202402134/1/A3.
Datum uitspraak: 8 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[appellant A] en [appellant B], wonend in Amsterdam,
appellanten,
en:
de burgemeester van Amsterdam,
verweerder.
Procesverloop
[appellanten] hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 5 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1345. In die uitspraak heeft de Afdeling de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, bevestigd en het besluit van 13 september 2021 vernietigd en is de burgemeester opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen.
Bij besluit van 29 mei 2024 heeft de burgemeester de door [appellanten] gemaakte bezwaren tegen het besluit van 11 juni 2018 gedeeltelijk gegrond verklaard.
Op 14 juni 2024 hebben [appellanten] de Afdeling verzocht de verbeurde dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb voor de burgemeester vast te stellen en de burgemeester te veroordelen in de door hen gemaakte proceskosten.
De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
1. Het wettelijk kader is opgenomen in een bijlage. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
2. In de uitspraak van 5 april 2023 heeft de Afdeling de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, bevestigd. Verder heeft zij bij die uitspraak het besluit van de burgemeester van 13 september 2021 vernietigd. De Afdeling heeft de burgemeester opgedragen een nieuw besluit op de bezwaren te nemen.
3. [appellanten] hebben, omdat de burgemeester geen gevolg heeft gegeven aan de uitspraak van de Afdeling van 5 april 2023, op 4 april 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun bezwaren. Zij verzoeken het beroep gegrond te verklaren en de burgemeester op te dragen om binnen veertien dagen na verzending van de uitspraak een besluit te nemen op hun bezwaren, dit onder oplegging van een dwangsom voor elke dag dat de burgemeester die termijn overschrijdt.
4. Bij het besluit van 29 mei 2024 heeft de burgemeester de door [appellanten] gemaakte bezwaren tegen het besluit van 11 juni 2018 gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard.
5. [appellanten] hebben op 14 juni 2024 te kennen gegeven dat zij het inhoudelijk eens zijn met het besluit van 29 mei 2024. [appellanten] verzoeken de Afdeling wel om de verbeurde dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb voor de burgemeester vast te stellen en de burgemeester te veroordelen in de door hen gemaakte proceskosten. Volgens [appellanten] heeft de burgemeester namelijk niet tijdig beslist op hun bezwaren, ook niet nadat de burgemeester in gebreke was gesteld. De burgemeester is hen daardoor een dwangsom op grond van artikel 4:17 van de Awb verschuldigd.
6. Toen [appellanten] een jaar na de uitspraak van de Afdeling van 5 april 2023 beroep instelden tegen het niet tijdig beslissen, had de burgemeester nog geen beslissing genomen. Dat heeft de burgemeester inmiddels wel gedaan. De Afdeling stelt vast dat de burgemeester niet tijdig heeft beslist. Anders dan de burgemeester stelt wordt het niet tijdig beslissen in dit geval niet gerechtvaardigd door de aard en inhoud van het besluit. Bovendien hebben [appellanten] naar het oordeel van de Afdeling de burgemeester niet te laat in gebreke gesteld in de zin van artikel 4:17, vijfde lid, onder a, van de Awb. Uit de stukken blijkt namelijk dat er veel contactmomenten zijn geweest tussen [appellanten] en de burgemeester over het uitblijven van het besluit.
De burgemeester had daarom op grond van artikel 4:17 van de Awb de verschuldigde dwangsom moeten vaststellen, maar heeft dit niet gedaan. De Afdeling zal daarom met toepassing van artikel 6:20, vijfde lid, en artikel 8:55c, van de Awb het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing gegrond verklaren en de hoogte van de verbeurde dwangsom vaststellen.
7. Op grond van artikel 4:17, derde lid, van de Awb is de eerste dag waarover de dwangsom is verschuldigd de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de beslistermijn is verstreken en het bestuursorgaan een schriftelijke ingebrekestelling van [appellanten] heeft ontvangen. Omdat [appellanten] de burgemeester op 26 februari 2024 in gebreke hebben gesteld en de burgemeester op 29 mei 2024 een besluit heeft genomen, heeft de burgemeester vanaf 12 maart 2024 elke dag een dwangsom verbeurd voor de volledige termijn van 42 dagen als bedoeld in artikel 4:17, eerste lid, van de Awb. De Afdeling stelt de door de burgemeester verbeurde dwangsom daarom vast op het maximale bedrag van € 1.442,00.
Conclusie
8. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de bezwaren van [appellanten] is gegrond. Het met een beslissing gelijk te stellen niet tijdig nemen van een beslissing op de bezwaren moet worden vernietigd. De burgemeester moet een dwangsom van € 1.442,00 betalen aan [appellanten] en de proceskosten vergoeden voor het beroep niet tijdig beslissen. De Afdeling zal bij de proceskostenvergoeding een wegingsfactor van 0,5 (licht) hanteren.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar, gegrond;
II. vernietigt het met een beslissing gelijk te stellen niet tijdig nemen van een beslissing op de bezwaren van [appellant A] en [appellant B];
III. stelt de hoogte van de door de burgemeester van Amsterdam aan [appellant A] en [appellant B] verbeurde dwangsom vast op een bedrag van € 1.442,00;
IV. veroordeelt de burgemeester van Amsterdam tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
V. gelast dat de burgemeester van Amsterdam aan [appellant A] en [appellant B] het door hen voor de behandeling van het beroep ten bedrage van € 187,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.E. de Bakker, griffier.
w.g. Daalder
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Bakker
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026
1031
Bijlage
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:17
1 Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.
2 De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35 per dag en de overige dagen € 45 per dag.
3 De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
Artikel 6:20
[…]
Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan alsnog gegrond worden verklaard, indien de indiener van het beroepschrift daarbij belang heeft.
Artikel 8:55c
Indien het beroep gegrond is, stelt de bestuursrechter desgevraagd tevens de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 verbeurde dwangsom vast. De artikelen 611c en 611g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8:57
1 De bestuursrechter kan bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft indien geen van de partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, binnen een door hem gestelde redelijke termijn heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht.
2 Is het beroep reeds ter zitting behandeld, dan kan de bestuursrechter na toepassing van artikel 8:51a bepalen dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft indien:
a. het bestuursorgaan heeft medegedeeld dat het geen gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen of te laten herstellen;
b. de termijn als bedoeld in artikel 8:51a, tweede lid, ongebruikt is verstreken;
c. partijen hun zienswijzen over de wijze waarop het gebrek is hersteld, naar voren hebben gebracht; of
d. de termijn als bedoeld in artikel 8:51b, derde lid, ongebruikt is verstreken, tenzij partijen daardoor kunnen worden benadeeld.
3 Als de bestuursrechter bepaalt dat het onderzoek of het nadere onderzoek ter zitting achterwege blijft, sluit hij het onderzoek.