202402716/1/R4.
Datum uitspraak: 14 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Zeist,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 21 maart 2024 in zaak nr. 23/6238 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Zeist.
Procesverloop
Bij besluit van 27 maart 2023 heeft het college geweigerd om [appellante] een omgevingsvergunning te verlenen voor het realiseren van een uitweg bij de [locatie] in Zeist (hierna: de uitweg onderscheidenlijk het perceel).
Bij besluit van 7 november 2023 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 21 maart 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] en het college hebben ieder voor zich een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld van 7 april 2025, waar [appellante] en het college, vertegenwoordigd door mr. E.U.H. van de Schepop, vergezeld door W.T. Cok, zijn verschenen.
Na sluiting van het onderzoek heeft de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heropend en het college om nadere informatie gevraagd.
Het college en [appellante] hebben vervolgens nadere stukken ingediend.
Het college en [appellante] hebben te kennen gegeven dat zij geen behoefte hebben aan een nadere zitting. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 26 februari 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. [appellante] is eigenaresse van het perceel. Op het perceel staat een hoekwoning. Deze woning staat aan de buitenzijde van een rij met aaneengesloten rijtjeswoningen. Het college heeft de aanvraag van [appellante] om een omgevingsvergunning voor de uitweg geweigerd in het belang van ‘de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving’. Die weigeringsgrond staat in artikel 2:12, tweede lid, aanhef en onder c, van Algemene plaatselijke verordening Zeist 2017 (hierna: de Apv). In het ‘Beleid uitwegen gemeente Zeist’ (hierna: het uitwegenbeleid) heeft het college een nadere invulling gegeven aan die weigeringsgrond. Volgens het college is die weigeringsgrond van toepassing, omdat op het perceel geen auto naast of achter de hoekwoning kan worden geparkeerd.
Het hoger beroep
De weigeringsgrond
3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de omgevingsvergunning heeft mogen weigeren op grond van artikel 2:12, tweede lid, aanhef en onder c, van de Apv, gelezen in samenhang met artikel 4, derde lid, aanhef en onder a, van het uitwegenbeleid. [appellante] voert aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college ten onrechte heeft beoordeeld of de aanvraag kan worden geweigerd op grond van artikel 2:12, tweede lid, aanhef en onder c, van de Apv. [appellante] wijst erop dat die weigeringsgrond betrekking heeft op het parkeren van een auto en dat in de aanvraag staat dat de uitweg is bedoeld om een aanhangwagen in de schuur te kunnen stallen. Daarnaast heeft de rechtbank volgens [appellante] een onjuiste uitleg gegeven aan artikel 4, derde lid, aanhef en onder a, van het uitwegenbeleid door te oordelen dat de zinsnede ‘een auto naast de woning stallen’ betekent ‘een auto naast de zijgevel en achter de voorgevelrooilijn stallen’. Volgens [appellante] volgt uit het uitwegenbeleid niet dat een naast de woning geparkeerde auto niet geheel of gedeeltelijk voor de voorgevelrooilijn mag staan.
3.1. Artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo luidt: "Voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om een uitweg te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen, geldt een zodanige bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning."
3.2. Artikel 2:12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Apv luidt: "Het is verboden zonder vergunning een uitweg te maken naar de weg".
Het tweede lid, aanhef en onder c, luidt: "Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving".
3.3. Artikel 4, derde lid, aanhef en onder a, van het uitwegenbeleid luidt: "Voor het bepalen of een in-/uitrit zodanige gevolgen op het uiterlijk aanzien van de omgeving heeft dat de in-/uitritvergunning wordt geweigerd […], gelden onderstaande richtlijnen. Bij rijtjeswoningen is het parkeren van auto’s in de voortuin niet toegestaan. Bij hoekwoningen kan alleen een uitweg gemaakt worden om een auto naast of achter de woning te stallen, indien de uitweg verder aan alle voorwaarden voldoet."
Het uitwegenbeleid is voorzien van een bijlage waarin bepalingen nader worden toegelicht. Onderdeel 3 (de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving), onder a, van die bijlage luidt: "Het ongewenst is om bij rijtjeswoningen in de voortuin te parkeren, omdat het de ruimtelijke kwaliteit aantast. Bij de woningen aan het einde van een rijtje ('hoekwoningen') wil er soms nog wel eens ruimte naast de woning op het perceel zijn, waardoor het denkbaar is dat daar wel een parkeerplaats komt (met dus een uitweg)."
3.4. In bezwaar heeft [appellante] te kennen gegeven dat zij haar aanvraag ook heeft ingediend om haar elektrische auto op het perceel te kunnen opladen met de energie die zij met haar zonnepanelen opwekt. De Afdeling stelt vast dat dat haar aanvraag dus ook bedoeld is om haar auto op haar perceel te kunnen stallen. Alleen al gelet hierop kan [appellante] niet worden gevolgd in haar standpunt dat de rechtbank had moeten onderkennen dat het college de aanvraag niet had mogen beoordelen aan de hand van artikel 2:12, tweede lid, aanhef en onder c, van de Apv, gelezen in samenhang met artikel 4, derde lid, aanhef en onder a, van het uitwegenbeleid.
