202307784/1/R1.
Datum uitspraak: 14 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank NoordHolland van 10 november 2023 in zaak nr. 23/1443 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Haarlem.
Procesverloop
Bij besluit van 21 maart 2022 heeft het college de aanvraag van [appellant] om een omgevingsvergunning voor het veranderen van de bovenwoning aan de [locatie A] in Haarlem in twee woningen, buiten behandeling gesteld.
Bij besluit van 3 november 2022 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 10 november 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak behandeld op een zitting op 10 december 2025, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.W. van der Hulst, advocaat in Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.C. Sumter, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het hoger beroep blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.
Inleiding
2. [appellant] is eigenaar van het pand aan voorheen de [locatie B] in Haarlem. In 1999 heeft hij dit pand bouwkundig en kadastraal laten splitsen in twee woningen. Aan elk van de woningen is daarna een apart huisnummer toegekend ([nummer A] en [nummer B]). Voor de bewoners van elk van deze woningen is destijds een parkeervergunning verleend (in de vorm van een parkeervignet). In 2021 is het [appellant] gebleken dat voor de splitsing in twee woningen, en het in stand houden daarvan, een omgevingsvergunning is vereist. Deze heeft hij op 24 december 2021 alsnog aangevraagd. Het college heeft [appellant] gevraagd de aanvraag aan te vullen met onder meer een stappenplan als bedoeld in de "Beleidsregels Parkeernormen Haarlem 2015". Dit stappenplan houdt onder meer in dat de aanvrager een andere parkeeroplossing moet aandragen als niet op eigen terrein kan worden voorzien in het voorgeschreven aantal parkeerplaatsen. [appellant] heeft binnen de gestelde termijn om de aanvraag aan te vullen geen parkeeroplossing overgelegd. Daarop heeft het college de aanvraag buiten behandeling gesteld.
Dit besluit is in bezwaar en in beroep in stand gebleven. [appellant] is het daar niet mee eens.
Procesbelang
3. Naar aanleiding van een nieuwe aanvraag om omgevingsvergunning heeft het college op 17 mei 2024 alsnog een omgevingsvergunning voor de woningsplitsing aan [appellant] verleend.
Om de splitsing volledig te legaliseren, is inmiddels echter ook nog een woningvormingsvergunning op grond van de "Huisvestingsverordening Zuid-Kennemerland/IJmond: Haarlem 2022" nodig. Door het buiten behandeling stellen van de eerste aanvraag kan [appellant] zich niet beroepen op het overgangsrecht in deze verordening. Uit artikel 4.3.1, vierde lid, volgt namelijk dat aanvragen om een dergelijke woningvormingsvergunning worden afgehandeld volgens de voorgaande Huisvestingsverordening Zuid-Kennemerland/IJmond: Haarlem 2021, als voor het bouwkundig splitsen vóór 1 januari 2022 een ontvankelijke aanvraag om omgevingsvergunning is ingediend. In bijlage 1 van de nu geldende Huisvestingsverordening is de buurt waarin het pand van [appellant] ligt aangewezen als buurt waar geen woningvormingsvergunningen meer worden verleend. Dat was in de voorgaande Huisvestingsverordening nog niet het geval.
De Afdeling leidt hieruit af dat [appellant] nog procesbelang heeft bij een beoordeling van zijn hoger beroep, maar alleen om vast te kunnen stellen of zijn oorspronkelijke aanvraag van vóór 1 januari 2022 heeft te gelden als een ontvankelijke aanvraag in de zin van de Huisvestingsverordening Zuid-Kennemerland/IJmond: Haarlem 2022. Bij een eventueel nieuw inhoudelijk besluit op die aanvraag heeft hij geen belang meer, nu het college de omgevingsvergunning al op 17 mei 2024 alsnog heeft verleend.
Hoger beroep
4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college de aanvraag om omgevingsvergunning niet buiten behandeling mocht stellen. Volgens hem had het college hem niet mogen vragen om de aanvraag aan te vullen met een parkeeroplossing op grond van het stappenplan over parkeren. Hij voert aan dat niet het Parapluplan parkeernormen Haarlem 2018 (hierna: het Parapluplan) van toepassing is, maar het later vastgestelde bestemmingsplan "Vijfhoek/Heiliglanden - De Kamp" (hierna: het bestemmingsplan). Verder voert hij aan dat hij bij zijn aanvraag heeft gewezen op de bestaande parkeervignetten, en daarmee voldoende gegevens over parkeren had overgelegd.
4.1. Op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een bestuursorgaan besluiten een aanvraag niet te behandelen indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad om de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.
4.2. [appellant] brengt op zichzelf terecht naar voren dat, anders dan de rechtbank en het college hebben aangenomen, het Parapluplan hier niet van toepassing is. Het bestemmingsplan is niet genoemd in bijlage 1 bij het Parapluplan, waarin staat op welke ruimtelijke plannen dit Parapluplan van toepassing is. Het later vastgestelde bestemmingsplan bevat in artikel 24 eigen regels over parkeren, waarbij niet naar het Parapluplan wordt verwezen. De Afdeling overweegt dat dit voor de beoordeling verder niet van betekenis is, omdat beide plannen voor de invulling van de regels over parkeren verwijzen naar de "Beleidsregels parkeernormen" zoals die gelden ten tijde van de ontvangst van de aanvraag.
