijft verder op welke wijze in het plan rekening is gehouden met de kernkwaliteiten van dit gebied. Zo staat daar onder andere dat met een inrichtingsschets is gewaarborgd dat de kernkwaliteiten van het gebied zoveel mogelijk behouden of versterkt worden. Ook wordt volgens de plantoelichting de open ruimte versterkt door het toevoegen van water en het verhogen van de kwaliteit hiervan, en wordt zoveel mogelijk ingezet op het behoud van bestaande bomen en anders vervanging ervan. Tevens wordt nieuwe beplanting toegevoegd ter bevordering van de biodiversiteit en de klimaatadaptie.
De woonzorgvoorziening wordt tot slot volgens de plantoelichting zo compact mogelijk ingepast aan de westrand van het gebied tegen het Reinaldapark, waardoor een groot deel van het gebied open gehouden kan worden.
Uit paragraaf 3.2.2 blijkt verder dat het plan is getoetst aan provinciale regelgeving, namelijk de Omgevingsverordening NH2020. Daarin is vermeld dat het plangebied in de bestaande situatie reeds behoorlijk besloten is en dat de inpassing van de woonzorgvoorziening daarom niet voor een aantasting van de openheid van het gebied zorgt.
5.3. Naar aanleiding van het betoog van de stichting dat als gevolg van het plan een onaanvaardbare aantasting van het open landschap plaatsvindt en dit in strijd is met provinciale regelgeving of beleid hierover, overweegt de Afdeling het volgende.
De Afdeling stelt vast dat gelet op wat hiervoor onder 5.2 is overwogen, de raad de verenigbaarheid van het plan met de Omgevingsverordening NH2020 heeft getoetst en heeft geconcludeerd dat het plan daarmee in overeenstemming is. De Afdeling ziet geen aanleiding om aan deze conclusie te twijfelen, te meer omdat de stichting de mogelijke strijd met de Omgevingsverordening NH2020 niet nader heeft geconcretiseerd.
Verder overweegt de Afdeling dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet gebonden is aan provinciaal beleid (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5432, onder 8 t/m 8.1). Wel dient de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met dit beleid. Dat betekent dat hij dit beleid in de belangenafweging dient te betrekken. Uit paragraaf 2.6 van de plantoelichting volgt naar het oordeel van de Afdeling dat de raad voldoende rekening heeft gehouden met het provinciaal beleid inzake het behoud van het (open) landschap.
Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in wat de stichting heeft aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad vanwege de provinciale regelgeving of het provinciaal beleid over het behoud van het open landschap het plan niet heeft mogen vaststellen.
5.4. Voor zover de stichting voor het overige stelt dat het plan leidt tot negatieve gevolgen voor de natuur vanwege de aantasting van de leefomgeving van beschermde diersoorten, begrijpt de Afdeling deze beroepsgrond van de stichting zo dat zij meent dat het soortenbeschermingsregime van de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.
5.4.1. De Afdeling overweegt dat de raad het plan niet mag vaststellen als en voor zover hij op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het wettelijke soortenbeschermingsregime aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.
5.4.2. In paragraaf 4.11.2 van de plantoelichting is ingegaan op de aanwezigheid van beschermde diersoorten in het plangebied. Daarin is vermeld dat een quickscan Wet natuurbescherming is verricht om te bepalen of er ecologische waarden in het plangebied aanwezig zijn. Op basis van de "Quickscan Nieuweweg 2, Haarlem" van 18 juli 2022 (quickscan) is geconcludeerd dat er vanwege de aanwezigheid van beschermde diersoorten een vervolgonderzoek noodzakelijk is, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het "Natuuronderzoek Nieuweweg 2 Haarlem" van 21 februari 2024 (natuuronderzoek). Op basis van de quickscan en het natuuronderzoek is wat betreft soortenbescherming in de plantoelichting vermeld dat in de bestaande boerderij aan de Nieuweweg 2 een zomerverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis aanwezig is en dat er een verblijfplaats van de wezel in het plangebied aanwezig is. Voor beide diersoorten is aangegeven dat een eventuele omgevingsvergunning voor een flora- en fauna activiteit kan worden verleend en dat de aanwezigheid van die diersoorten daarom geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het plan.
De raad heeft daarnaast bevestigd dat de verblijfplaats van de vleermuis is gesitueerd in de bestaande boerderij en dat werkzaamheden aan de boerderij als gevolg van het plan niet zijn gepland. Verder heeft hij op de zitting naar voren gebracht dat inmiddels een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit voor het verstoren van de wezel is verleend. Genoemde omstandigheden zijn door de stichting op de zitting niet weersproken.
5.4.3. Gelet op wat hiervoor onder 5.4.2 is overwogen, is de Afdeling van oordeel dat de raad zich op de quickscan en het natuuronderzoek mocht baseren. Gelet op de inhoud van die documenten is de Afdeling van oordeel dat de raad zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat het wettelijke soortenbeschermingsregime op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Daarbij betrekt de Afdeling dat inmiddels een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit voor het verstoren van de wezel is verleend.
5.5. Concluderend ziet de Afdeling in wat de stichting heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad vanwege de gevolgen voor de natuur het plan niet heeft mogen vaststellen.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond.
7. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. Tieleman, griffier.
w.g. De Groot
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Tieleman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026
817-1188
BIJLAGE
Planregels bestemmingsplan "Domus Plus - Fuikvaartweg"
Artikel 6.1
De voor ‘Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. het behoud, herstel en/of de ontwikkeling van natuurwetenschappelijke waarde en/of ecologische waarde;
b. waterlopen en waterpartijen;
c. voetpaden.
Artikel 6.2
Op de gronden met de bestemming natuur mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de bestemming worden opgericht onder de volgende voorwaarden:
a. de maximale bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 1 m bedragen.
Artikel 6.3
1. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij de toepassing van de in lid 2 gestelde regels nadere eisen te stellen ten aanzien van:
a. de situering van bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
2. Burgemeester en wethouders toetsen bij de toepassing van deze nadere eisen of geen onevenredige aantasting zal plaatsvinden van:
a. het straat- en bebouwingsbeeld;
b. de verkeerssituatie ter plaatse;
c. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
d. de brandveiligheid en rampenbestrijding;
e. een ecologisch en landschappelijk verantwoorde inrichting.
Artikel 6.4
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
1. Het is verboden op of in de gronden met de bestemming natuur zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
a. bodemverlagen of afgraven, ophogen, egaliseren dan wel anderszins aanbrengen van wijzigingen in het maaiveld;
b. het verrichten van graafwerkzaamheden anders dan normaal spit- en ploegwerk;
c. het vellen en rooien van houtgewas;
d. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van voorwerpen in de grond;
e. aanbrengen van gesloten oppervlakteverhardingen.
2. Het verbod als bedoeld in sub 1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:
a. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer;
b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
3. De werken of werkzaamheden als bedoeld sub 1 zijn slechts toelaatbaar, mits door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen geen onevenredige aantasting van de landschappelijke en/ of natuurwaarden van de gronden ontstaan of kan ontstaan.