In zoverre slaagt het betoog niet.
3.5. Het college heeft zich in het besluit van 7 november 2023 op het standpunt gesteld dat voor de betekenis van het voorzetsel ‘naast’ in artikel 4, derde lid, aanhef en onder a, van het uitwegenbeleid aansluiting wordt gezocht bij ‘Van Dale’, omdat de betekenis niet is gedefinieerd in de Apv of het uitwegenbeleid. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich redelijkerwijs op dit standpunt mogen stellen. Het Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal definieert het voorzetsel ‘naast’ als ‘aan de zijde van iets of iemand’. Gelet daarop en gezien de omstandigheid dat het volgens het uitwegenbeleid ongewenst is om bij rijtjeswoningen in de voortuin te parkeren, is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat uit het uitwegenbeleid volgt dat bij een hoekwoning parkeergelegenheid achter de voorgevelrooilijn beschikbaar moet zijn. Tussen partijen is niet in geschil dat parkeergelegenheid als hier bedoeld niet beschikbaar is op het perceel. Gelet hierop geeft wat [appellante] heeft aangevoerd, geen grond voor het oordeel dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 2:12, tweede lid, aanhef en onder c, van de Apv, gelezen in samenhang met artikel 4, derde lid, aanhef en onder a, van het uitwegenbeleid, zich in dit geval niet voordoet.
Het betoog slaagt niet.
Gelijkheidsbeginsel
4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat haar beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. [appellante] voert aan dat het college in strijd met het uitwegenbeleid uitwegen heeft toegestaan bij 26 onderscheiden adressen in de gemeente Zeist, waaronder twee-onder-een-kap woningen en vrijstaande woningen, waar niet achter de voorgevelrooilijn kan worden geparkeerd.
4.1. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat artikel 4, derde lid, aanhef en onder a, van het uitwegenbeleid geen betrekking heeft op twee-onder-een-kap woningen en vrijstaande woningen, omdat die woningen geen hoekwoningen zijn aan het einde van een rij met rijtjeswoningen.
Voor zover [appellante] zich op twee-onder-een-kap woningen en vrijstaande woningen heeft beroepen, slaagt het betoog niet.
4.2. Gelet op het verhandelde op de zitting zijn partijen het erover eens dat in ieder geval 17 van de 26 woningen waarop [appellante] zich heeft beroepen, geen hoekwoningen zijn als bedoeld in het uitwegenbeleid. De Afdeling heeft het onderzoek heropend en het college in de gelegenheid gesteld om nadere informatie te verstrekken over de overige negen woningen waarop [appellante] zich heeft beroepen. Het college heeft die informatie overgelegd. Het college heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat het in twee of drie van die negen gevallen een fout heeft gemaakt door een uitweg te vergunnen bij een hoekwoning waar geen auto naast of achter de woning kan worden geparkeerd. [appellante] heeft zich naar aanleiding van de nadere informatie van het college op het standpunt gesteld dat het college bij drie van de negen hoekwoningen in strijd heeft gehandeld met het uitwegenbeleid en dat de afwijzing van haar aanvraag daarom in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. De drie omgevingsvergunningen waarop het college en [appellante] doelen, zijn verleend bij besluiten van het college van 19 mei 2016, 20 juli 2018 en 13 april 2021.
4.3. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 22 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2792, onder 3.1) strekt het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet zo ver dat een bestuursorgaan gemaakte fouten moet herhalen.
4.4. Het college heeft toegelicht dat het uitwegenbeleid geldig is sinds 7 november 2012 en dat aanvragen om omgevingsvergunning voor een uitweg, voor zover vergelijkbaar met die van [appellante], sindsdien ‘aan de voorkant worden afgevangen’ of, na de indiening ervan, worden afgewezen op grond van het uitwegenbeleid. De omstandigheid dat in de periode sinds 7 november 2012 een gering aantal keer een fout is gemaakt, is volgens het college onvoldoende om met succes een beroep op het gelijkheidsbeginsel te kunnen doen.
4.5. De Afdeling is van oordeel dat het college zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat het vast beleid is om aanvragen als die van [appellante] af te wijzen en dat de drie gevallen waarin wel een omgevingsvergunning is verleend, berusten op een fout. Het gelijkheidsbeginsel in niet zo ver strekt dat het college die eerder gemaakte fouten moet herhalen.
Het betoog slaagt niet.
Slotsom
5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J. Gundelach, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.J.C. Robben, griffier.
w.g. Gundelach
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Robben
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026
610-1152