4.3. Artikel 2.4 van de Beleidsregels Parkeernormen Haarlem zoals die golden ten tijde van de ontvangst van de aanvraag op 24 december 2021 gaat over het stappenplan dat doorlopen moet worden in het kader van de parkeernormen. Kort gezegd houdt het stappenplan in dat in volgorde moet worden bezien of de benodigde parkeerplaatsen binnen het bouwplan op eigen terrein kunnen worden gerealiseerd, of er in de buurt parkeerplekken kunnen worden gekocht of gehuurd, en of de parkeerplaatsen in de aangrenzende openbare ruimte kunnen worden gerealiseerd. Als laatste middel kan worden gedacht aan gedeeltelijke of algehele vrijstelling van de verplichting om aan de parkeernorm te voldoen. In het stappenplan komt dit terug onder punt 8 ("Zo nee, is er sprake van bijzondere omstandigheden als bedoeld in de beleidsregels parkeren").
4.4. Bij zijn aanvraag om omgevingsvergunning heeft [appellant] een toelichting van Rolvink Advies van 30 november 2021 gevoegd. Daarin staat over parkeren: "In het gebied geldt er momenteel een betaald parkeren beleid, waarbij de bewoners een ontheffing in de vorm van een vignet kunnen krijgen. Sinds de kadastrale splitsing in 1999 en het verstrekte huisnummerbesluit in 2000, hebben zowel huisnummer [nummer A] als [nummer B] een vignet voor parkeren in het centrum. Door de voorgenomen bouwkundige splitsing is er geen sprake van een toename van de parkeerdruk. Er zal daardoor geen aanvullende parkeervoorziening benodigd zijn."
Het college heeft [appellant] na ontvangst van diens aanvraag om omgevingsvergunning bij brief van 31 januari 2022 in de gelegenheid gesteld om de aanvraag aan te vullen met (voor zover hier relevant) gegevens en bescheiden over de inrichting van parkeervoorzieningen op eigen terrein. Het college heeft aangegeven dat in de bij de aanvraag ingediende parkeeroplossing is uitgegaan van de illegale situatie en dat een parkeeroplossing moet worden ingediend op basis van het bijgevoegde stappenplan.
[appellant] heeft hierop een op punten aangevulde toelichting van 11 maart 2022 ingezonden. Daarin staat onder meer over parkeren: "De 2 vignetten zijn reeds 22 jaar verstrekt en betaald. Daarmee is er sprake van een rechtens verkregen niveau. Er zal daardoor geen aanvullende parkeervoorziening benodigd zijn."
Volgens het college is [appellant] nog steeds uitgegaan van een illegale situatie. Het heeft de aanvraag vanwege het ontbreken van de gevraagde parkeeroplossing buiten behandeling gesteld.
4.5. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college ten onrechte aangenomen dat het ontbreken van de door hem gewenste parkeeroplossing maakte dat de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende waren voor de beoordeling van de aanvraag van [appellant]. Uit de toelichting die [appellant] op zijn aanvraag heeft gegeven blijkt genoegzaam dat niet was voorzien in parkeerplaatsen op eigen terrein of elders, en dat er volgens [appellant] aanleiding bestond om (als laatste stap van het stappenplan) af te zien van een parkeeroplossing zoals door het college was gevraagd. Gelet op het feit dat in de Beleidsregels parkeren rekening wordt gehouden met de mogelijkheid dat op grond van bijzondere omstandigheden vrijstelling wordt verleend van de verplichting om aan de parkeernorm te voldoen, kon het college hierover een besluit nemen op basis van wat [appellant] naar voren had gebracht. Voor zover het college de door [appellant] aangevoerde omstandigheden onvoldoende vond om uit te gaan van bijzondere omstandigheden en een dergelijke vrijstelling te verlenen, had dat aanleiding kunnen zijn om de gevraagde omgevingsvergunning te weigeren, maar was dat geen kwestie van het ontbreken van gegevens en bescheiden die maakte dat het college geen besluit op de aanvraag kon nemen.
Het betoog slaagt.
5. Nu het betoog van [appellant] op grond van het voorgaande al slaagt, komt de Afdeling niet meer toe aan een bespreking van de overige gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd.
Conclusie
6. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Doende wat de rechtbank zou moeten doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 3 november 2022 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Het besluit 21 maart 2022 tot het buiten behandeling stellen van de aanvraag om omgevingsvergunning van 24 december 2021 wordt herroepen. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
Zoals de Afdeling hiervoor onder 3 heeft overwogen, beschikt [appellant] intussen al over een omgevingsvergunning voor de woningsplitsing. Daarom hoeft het college geen nieuw besluit op de aanvraag te nemen. De procedure is met deze uitspraak afgerond.
7. Het college moet de door [appellant] in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank NoordHolland van 10 november 2023 in zaak nr. 23/1443;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Haarlem van 3 november 2022, kenmerk JZ/2022/698412;
V. herroept het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Haarlem van 21 maart 2022, kenmerk 2021-10164;
VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
VII. bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders van Haarlem geen nieuw besluit op de aanvraag om omgevingsvergunning van 24 december 2021 hoeft te nemen;
VIII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Haarlem tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.664,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
IX. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Haarlem aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 458,00 aan hem vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.N. Witsen, griffier.
w.g. Knol
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Witsen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026
727