202600953/2/A2.
Datum uitspraak: 9 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekster], wonend in ]woonplaats],
verzoekster,
en
het college van beroep voor de examens van de Vrije Universiteit Amsterdam (CBE),
verweerder.
Openbare zitting gehouden op 9 april 2026 om 15:00 uur.
Tegenwoordig:
staatsraad mr. E.J. Daalder, voorzieningenrechter
griffier: mr. M. Rijsdijk
jurist: mr. J.R. van Asselt
Verschenen:
[verzoekster], bijgestaan door mr. B. Salamat, rechtsbijstandsverlener in Enschede;
het CBE (via videoverbinding), vertegenwoordigd door mr. S.A. Snoeren, vergezeld door A.A. Moerkerken en M.H. Siderius.
Bij beslissing van 31 maart 2026 heeft het CBE zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van het door [verzoekster] ingestelde administratief beroep. Dit administratief beroep was ingesteld tegen beslissingen van 25 november 2025 en 19 januari 2026 van het faculteitsbestuur van de Faculteit der Bètawetenschappen, waarbij het verzoek van [verzoekster] om toelating tot een bachelorproject is afgewezen. [verzoekster] heeft de voorzieningenrechter gevraagd om het CBE te verplichten haar hangende het beroep toe te laten tot het bachelorproject.
De voorzieningenrechter:
treft een voorlopige voorziening, die inhoudt dat het CBE ervoor zorg draagt dat [verzoekster] de toegang tot het bachelorproject behoudt tot en met 17 april 2026.
Gronden:
• Bij e-mail van 2 april 2026 heeft het CBE desgevraagd medegedeeld dat [verzoekster] aan het bachelorproject mag deelnemen tot de behandeling ter zitting van de voorlopige voorziening bij de Afdeling op 9 april 2026. De behandeling van het verzoek is door de voorzieningenrechter geschorst en wordt op 17 april 2026 voortgezet;
• Na afweging van de betrokken belangen treft de voorzieningenrechter bij wijze van ordemaatregel een voorlopige voorziening die inhoudt dat [verzoekster] aan het bachelorproject mag blijven deelnemen. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat het CBE het initiële verzoek van [verzoekster] per ommegaande aan de examencommissie zal voorleggen om een beslissing daarover te verkrijgen, waarna op 17 april 2026 een nadere behandeling van het beroep zal plaatsvinden, waarbij ook aan de orde zal komen de mogelijkheid tot opheffing of wijziging van de voorlopige voorziening.
• bij de beslissing over de opheffing of wijziging van deze voorlopige voorziening zal over een eventuele proceskostenvergoeding worden beslist.
w.g. Daalder
voorzieningenrechter
w.g. Rijsdijk
griffier
705-1175